In Grozny heerst nu de wet van de islam

GROZNY, 23 SEPT. Hasan Gelajev is de eerste om toe te geven dat hij, zoals meer mannen in Rusland, een alcoholprobleem heeft. Maar hij kan er niet over uit dat hij vorige week wegens openbare dronkenschap een straf van twintig stokslagen kreeg.

“De schoften”, zegt hij verontwaardigd, en alweer dronken. Gelajev moet er nog erg aan wennen dat hij niet langer woont in Grozny, een Russische provinciestad, maar in Grozny, hoofdstad van de Tsjetsjeense Republiek Itsjkeria. En in die republiek geldt sinds kort de wet van de islam.

De dronkaard kwam er nog genadig van af. Op overspel staat een straf van honderd stokslagen, op diefstal het afhakken van de rechterhand en op homoseksualiteit, als geseling niet helpt, zelfs de doodstraf. Die wordt in Tsjetsjenië voltrokken “ofwel door het afhakken van het hoofd, ofwel door steniging, ofwel op de wijze waarop de misdadiger het leven nam van zijn slachtoffer”. Het staat allemaal in het Wetboek van strafrecht zoals dat op dit moment deel voor deel wordt gepubliceerd in de officiële krant van de regering van rebellenleider Zelimchan Jandarbijev.

De nieuwe regels, die volgens het wetboek in de plaats komen van de bestaande Russische, zijn gebaseerd op de sjaria, het islamitisch recht. Er zijn nog slechts enkele islamitische landen waar de door de koran voorgeschreven lijfstraffen daadwerkelijk worden uitgevoerd, en Tsjetsjenië is er tegenwoordig één van. Want hoewel het nieuwe Tsjetsjeense wetboek van strafrecht officieel nog niet van kracht is - dat wordt het een maand na publicatie - wordt het wel al toegepast, bij gebrek aan rechtshandhavende instanties zelfs door iedereen die zich ertoe geroepen voelt, inclusief bewapende jochies van twaalf.

Dat is de nieuwe orde in Tsjetsjenië sinds de Russische generaal b.d. Aleksandr Lebed drie weken geleden met de separatisten een bestand sloot. Op grond van het bestandsakkoord zijn de vijandelijkheden beëindigd, is een beslissing over de kwestie van de status van de deelrepubliek vijf jaar uitgesteld en bewaren Russische militairen en rebellen samen de openbare orde. In de praktijk handelen de rebellen alsof zij hun onafhankelijkheidsoorlog hebben gewonnen. Overal wappert de groene vlag van de Tsjetsjeense Republiek Itsjkeria, zoals zij het gebied voluit bij zijn historische naam noemen. En zij voeren naar eigen goeddunken Allahs voorschriften in.

Alcoholist Gelajev had vorige week minutenlang midden op de weg gestaan, waardoor hij het verkeer blokkeerde. Hij was zo dronken dat hij zich ondanks het woedende getoeter eenvoudig niet meer kon bewegen. Helaas voor Hasan kwam juist op dat moment een van de gemengd Russisch-Tsjetsjeense eenheden langs die sinds het vredesakkoord van 31 augustus door de stad patrouilleren.

“Ze besloten dat ik zo dronken was dat een rechtszitting niet nodig was. Dus werd ik over de motorkap van een auto gelegd. Twintig stokslagen kreeg ik toegediend. En die Russen stonden er gewoon maar bij te kijken.”

Gelajev was vroeger een redelijk succesvol handelaar. Hij begon te drinken in januari 1995, toen de Russen Grozny bestormden en hij wekenlang in een schuilkelder zat.

Pagina 5: In Grozny maakt de islam nu de dienst uit

Het werd er niet beter op toen vorige maand de rebellen de stad heroverden en zijn woning in de vuurlinie kwam. Nu woont hij in een bouwval en slaapt hij op honderden rollen wc-papier, de enige handelswaar die hij nog heeft.

Het nieuwe regime in Grozny is ook zichtbaar op de markt, een verzameling uit planken, kartonnen dozen en camouflagenetten opgetrokken kraampjes in wat vroeger het centrum van de stad was. Het is waarschijnlijk de enige markt in Rusland waar geen wodka te koop is. “Stokslagen”, antwoordt een koopvrouw op de vraag waarom ze zelfs geen bier heeft. 'Als mens' zegt ze het verbod op alcohol te steunen, maar als zakenvrouw heeft ze haar twijfels. “Limonade loopt lang zo goed niet.” En nadat ze goed om zich heen heeft gekeken voegt ze toe dat ze morgen eventueel wel wodka kan leveren.

De reden waarom ze om zich heen keek is een jongen van een jaar of achttien in het universele uniform van de guerrillastrijder: trainingsbroek, spijkerjack en kalasjnikov. Naast hem staat zijn jongere broer, een mannetje van nog geen dertien. Samen handhaven zij hier de orde, zeggen ze. De jongste regelt het verkeer met behulp van een ijzeren staaf. Trekken auto's naar zijn smaak te langzaam op, dan geeft hij een ferme klap op de motorkap. Waarbij hij wel eerst kijkt of de inzittenden niet zwaarder zijn bewapend dan hij. Wie protesteert scheldt hij de huid vol. Als dat niet helpt, haalt hij zijn broer erbij.

Behalve dit soort vrijwillige 'ordebewaarders' surveilleren op de markt ook de 'gezamenlijke patrouilles' die Kremlin-onderhandelaar Aleksandr Lebed en de rebellencommandant Aslan Maschadov hebben bedacht. Als politiemacht hebben ze een eigenaardige wijze van functioneren. Zij groeten iedereen die gewapend is, zoals de twee broertjes, als oude bekenden. Ze voeren al hun gesprekken met de bevolking in het Tsjetsjeens, zodat de Russische leden van een patrouille er voor spek en bonen bijlopen. En verder hoeft er maar een bruidspaar voorbij te komen of de Tsjetsjeense surveillanten schieten enthousiast in de lucht.

Ali Sagajev leidt een patrouille van vijf man, onder wie drie Russen. Hoewel hij pas 24 is heeft hij naar eigen zeggen alle 22 maanden van de oorlog meegevochten. Op grond waarvan beslist Sagajev wat wel en wat niet mag in de straten van Grozny? “De sharia, de strafwet, algemene normen en waarden en mijn levenservaring”, zo somt hij na enig nadenken op. De vraag moest wel twee keer worden gesteld voordat hij hem begreep.

Dmitri Sokolov is één van de drie Russische soldaten die achter Sagejev aan sjokken. Hij komt uit St. Petersburg, heeft het afgelopen half jaar in Tsjetsjenië geen gevechtservaring opgedaan en wil dat graag zo houden. Hoe is het om onder een Tsjetsjeen te dienen en Tsjetsjeense regels te handhaven? “We zijn hierheen gestuurd om de orde te herstellen. Als dit daarvoor nodig is, dan moet het maar. Hun land, hun wet, zou ik zeggen.” Hijzelf gebruikt zijn patrouille over de markt vooral om te zoeken naar een scheerapparaat.

Grozny is een verwoeste stad, maar tussen de ruïnes wonen alweer duizenden mensen. Vrouwen zijn begonnen de straten schoon te vegen, kinderen crossen op fietsjes over de bergen puin. Er rijden weer genoeg auto's om verkeersopstoppingen te veroorzaken. Soms met de raampjes een stukje open, anders past de kalasjnikov er niet in. In de meertonige claxons - populair in heel Rusland - zijn de eerste tonen van de filmuziek van The Godfather te herkennen. Russische soldaten, voorzover ze niet al zijn teruggetrokken, laten zich nauwelijks zien.

Het bestuur over deze samenleving is door Lebed en Maschadov in handen gelegd van een 'gezamenlijk opperbevel' van Russische officieren en rebellenleiders. Het heeft zich gevestigd in de catacomben van het Dinamo-stadion, één van de weinige nog bruikbare gebouwen. Omdat de Russische legerleiding zich nauwelijks buiten de eigen bases begeeft, de officiële pro-Russische Tsjetsjeense regering zich in Moskou bevindt en de rebellenleiders zich op steeds wisselende plaatsen ophouden, is het Dinamo-stadion nu het nieuwe bestuurscentrum van Grozny.

Kolonel Aslambek Abdoelchadzjiev, één van de bedenkers van de geruchtmakende gijzeling in Boedjonnovsk, 'Held van Itsjkeria' en nu vice-commandant van Grozny, zit bij de poort van het stadion achter een tienerburootje. Hij bestuurt de stad. Dat wil zeggen: terwijl Abdoelchadjiev tevergeefs zoekt waar hij zijn knieën kwijt kan, vormt zich voor het burootje een rij van tientallen mensen met verzoeken en klachten.

Er zijn vluchtelingen die bij terugkeer onbekenden in de resten van hun huizen hebben aangetroffen. Er zijn mensen die werk zoeken. Er is een onderwijzeres die zegt dat ze niet over leermateriaal beschikt, terwijl de benodigde leerboekjes wel op de markt te koop liggen. Iedereen zwaait met documenten die absolute voorrang behoeven. Abdoelchadzjiev leest, zet handtekeningen, geeft orders. De onderwijzeres krijgt toegezegd dat een patrouille op de markt de boekjes zal controleren en desnoods in beslag zal nemen.

Zo gaat het elke morgen en een betere manier om het stadsbestuur te organiseren weten de militairen vooralsnog niet. Na een schriftelijke oproep - een briefje op de poort - hebben zich vandaag wel tientallen ambtenaren van het afgebrande ministerie van Binnenlandse Zaken gemeld in het Dinamo-stadion. Een man die door de rebellen als minister is aangewezen, inventariseert op welke afdeling iedereen heeft gewerkt. “Ik verzoek u zich beschikbaar te houden. Zodra we een plek hebben om aan het werk te gaan, doe ik een beroep op u”, zegt hij in een toespraakje. “Het zal nog even duren.”

Daarmee wordt één reden duidelijk waarom de rebellen islamitische wetten hebben ingevoerd: “We hebben nog geen rechters, geen openbare aanklagers, geen politie”, zegt Abdoelchadzjiev. “Maar wij moeten wel de orde handhaven.”

De kolonel is trots op wat hij in een paar weken heeft bereikt. “Negentig procent van de misdaden in Rusland heeft te maken met alcoholmisbruik. Daar hebben wij met behulp van de sharia een eind aan gemaakt. Onze misdaadcijfers zijn nu lager dan in welke stad dan ook.” Hij licht niet toe waar hij dat percentage vandaan heeft of over welke cijfers hij beschikt.

Klachten uit Moskou over de invoer van het islamitisch recht wimpelt Abdoelchadjiev weg. “De Russen hier zijn het met mij eens. Ze drinken nu zelf ook niet meer.” Dat Lebed en Maschadov vorige week zouden hebben afgesproken dat met het oog op de mensenrechten de toepassing van de sharia wordt opgeschort, maakt evenmin indruk. “Wat mensenrechten? Als een vader zijn zoon niet meer mag slaan, hoe kan hij hem dan opvoeden?” Wel is volgens hem om de Russen tegemoet te komen voorlopig gestopt met het afhakken van hoofden.

Het is onduidelijk of er meer redenen zijn dan de ordehandhaving voor het teruggrijpen naar het islamitisch recht. In de eerste jaren nadat Dzochar Doedajev in 1991 de onafhankelijkheid had uitgeroepen, werd weinig gesproken over Tsjetsjenië als fundamentalistische moslim-staat. Misschien dat de oorlog en het leed dat daarmee gepaard ging de behoefte aan Allah heeft verhevigd. Misschien dat commandanten er een middel in hebben gezien om onderling rivaliserende strijdersgroepen te bundelen. Of een manier om hun macht te legitimeren. Iedereen zegt wat anders.

De reacties op de nieuwe orde lopen uiteen. Het verbod op alcohol en de strenge straffen voor diefstal worden algemeen toegejuicht in een stad waar wapens makkelijker te krijgen zijn dan verse groenten. De meeste mensen lijken alles goed te vinden wat bijdraagt aan herstel van de rust. Voorzover er oppositie is, houdt die zich gedeisd. Dat doet bijvoorbeeld Ali, een bouwondernemer van middelbare leeftijd die zo bang is voor het nieuwe regime dat hij zijn achternaam niet geeft.

Ali werkt al sinds 1991 aan de bouw van een moskee, betaald uit giften van de bevolking en door Turkije. Dat bij het rebellenoffensief van vorige maand een sluipschutter zich in de minaret nestelde - wat het einde betekende van zowel sluipschutter als minaret - vond hij niet het ergste. Dat kwam pas toen de rebellen de stad weer in handen hadden. Een groepje jongens met machinegeweren vorderde zijn vrachtauto en nam tevens de collectebus mee die bij de ingang van het bouwterrein stond.

“Hoe kunnen deze mensen de wet van de islam handhaven als ze zelf stelen van de moskee?”, zegt Ali. “Dit is geen islam, dit is banditisme. Als de sharia echt zou worden ingevoerd, moeten we meteen negentig procent van de strijders onthoofden wegens overtreding ervan.”

Twijfel noch woede zijn echter te bespeuren op het Islamitische Instituut Alchadji Nazvoecha in Koertsjenoj, een dorp op 50 kilometer ten zuidoosten van Grozny. Alchadzji Nazvoecha is een succesvol zakenman die een deel van zijn vermogen heeft bestemd voor de bouw van een moskee en een islamitische school. Hij heeft de beste islam-kenner uit het dorp, een vrachtwagenchauffeur wiens vader hem liefde voor de koran had bijgebracht, vier jaar geleden naar Oezbekistan gestuurd om zich te laten bijscholen. De chauffeur, Achmed Achatov, is nu terug en leidt een school met vierhonderd leerlingen.

,De sharia is al hier vijf eeuwen. Hij is nooit weggeweest, alleen maar onderdrukt'', zegt Achatov. Hij wijst op de verovering van de Kaukasus door de Russisch-orthodoxe tsaren en het opgelegde atheïsme van de Sovjet-Unie. Dat intermezzo is nu voorbij. Zijn leerlingen bestuderen de koran niet alleen, zij vertalen hem ook in het Tsjetsjeens. En bovenal vertellen zij hem door. Russisch, dat spreken zij allang niet meer.