Over kinderen

Granta 55: Children. Prijs ƒ 26,55.

Een van de beste boeken die de afgelopen jaren over vaders en zonen is geschreven, is waarschijnlijk And when did you last see your father van Blake Morrison. Het boek verscheen in 1993 en in diezelfde tijd beschreef ook een aantal Nederlandse auteurs de verhouding tussen zichzelf en hun (overleden) ouders. Zo publiceerde Nicolaas Matsier Gesloten huis, schreef Adriaan van Dis Indische duinen, en betreurde A.F.Th. van der Heijden zijn vader in Asbestemming. Morrisons werk onderscheidde zich echter van deze romans door zijn eerlijkheid - niet voor niets was het woordje roman nergens op zijn boek te bekennen. Haarfijn analyseerde Morrison de relatie tussen hem en zijn vader, een arts die een bordje met de spreuk 'Ik heb misschien geen gelijk, maar ik heb nooit ongelijk' aan zijn muur had hangen en die altijd voor een dubbeltje op de eerste rij probeerde te zitten. Morrison spaarde noch zijn vader, noch zichzelf. Als lezer las je de beschrijvingen van zijn jeugd af en toe met het schaamrood op je kaken.

In de nieuwe aflevering van Granta, die 'kinderen' tot onderwerp heeft, staat een nieuw verhaal van Blake Morrison. Daarin heeft hij de rollen omgedraaid: hij beschrijft zijn eigen vaderschap. En opnieuw raakt hij een (zeker op dit moment) gevoelige snaar: hij stelt de vraag hoe lichamelijk hij mag worden met zijn dochtertje en koppelt er een jeugdherinnering over 'doktertje spelen' aan.

'Doctors and Nurses' van Morrison is een van de beste stukken in deze Granta, een themanummer waaruit duidelijk blijkt dat 'kinderen' een van die thema's is die eigenlijk niet werken. Het heeft hetzelfde probleem als 'poezen' of 'voetbal', onderwerpen die vragen om betrokkenheid, zowel van de schrijver als lezer, juist omdat ze allebei wel weten dat alles over het onderwerp al zo'n beetje is gezegd. Bij 'kinderen' is dit gevoel wel heel sterk, juist omdat iedere nieuwe ouder altijd het gevoel heeft iets unieks mee te maken: de vertedering over de eerste geelbruine poepluier, de eerste kreetjes, de melk die 'spontaan' uit de borsten komt lopen: de lezer heeft het al honderd keer gelezen, bij schrijvers die net zo verbaasd waren als de nieuwste ouder-schrijver.

Zelfs Granta, dat toch een reputatie heeft op te houden waar het originele invalshoeken betreft, weet niet aan deze val te ontkomen. Weemakend is bijvoorbeeld het verhaal 'Mother care' van de Amerikaanse schrijfster Jayne Anne Philips, van wie vorig jaar de veelgeprezen roman Shelter in vertaling verscheen. Philips beschrijft de eerste dagen van een jonge progressieve Amerikaanse moeder, die haar bed niet uit kan. Aanvankelijk is het verhaal om die laatste reden nog schrijnend: veel pijn, veel verzachtend ijs en weinig moedergeluk. Maar dan komt een medewerkster van hulpbureau Mother Care het leed van de vrouw verzachten en volgen pagina's geneuzel over verse bloemen in de winter, het eten van natuurvoedsel (No additives, no preservatives, no meat with hormones), new-age massages en een reis naar India, die het cliché van de yuppie nergens overstijgen.

Dan liever 'The Case against Babies' van de Amerikaanse schrijfster Joy Williams. Haar invalshoek (de schrijfster heeft de pest aan kinderen), is in dit nummer even obligaat als die van Philips, maar Williams verwoordt haar afkeer zo geestig dat je het stuk met plezier uitleest:. “Babies, babies, babies, er is een plaag van babies. Te veel konijnen of olifanten of mustangs of zwanen leidt tot myxomatose, geweren, sterilisatiedrugs (-) of eierknijpers. Andere soorten kunnen 'het milieu schaden', 'hun omgeving schade toebrengen' of botsen met hun menselijke 'buren', maar menselijke baby's zijn altijd welkom aan het banket des levens. Welkom, welkom, welkom - Leef Lang en Consumeert!”

Verder in deze Granta onder andere bijdragen van Adam Mars-Jones (over zijn moeder), Allan Gurganus (over zijn 'coming-out') en foto-portretten van Judith Joy Ross, die vrolijk meedeint op de golf van fotografen die het maken van portretten tot kunst hebben verheven, zonder dat erg duidelijk is op welke gronden ze die artistieke pretenties koesteren.

De allermooiste bijdrage aan dit Children-nummer is echter een anderhalve pagina-lang verhaal van toneelschrijver David Mamet. Hij beschrijft een man op een luchthaven die kijkt naar een kind dat 'lastig' is. Het schudt ongecontroleerd heen en weer en is door de moeder nauwelijks in bedwang te houden. Als de moeder even weg is, stelt de man zich voor dat hij naar de jongen toe zal gaan en zich bekend zal maken als zijn beschermengel, een eeuwige beschermengel, die altijd over hem zal waken.

Met die minieme overpeinzing weet Mamet prachtig samen te vatten wat iedere ouder wel voor zijn kind zou willen: een goddelijke bescherming afroepen, die garandeert dat het kind nooit door kwaad zal worden getroffen. Ook bij Mamet blijkt dit weer onmogelijk, maar zijn poging is zeer de moeite waard.