Ruggengraat

VAN DE 202 MILJARD gulden die de regering volgend jaar wil uitgeven is maar een gering deel voor cultuur bestemd: 2,4 miljard, iets meer dan een procent. Beperken we ons tot de kunsten, tot de musea en tot de bibliotheken en laten we de 1,5 miljard voor de media buiten beschouwing, dan komen we niet verder dan 913 miljoen, nog geen half procent van de rijksbegroting.

Veel geld is het niet, toch is juist over dit deel van de begroting meestal veel te doen. Over cultuurpolitiek woedt een voortdurend debat, waaraan ingewijden en buitenstaanders gretig meedoen. Ook de regering laat zich niet onbetuigd. Het hoort tot de traditie van onze parlementaire democratie dat op gezette tijden een minister of staatssecretaris een cultuurnota laat verschijnen waarin de uitgangspunten van het Nederlandse cultuurstelsel worden uiteengezet. De nieuwste aflevering in deze reeks is van de hand van staatssecretaris Nuis, wiens 'Pantser of ruggengraat. Cultuurnota 1997-2000' met Prinsjesdag is verschenen.

In de uitgangspunten van het cultuurbeleid is een ontwikkeling te bespeuren. In de jaren vijftig meende de politieke elite dat kunst en cultuur probate middelen waren om het volk op te voeden tot hogere doelen. In de jaren zestig en zeventig kwam kunst binnen de sferen van de toen breed aangehangen welzijnsideologie. Sinds de jaren tachtig zijn de pretenties van het cultuurbeleid tegelijk bescheidener en grootser geworden. Bescheidener, omdat het denkbeeld dat kunst een instrument is om de heilstaat dichterbij te brengen geleidelijk werd losgelaten. Grootser, omdat vanaf toen aan kunst een 'zelfrechtvaardigende' kracht werd toegekend. Kunst was goed in zichzelf, en de bereidheid van de overheid om de kunst te steunen kon voortaan met drie betrekkelijk heldere argumenten worden verdedigd.

Het eerste is dat sommige kunst onmogelijk van de markt kan bestaan. Voor de meeste symfonie-orkesten, toneel- en balletgezelschappen, en ook voor het grootste deel van de musea geldt dat zonder de steun van de staat een reële prijs van het entreekaartje niet mogelijk is. Het tweede argument is dat kunstenaars en culturele gezelschappen enige tijd nodig hebben om te groeien en zich te ontwikkelen. Voordat hun werk klaar is, moeten kunstenaars zoeken, ploeteren en experimenteren. Vandaar onderwijssubsidies, startstipendia en werkbeurzen. Het derde argument is dat mensen gestimuleerd moeten worden met kunst kennis te maken. Het aanbod van de cultuurindustrie is verleidelijk en de gevraagde inspanningen zijn geringer. Daarom is het zinvol kunsttempels laagdrempelig te houden en bijvoorbeeld jonge mensen in het onderwijs met kunst en cultuur in aanraking te brengen, in de hoop dat er een vonk overspringt.

DAT ZIJN STUK voor stuk goede argumenten voor het besteden van een bescheiden deel van de belastingopbrengst aan kunst en cultuur. Ze zijn ook in de nota van Nuis terug te vinden. Maar Nuis stopt daar niet. Min of meer in de geest van de jaren zeventig achtte hij het nodig zijn cultuurbeleid te voorzien van een ideologisch fundament: de pantser- of ruggengraat-these. Nuis bedoelt dat cultuur mensen een culturele identiteit kan verschaffen die hen weerbaar maakt, 'ruggengraat geeft'. Dat staat tegenover een veronderstelde andere werking van cultuur: de culturele afscherming, het pantser. Die afscherming heeft een zekere actualiteit gekregen met de komst van nieuwe minderheidsgroepen. Zowel bij hen als bij de meerderheid bestaat het gevaar van culturele afsluiting, meent Nuis.

Daarin heeft de staatssecretaris ongetwijfeld gelijk. Maar het is een illusie te denken dat het kunst- en cultuurbeleid een bijdrage kan leveren aan de oplossing van deze kwesties. Culturele afscherming en afsluiting zijn bewegingen die hun oorzaak vinden in dieperliggende factoren: ze zijn het produkt van historische omstandigheden en economische krachten. Daar liggen de aangrijpingspunten voor beleid. Wie het kunst- en cultuurbeleid opzadelt met doelstellingen die op deze kwesties zijn toegesneden schept verwachtingen die niet in vervulling kunnen gaan en laadt de verdenking op zich gratis te willen winkelen in de supermarkt van de nobele doelen.