Arnhem en Nijmegen willen samen doorgaan

Morgen presenteert het college van bestuur van het Knooppunt Arnhem - Nijmegen (KAN) de evaluatie van het eigen functioneren in een rapport met de titel 'Bestuur op Niveau: het KAN!'

NIJMEGEN, 23 SEPT. Voorzitter G. Jansen kan het niet anders zeggen: Het Knooppunt Arnhem - Nijmegen (KAN) is bestuurlijk een successtory en verdient het om te worden voortgezet. Het kabinet, zo meent Jansen, kan niet anders dan concluderen dat het Regionaal Openbaar Lichaam KAN minimaal tot in de volgende eeuw zijn werk moet blijven doen.

De evaluatie van het KAN, op verzoek van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, komt vervroegd, omdat er sinds de afwijzing van de stadsprovincies Amsterdam en Rotterdam onduidelijkheid bestaat over de toekomst van de stedelijke knooppunten. De staatssecretaris wil weten hoe het KAN zich sinds de vorming van dit Regionaal Openbaar Lichaam op 21 februari 1995 heeft ontwikkeld. Mede aan de hand van deze kennis wil het kabinet een vervolg geven aan de Kaderwet Bestuur in Verandering, waarmee op 1 juli 1994 de vorming van zeven stedelijke gebieden in Nederland mogelijk werd gemaakt.

Als het aan het KAN ligt, gaat het nog jaren door als Regionaal Openbaar Lichaam. Het KAN heeft grote meerwaarde, zo blijkt uit het rapport. Het staat in direct contact met alle betrokkenen en weet op deze manier veel meer te bereiken dan het provinciaal bestuur van Gelderland. Meer ook dan eventueel bereikt zou kunnen worden na een grootschalige herindeling van de regio. Bovendien is er sprake van een geslaagde koppeling tussen beleid en uitvoering. “Diverse vraagstukken vragen niet alleen het tot stand brengen van projecten, maar juist een beleidsmatige aansluiting en afstemming op regionaal niveau”, zo schrijft het college in de nog niet openbaar gemaakte evaluatie.

Voorzitter Jansen komt met concrete voorbeelden. Zo hebben op gezag van het KAN alle rondom Arnhem en Nijmegen gelegen gemeenten zich verplicht een deel van de sociale woningbouw van de twee grote steden op te vangen. “Dat is een bijdrage in de strijd tegen de grootstedelijke problematiek in Arnhem en Nijmegen. Ik weet zeker dat dit niet gelukt was zonder KAN. Krijg gemeenten dan maar eens zo gek problemen van buurgemeenten op te lossen”. Op het terrein van het verkeer en vervoer heeft het KAN een plan ontwikkeld, waarmee bedrijven en instellingen het eigen personeel meer per openbaar vervoer kunnen laten reizen. “In het Arnhemse ziekenhuis Rijnstate is het percentage medewerkers dat met het openbaar vervoer reist, sindsdien gestegen van vijf naar veertig.”

Ook op economisch gebied mag het KAN zijn zegeningen tellen, vindt Jansen. Het Knooppunt heeft een bedrijfsterreinen-plan opgezet, dat gemeenten rechtstreeks juridisch bindt. “Zo kunnen we regionaal bepalen waar welke nieuwe bedrijfsterreinen het best tot hun recht komen. En de gemeenten werken daar aan mee, richten het soort bedrijfsterrein in dat hen is toegewezen.”

Al deze en andere zaken, zegt Jansen, zijn tot stand gekomen dankzij het KAN en uitsluitend dankzij het KAN. Dat is voor een belangrijk deel het gevolg van de samenstelling van het KAN-bestuur: elk van de - 25 - deelnemende gemeenten levert een wethouder, burgemeester of raadslid. Juist in een dergelijk verband zien de gemeenten dat het behartigen van de overkoepelende belangen ook voor hen beter is, meent Jansen. “Door directe contacten met de ambtenaren van de gemeenten, door de medewerking van de plaatselijke politiek en doordat we harde afspraken kunnen maken, zijn we succesvol.” Het evaluatierapport noemt het daarnaast een voordeel dat de regionale samenwerking al een lange geschiedenis kent, soms met eerst wat geruzie over en weer. “Aanvankelijke twijfel of zelfs weerstand is omgeslagen in medewerking en enthousiasme. Gemeenten die om allerlei reden aansluiting bij het KAN is geweigerd, hebben zich hierbij neergelegd of verwachten op projectmatige basis betrokken te worden bij de KAN-ontwikkelingen. Als bindende factor geldt voor de KAN-gemeenten het uitbuiten van de strategische ligging”, staat in het rapport te lezen.

Volgens Jansen zien de gemeenten ook in dat er in de regio, met in totaal een kleine 670.000 inwoners, heel wat moet gebeuren. Woningbouwplannen van Nijmegen en Arnhem in respectievelijk de Waalsprong en de Spoorsprong; de aanleg van een Multimodaal Transportcentrum, het doortrekken van de A15 en van de A73, de komst van Betuwelijn en Hoge Snelheidslijn. “We moeten als KAN plannen, sturen en coördineren op het gebied van de ruimtelijke ordening, het milieu, volkshuisvesting, grondbeleid, verkeer en vervoer, economische ontwikkelingen. Allemaal projecten die snelheid van handelen vergen. En juist dat tempo kunnen we als KAN er in houden, omdat we het vertrouwen hebben van alle betrokken partijen, zowel de gemeenten als het bedrijfsleven. Dat laatste is van het grootste belang. De komende jaren gaan we duizend hectare bedrijfsterrein ontwikkelen en uitgeven. Daar moeten we ook bedrijven zien te krijgen. Als die het vertrouwen verliezen, heb je weinig aan die duizend hectare.”

De provincie Gelderland, oorspronkelijk initiator van het Knooppunt Arnhem - Nijmegen heeft zich de afgelopen jaren van het idee afgekeerd dat het Knooppunt een zelfstandige regio moet worden. In het rapport 'Vergelijk, zo ge wilt' zette Gelderland dit voorjaar in op een grootschalige herindeling, niet op een eigen stadsprovincie voor het KAN. Het Knooppunt moet, vindt Gelderland, een soort provinciale bestuurlijke dienst worden. Jansen is het daar hartstochtelijk mee oneens. “Uit onderzoek dat we gedaan hebben, blijkt dat geen van de betrokken partijen dat wil. Het openbaar bestuur wordt er diffuus van. Wie gaat waar nu over? We willen graag met de provincie samenwerken, maar wel op zelfstandige basis, daar is volgens ons iedereen in de regio het beste mee gediend.” Nee, zegt Jansen, de provincie hoeft dat helemaal niet als bedreigend te zien. Er blijft inderdaad niet zoveel voor de provincie over - de Veluwe, de Betuwe en de Achterhoek, “maar ik kan er toch niets aan doen dat het economisch zwaartepunt van de provincie in het KAN-gebied ligt?”

De eerste prioriteit van het KAN-bestuur gaat uit naar de vorming van een stadsprovincie-nieuwe-stijl. Omdat iets dergelijks niet haalbaar lijkt, geeft het bestuur er de voorkeur aan de huidige structuur voort te zetten. Jansen ziet niet in waarom het kabinet dat zou tegenhouden. “De conclusie kan naar mijn idee niet anders zijn dan dat het kabinet de ROL-fase verlengt. Laat dit toch gewoon doorgaan. Laten we alsjeblieft niet weer verzeild raken in een vage discussie over bestuurlijke reorganisatie.”

Mocht het kabinet onverhoopt besluiten het stedelijk knooppunt bij het 'grofvuil' te zetten, dan is er volgens Jansen voorlopig nog niet zoveel aan de hand. “Het duurt minstens vier jaar om de Kaderwet aan te passen. We kunnen dus nog een paar jaar door. Maar gezien alle ontwikkelingen denk ik dat er gekozen wordt voor handhaving van het KAN.”

    • André Ritsema