Turkije en VS ruziën over Irak

ANKARA, 23 SEPT. Tussen de NAVO-bondgenoten Turkije en de VS is het afgelopen weekeinde een diplomatieke woordenstrijd ontbrand over de uitspraak in The New York Times van de Turkse minister van buitenlandse zaken, Tansu Çiller, dat Ankara de Iraakse president Saddam Hussein heeft gevraagd om zijn gezag over het de facto onafhankelijke Noord-Irak te herstellen. Bagdad zou dan in staat zijn de rebellen van de Koerdische Arbeiders Partij (PKK) uit de grensstreek te verwijderen.

Çiller, die in New York is voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN), ontkende gisteren in een schriftelijke verklaring dat “ze heeft gezegd dat Turkije Irak heeft gevraagd om troepen naar Noord-Irak te sturen”. Volgens Çiller geeft “Ankara er de voorkeur aan dat Barzani (de leider van de Koerdische Democratische Partij, de KDP) de terroristen in zijn regio elimineert. Ankara is bereid hem daarvoor de nodige hulp te verschaffen.”

In het vraaggesprek in The New York Times wordt Çiller evenwel als volgt geciteerd: “We zijn bereid om ons plan voor de instelling van een veilige zone in Noord-Irak op te geven als Saddam ertoe overgaat om de Turkse Koerden te verpletteren die een separatistische campagne tegen Ankara voeren vanuit kampen in Noord-Irak.” Ze voegde eraan toe dat Ankara hierover in gesprek is met Irak. “We hebben een delegatie naar Bagdad gestuurd met de vraag of het bewind daar in staat is haar gezag over Noord-Irak te herstellen. Zo ja, dan zou dat het einde betekenen van de infiltratie van terroristen vanuit Noord-Irak in Turkije. Zo niet, dan moeten we zelf maatregelen treffen.”

Ondanks de ontkenning van Çiller dat er sprake is van een ommezwaai in de Turkse politiek met betrekking tot (Noord-)Irak, bestaat er in politieke en diplomatieke kringen in de VS grote wrevel over de accenten die Çiller in het vraaggesprek legde. Hierdoor zou duidelijk zijn geworden dat de Amerikaanse en de Turkse belangen in deze regio verder uit elkaar liggen dan tijdens het bezoek vorige week van een Amerikaanse onderminister van buitenlandse zaken, Robert Pelletreau, aan Ankara was gebleken. CIA-directeur John Deutch had hier vorige week al op gewezen tijdens een hoorzitting in een Amerikaanse Senaatscommissie. Hij zei er toen van overtuigd te zijn dat “Turkije een verbintenis is aangegaan met Saddam”.

De VS sturen juist aan op nieuwe besprekingen tussen de twee rivaliserende Koerdische groeperingen in Noord-Irak, de KDP en de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK), opdat deze hun machtsstrijd staken en gezamenlijk verhinderen dat Bagdad de controle over de grotendeels door Koerden bewoonde Noord-Irak herstelt. Iraakse troepen hielpen de KDP op 31 augustus de stad Arbil te heroveren op de PUK. De PUK is nu bijna geheel uit Noord-Irak verdreven.

In de Turkse media wordt er vandaag niet aan getwijfeld dat The New York Times de woorden van Çiller, die wel vaker op een leugentje wordt betrapt, juist heeft geïnterpreteerd. De pers ziet het als de zoveelste bevestiging dat Çiller een weinig capabele minister van buitenlandse zaken en vice-premier is. De Engelstalige Turkish Daily News herinnert er in een fijnzinnig commentaar bovendien aan hoe Çiller eind vorig jaar de lidstaten van de Europese Unie (EU) voorhield dat ze er alles aan zou doen om het moslim-fundamentalisme in Turkije een halt toe te roepen, terwijl ze nu samen met de fundamentalistische Welvaartspartij in de regering zit.

Deze kwestie is bijzonder actueel na het bevriezen vorig week door het Europese parlement van de financiële hulp aan Turkije ter compensatie van de douane-unie tussen Ankara en Brussel wegens aanhoudende schendingen van de mensenrechten. De Europarlementariërs wijzen vooral naar Çiller, die ingrijpende democratische hervormingen in Turkije in het vooruitzicht had gesteld. Ze werd in Straatsburg zelfs bestempeld tot een “onbetrouwbare politicus”. In Turkije is met instemming op deze beschuldiging gereageerd. In grote delen van de samenleving wordt het haar nog steeds kwalijk genomen dat ze het landsbelang ondergeschikt heeft gemaakt aan haar eigen belang, toen ze uiteindelijk toch met de fundamentalisten in zee ging. Tegen Çiller lopen drie onderzoeken naar corruptie, die naar ze hoopt nu in de doofpot verdwijnen.