Zestig procent van de inwoners van Sarajevo lijdt aan oorlogstrauma

SARAJEVO, 23 SEPT. Darko (24), ex-soldaat in het Bosnische leger, tikt als hij zit onophoudelijk met zijn rechtervoet tegen de grond. Hij kijkt strak voor zich uit, barst om kleinigheden plotseling in lachen uit, staart dan weer ernstig in de verte.

Darko is een van de duizenden jongens die op hun 19de een geweer in handen kregen om Sarajevo te verdedigen. Slechts vijf van de 35 soldaten in zijn eenheid overleefden. Darko werd in zijn benen geschoten en moest een jaar lang revalideren om weer te kunnen lopen. “Het was normaal om te vechten”, zegt hij nu. “We moesten onze huizen verdedigen.”

Aan sommige momenten uit de oorlog denkt hij nog wel eens terug, aan de diefstal van wapens uit een opslagplaats van de Bosnische Serviërs bijvoorbeeld. “Het was zo mooi toen dat lukte”. Maar aan de andere dingen, aan hoe zijn vrienden voor zijn ogen werden doodgeschoten, denkt hij nooit. “Ik wil er niet aan denken, ik wil een normaal leven leiden. Ik wil uitgaan en op vakantie gaan naar zee.” Met zijn vrienden, die allemaal in het leger hebben gezeten, heeft hij het nooit over de oorlog. “We weten toch allemaal hoe het was. Het heeft geen zin om daarover te praten.”

Niemand in Sarajevo heeft het nog graag over de oorlog, zegt Rada Jusovic, een psychologe die onderwijzers opleidt in het omgaan met door de oorlog getraumatiseerde kinderen. “Vijf jaar lang gingen de gesprekken over niets anders, nu zegt men: het is voorbij, het is tijd voor een normaal leven. Maar de flashbacks zullen blijven terugkomen.”

Meer dan zestig procent van de 370.000 bewoners van Sarajevo lijdt aan een oorlogstrauma, schat dr. Zeljko Trograncic, psychiater in het Kosevo-ziekenhuis in Sarajevo. Tenminste eenderde daarvan heeft volgens hem behandeling nodig voor het zogeheten Post Traumatic Stress Disorder (PTSD), de na de oorlog in Vietnam bekend geworden psychische aandoening waarbij patiënten trauma's steeds herbeleven.

Maar er is onvoldoende geld en mankracht om de rond 60.000 zwaar getraumatiseerden in Sarajevo te behandelen. Met de 21 psychiaters in het Kosevo-ziekenhuis, die 1200 patiënten behandelen, inclusief de patiënten met psychische problemen die niets met de oorlog te maken hebben, is het onmogelijk om aan de grote vraag naar hulp te voldoen. Veel patiënten gaan naar reguliere artsen die medicijnen geven om symptomen als slapeloosheid te bestrijden, maar daarmee gaan de trauma's niet weg. Bovendien vraagt slechts een minderheid zelf om hulp. “De meesten blijven met hun trauma's rondlopen. Ik verwacht dat wij daar over tien jaar nog de gevolgen van zullen zien”, zegt Trograncic.

Omdat de levensomstandigheden in Sarajevo nog altijd slecht zijn en de meeste mensen werkloos zijn, geen geld hebben en soms geen huis, zijn de patiënten die wel worden behandeld bovendien moeilijk te genezen. Trograncic: “De armoede en het gebrek aan toekomstperspectief zorgen voor nieuwe frustraties die genezing moeilijk maken.”

Volgens Trograncic is het aantal zelfmoorden in Sarajevo sinds het einde van de oorlog ten opzichte van de vooroorlogse situatie verdubbeld en raken steeds meer mensen verslaafd aan alcohol en drugs. PTSD-patiënten vertonen symptomen van depressie, eenkennigheid en gebrek aan belangstelling voor de omgeving. “Ze raken in zichzelf gekeerd, zijn ontevreden over hun leven, zien alles zwart, maar hebben niet het gevoel dat ze zelf enige invloed kunnen uitoefenen om de situatie te veranderen.” Anderen vertonen agressief gedrag. Er zijn in veel huishoudens in Sarajevo nog wapens en het komt regelmatig tot incidenten.

Het Kosevo-ziekenhuis behandelt patiënten niet met de klassieke psychotherapeutische methode. Die is volgens Trograncic te arbeidsintensief en heeft op de korte termijn onvoldoende effect. Patiënten in het Kosevo-ziekenhuis worden behandeld met medicijnen tegen depressie en slapeloosheid en met individuele en groepstherapie waarbij zij over hun ervaringen vertellen. “Door te vertellen wat zij hebben meegemaakt, beseffen ze dat ze zwak zijn. Vervolgens kan de oorzaak voor het gebrek aan kracht worden achterhaald.” Maar hoe 'genees' je een vrouw die bij een granaataanval twee kinderen heeft verloren? Trograncic: “Ik kan de doden met therapie niet tot leven wekken, maar door je houding, je aanwezigheid, je woorden en je geduld kun je wel helpen. Elk vriendelijk praatje is in wezen een vorm van psychotherapie. De psychotherapie is niet uitgevonden door Freud, zij bestaat al sinds er mensen zijn.”

De wetenschappelijke psychiatrie is voor de meeste slachtoffers van de oorlog in Sarajevo niet de oplossing, zegt psychologe Jusovic. “In de meeste gevallen is het veel belangrijker dat veiligheid, begrip en bescherming worden geboden”. Buitenlandse collega's, die belangstelling tonen voor de traumagevallen in Sarajevo, begrijpen niets van de situatie, zegt Jusovic, die zelf meemaakte hoe haar vader werd gedood en haar moeder zwaar gewond raakte bij een granaataanval. “Ze komen hier twee of drie dagen, verbazen zich erover dat er nog steeds geen stromend water is, complimenteren ons met onze 'moed' en vertrekken weer om boeken te schrijven over 'het geval Sarajevo'. Ze begrijpen niet dat om de trauma's te begrijpen, je hier tijdens de oorlog geweest moet zijn, de omgangsvormen en de gebruiken moet kennen. Alleen dan kun je het vertrouwen winnen, alleen dan is men bereid om te praten.” Het bezoek van zo'n buitenlandse psychiater kost 6000 mark, zegt Jusovic. “Ik weet wel duizend manieren om dat geld beter te besteden. Aan thermoskannen voor kindercrèches bijvoorbeeld, zodat we de ouders die over hun kinderen komen praten een kop koffie kunnen inschenken.”

Twintig peuters zijn op peuterschool Kadifice in Dobrinja, een zwaar beschoten buitenwijk van Sarajevo, bezig met het dagelijkse onderdeel 'liedjes'. “Als je blij bent, stamp dan met je voeten, als je blij bent roep dan hoera”, zingen ze. De helft van de kinderen komt uit een gezin dat is gevlucht, velen hebben een of beide ouders verloren. Veel kinderen hebben last van bedplassen, kunnen moeilijk contact maken met anderen en hebben gebrek aan zelfvertrouwen vertelt Subhija Cehic, hoofd van de school. Vandaag tijdens de lunch, vertelt ze, zei een jongetje van vier plotseling tegen een klasgenootje: “Mijn vader is weg, hij heeft een geweer genomen en is niet meer teruggekomen.”

Ze laat een tekening zien die Amina (4), een meisje in een lichtgrijs trainingspakje, net heeft gemaakt. Ze is uit de Servische Republiek gevlucht en heeft haar vader verloren. Ze tekende een huis met een hartje ernaast en daaronder in een apart blok een zwart vlak. “Er komen geen personen voor op de tekening en het ene vlak is van het andere gescheiden. Door haar te vragen waarom dat zo is, kun je iets over haar trauma te weten komen.” Er is nauwelijks een wetenschappelijke methode voor het praten met kinderen, zegt Cehic. “Het belangrijkste is dat ze voelen dat ze je kunnen vertrouwen en dat je ze lief hebt.” Psychologe Jusovic: “Therapie is geen tovenarij. Door simpelweg aandacht te geven en warmte, kom je al een heel eind.”

Hoewel het hem als vakman verboden is, geeft psychiater Trograncic toe soms zelf emotioneel te worden van de verhalen die hij iedere dag te horen krijgt. De helpers hebben zelf ook hulp nodig, meent hij. De psychiaters die er zijn in Sarajevo - velen van hen hebben de stad tijdens de oorlog verlaten - zijn overwerkt, worden slecht betaald (250 mark per maand) en worstelen zelf ook met herinneringen aan de oorlog en het verlies van dierbaren. Ze voelen zich voor alles en iedereen verantwoordelijk en denken dat als zij niets doen, er geen oplossing komt. Trograncic wijst op een gat in de muur. “Toen die granaat insloeg was ik gelukkig net even niet op mijn kamer. Maar het ziekenhuis is voortdurend beschoten. Ik ben zelf ook gewond geraakt. Mijn assistente in de kamer naast mij is voor mijn ogen gedood door een granaat. Plotseling had ik een dode in mijn armen.”