Partij van de Afgunst

Twee keer in één week. Eerst bij het voorstel van de VVD om nu eindelijk het toptarief in de inkomstenbelasting af te schaffen zodat niemand méér dan de helft van een salarisverhoging weer meteen kan afdragen aan de belastingdienst. PvdA-fractievoorzitter Wallage: “De PvdA wil niet doorregeren met de VVD als die in de volgende kabinetsperiode het hoogste belastingtarief wil verlagen.”

En fractielid Van der Ploeg (die steeds krampachtiger afwijkt van zijn vroegere opvattingen als economie-hoogleraar): “De VVD stelt zich alleen nog maar op als belangenbehartiger van de miljonairs en de fiscale trapezewerkers.” En toen ook nog op een heel ander terrein minister De Boer van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in de Volkskrant van vorige week woensdag: “Ik erger me aan bouwplannen van 20 of 25 huizen per hectare. Grote woningen op kleine kavels, dat moet de toekomst zijn. Wijken waar zuiniger met energie wordt omgegaan.” Vertel het zo maar aan je kinderen: als je op school goed je best doet en hard werkt, mag je misschien 60 procent belasting betalen en heel dicht bovenop de buren wonen. Zo wil het de Partij van de Afgunst. Maar genoeg boosheid en teleurstelling, nu de objectieve analyse. Eerst wat betreft de belastingen.

Nederland is op dit moment een buitenbeentje in de inkomstenbelasting. Ons toptarief van 60 procent is het hoogst van alle vijftien Westerse landen in een analyse van Coopers & Lybrand uit 1995. In Duitsland is het toptarief nu al lager dan bij ons en de plannen van bondskanselier Kohl om het toptarief te verlagen tot ongeveer 40 procent ontvangen steun van invloedrijke stemmen in de oppositionele SPD, onder wie de vorige partijleider Rudolf Scharping. In Frankrijk stelt premier Juppé voor om het toptarief te verlagen van 56,8 procent naar 47 procent. Ook Zweden heeft het toptarief al verlaagd; alleen Nederland steekt uit met 60 procent.

Jammer dat de PvdA nog niet het verband ziet tussen het toptarief in de inkomstenbelasting en de zorg om kapitaalvlucht naar België. Immers, de belangrijkste drijfveer achter de fiscale constructies voor particulieren is het veel te grote verschil tussen enerzijds het toptarief in de inkomstenbelasting en anderzijds het tarief van de vennootschapsbelasting. Dat moedigt mensen aan om hun inkomen te organiseren op zo'n manier dat er van iedere extra gulden niet slechts 40 cent overblijft (na aftrek van de inkomstenbelasting), maar ten minste 65 cent (na de winstbelasting). Daarom is het beste recept om de fiscale trapezewerkers weer met twee voeten op de grond te krijgen, een meerjarenplan om de tarieven in de inkomstenbelasting zo min mogelijk te laten verschillen van het tarief in de winstbelasting.

Daarbij komen nog twee andere argumenten. Ten eerste is het afschaffen van het toptarief helemaal niet duur: volgens het Centraal Planbureau zou het ongeveer anderhalf miljard gulden kosten, en dat is bij heel voorzichtige veronderstellingen over de zogenaamde inverdieneffecten. Ten slotte is het niet wijs wanneer Nederland zo evident een uitzondering blijft op een algemene Europese trend. In een grote internationale enquête van The Global Competitiveness Report 1996 naar allerlei zaken die belangrijk zijn bij de keuze van een land bij investeringsbeslissingen, scoorde Nederland niet best wat betreft de belastingen. Bij de vier vragen daarover stond Nederland respectievelijk op de plaatsen 37, 47, 29 en 45 en dat trekt onze positie in de uiteindelijke rangorde van de 49 onderzochte landen lelijk naar beneden.

Dat kan niet goed zijn voor de glans van ons land als locatie voor buitenlandse bedrijven. Dan is het toch prudent beleid om niet te veel af te wijken van de omringende landen en ten minste ons toptarief zo snel mogelijk af te schaffen, zodat niemand meer dan 50 procent van een salarisverhoging hoeft af te dragen. De PvdA van Suurhoff kon daarmee leven (ons toptarief was tot in de jaren zeventig lager dan 50 procent), waarom dan niet de PvdA van Kok en Wallage?

Ook wat betreft de kavelgrootte in de woningbouw is Nederland een uitzondering. Onderzoek in het NYFER-rapport 'Het Groene Hart,...dat klopt niet!' laat zien dat in andere landen de kavels in de woningbouw gelijke tred houden met de stijgende welvaart en dus in de loop van de tijd iets groter worden. Uitsluitend in Nederland wordt de laatste jaren gebouwd op steeds kleinere kavels. Zo wil bijvoorbeeld de invloedrijke PvdA-volkshuisvestingsspecialist Duivesteijn het. Toen ik onlangs met hem mocht debatteren over dit onderwerp verklaarde Duivesteijn: “Hoe dichter mensen op elkaar wonen, hoe meer onderling begrip ze ontwikkelen.” Een opmerkelijke sociologische stelling, nu aangevuld door de visie van minister De Boer dat mensen die dicht op elkaar wonen ook profiteren van elkaars nestwarmte.

Gaf minister De Boer maar minder toe aan de hebzucht van de grote steden die steeds méér inwoners willen, óf door opgepropt te bouwen binnen de gemeentegrens óf door annexatie van Vleuten of Wateringen. Zo is al 800 miljoen gulden verspild bij Utrecht, uitsluitend omdat Utrecht naar het zuiden moeilijk Nieuwegein kan annexeren, maar naar het westen wel Vleuten kan opslokken. Straks gaat Amsterdam 18.000 huizen bouwen in het IJ-meer, want die tellen mee voor Amsterdams uitkering uit het gemeentefonds, terwijl de grond in Diemen klaar ligt en tien keer zo goedkoop is. Zo moet ook Zoetermeer meebetalen aan dure plannen in Wateringen, opdat Den Haag met meer geannexeerde inwoners een breder draagvlak heeft voor het grote nieuwe stadhuis.

In de volle provincie Zuid-Holland moet op dit moment elke hectare grasland ruimte bieden aan 3,1 koeien. Maar minister De Boer vindt het ongepast wanneer 60-75 mensen gezamenlijk in hun 25 woningen ook één hectare willen bewonen. De gemiddelde koe heeft twintig keer zoveel ruimte ter beschikking als de gemiddelde inwoner, maar voor minister De Boer is dat nog niet genoeg. Is dit niet grote-stedenbeleid ad absurdum? Ik ben ook vóór de bloei van de grote steden, maar waarom moeten die zonodig almaar meer inwoners annexeren in steeds dichter op elkaar gebouwde huisjes?

Zijn er in Europa geen juwelen van steden die een maat kleiner zijn dan Amsterdam, Den Haag of Rotterdam? En hoe kunnen met name Den Haag en Rotterdam een evenwichtiger samenstelling van de bevolking krijgen als die steden doorgaan met het bouwen van vreselijk dure en op elkaar gepropte huizen, zodat gezinnen met kinderen toch liever uitwijken naar Zoetermeer of Waddinxveen? Misschien is het grote-stedenbeleid wel toe aan een grondige herbezinning, waarna het niet langer gaat om het totaal aantal inwoners, maar om de kwaliteit van de stedelijke omgeving. Bij Zoetermeer, in Rijnswoude en ook ten zuiden van Utrecht is nog voldoende ruimte om te bouwen met de fraaie en groenrijke dichtheid van 20-25 woningen per hectare. Dan blijft het nog steeds mogelijk om alle landschappelijk waardevolle delen van het Groene Hart te vrijwaren als natuurgebied. Dat wordt zelfs makkelijker omdat Nederland zoveel miljarden uitspaart door te bouwen op meer voor de hand liggende locaties, dat vanzelf geld beschikbaar komt om het hele Utrechtse en Hollandse plassengebied definitief te vrijwaren voor commerciële ontwikkeling.

Maar dat vereist een wat genuanceerder kijk op het Groene Hart dan De Boer op dit moment politiek acceptabel acht. Ooit stond PvdA voor Partij van de Arbeid. Aan die historische missie valt nog genoeg te doen, zeker nu tal van tegenstanders stemming maken tegen het actieve arbeidsmarktbeleid van minister Melkert. Laten fractievoorzitter Wallage en minister De Boer daarom liever trouw blijven aan de echte naam van hun partij dan toe te geven aan gemakkelijke gevoelens van afgunst.