Het nieuwe leven van Slavko

De 51-jarige Slavko heeft het biggetje dat ik hier twee dagen geleden rond zag lopen, inmiddels gebraden en in grove, vuistgrote stukken gehakt. Zo - onherkenbaar, op de pootjes na - ligt het op de schaal die hij op tafel zet. Natuurlijk krijg ik, de gast uit Nederland, als eerste drie, vier stukken opgediend. Wachten tot alle gasten een paar stukken big op hun bord hebben, is niet de bedoeling.

Pa jedi Kees, jedi! Ik moet eten - en ik doe dat graag, want ik heb honger en het vlees ziet er goed uit.

De vijftien gasten aan de lange tafel hebben inmiddels ook en kluiven de botten gretig af. Gasten uit Nederland hebben de meesten hier in Doboj - in het Servische gedeelte van Bosnië - al ruim viereneenhalf jaar niet meer gezien, en om te laten blijken hoezeer ze mijn komst - deze zomer - waarderen, en hoe welkom ik ben, heffen ze om de big het glas. De Servokroatische toast - zivlji - is niet van de lucht.

Het brengt mij ietwat in verlegenheid. Grote hoeveelheden domacka rakija - pruimenjenever op het erf gestookt - bekomen mij slecht. Maar het is in Bosnië niet mogelijk te verhinderen dat na een toast je glas wordt bijgevuld. Als alle Bosniërs in de rol van gastheer, kan Slavko een leeg glas niet verdragen. Het enige wat ik kan doen is wat van de rakija te nippen en de half verwonderde, half teleurgestelde blikken van Slavko - de fles nodeloos in de aanslag - maar op de koop toe nemen. Het zou hem een eer zijn mijn glas duizend keer te vullen, en hij zou het al die keren met liefde doen. Ik weet het, ik doe hem tekort.

Aanleiding voor dit feest is de eerste verjaardag van Zoran, de jongste kleinzoon van Slavko, het eerste kind van zijn negentienjarige dochter die, met man en zoon, bij hem en zijn vrouw inwoont. Verjaardagen van kinderen zijn belangrijk in Bosnië en voor de eenjarige komen de ooms, tantes, neven en nichten dan ook opdraven - iedereen die maar enigszins in de buurt woont. Het eten aan de lange tafel geschiedt in twee ploegen - en voor allemaal is er genoeg van de speciaal voor deze gelegenheid aangeschafte big.

Ik ben meegekomen met de broer van Slavko, Pero. De broers zijn Bosnische Serviërs en woonden voor de oorlog in Zenica - altijd al, maar nu nog meer dan vroeger een stad gedomineerd door moslims. Pero vluchtte vier jaar geleden met zijn gezin naar Nederland; Slavko vluchtte twee jaar later, halverwege de oorlog, naar Doboj, in wat in Bosnië de Serbska zona genoemd wordt.

Slavko, monteur, bezat in Zenica de best uitgeruste garage. Die garage en zijn huis ruilde hij voor een huis met een flink stuk grond erbij, aan de rand van Doboj. Zijn zoon Darko - in Zenica zijn werknemer - vluchtte ook naar Duboj en woont met vrouw en kind in het centrum van de stad. Daar opende Darko onlangs een garage, die erg bescheiden aandoet. Af en toe helpt Slavko zijn zoon nog, maar voor het grootste deel van de tijd is hij, sinds hij in Doboj woont, boer.

Op zijn erf ligt een waakhond aan een ketting, loopt een biggetje rond, staat een ren met kippen en kuikens, die op hem af komen hollen als hij ze roept, en luieren twee varkens in een klein hok. Slavko heeft er - twee dagen voor het feest - plezier in mij over het erf te leiden, en dit alles te tonen. Om leven in de luie varkens te wekken, gooit hij een kan voedsel in de trog, een mengsel van verschillende soorten schillen, melk, granen en eieren, dat afschuwelijk stinkt, maar de varkens komen haastig overeind en slobberen het mengsel knorrend op. Via een paadje, dat langs veldjes tomaten, maïs, pompoenen en gele paprika's voert, alles door Slavko verbouwd, bereiken we de plek waar Ana staat te grazen. Slavko wijst mij op haar buik: Ana is hoogzwanger. “Dus straks heb je twee koeien!” zeg ik enthousiast. Slavko lacht maar schudt zijn hoofd. Hij zal het kalfje slachten.

De omgeving van het huis is landelijk. Voor het huis loopt een klein weggetje waarlangs nog een paar huizen staan. Achter ons strekken weilanden, heuvels, bossen zich uit. De huizen zelf vertonen kogelgaten. Een tijd lang, legt Slavko mij uit, is hier een moslim-Servisch front geweest. Een twintigjarige nicht heeft in die tijd haar linkerbeen verloren - een verdwaalde granaat. Twee dagen later zal de nicht ook op Zorans feestje komen, voor het eerst met een kunstbeen.

Het dringt tijdens de rondleiding maar langzaam tot me door hoezeer het leven van deze vijftiger eigenlijk veranderd is. De oorlog heeft van de stadsmens, die het grootste deel van zijn tijd tussen de muren van zijn garage leefde en altijd smeer aan zijn handen had, een boer gemaakt, een buitenmens die groenten verbouwt, het varkenshok uitmest, eieren raapt. Ik vraag Slavko hoe dit nieuwe leven hem bevalt.

Hij is geen moeilijke man. Hij glimlacht berustend, haalt zijn schouders op, spreidt zijn handen. “Jesam zadovoljan, ik ben tevreden, we hebben alles, een goed huis, goed eten, alles...” Het had, voegt hij eraan toe, slechter kunnen lopen. Vandaag is mijn sympathie voor deze man, die ik al graag mocht, bijna met de minuut gegroeid.

Vandaar ook dat ik het feest, twee dagen later, graag wil bijwonen. Maar het is aan tafel niet gemakkelijk Slavko niet voor het hoofd te stoten. Als ik twee van de stukken big verorberd heb, komt Slavko met nog een schaal - een biggetje lijkt als je het op moet eten een stuk groter dan wanneer het ergens rondloopt. Met kennersblik beziet Slavko het vlees - alleen het beste is goed genoeg voor mij - en legt een, twee, drie nieuwe stukken op mijn bord. Ik kan dat allemaal niet op maar als ik twee van de stukken terug wil leggen op de schaal, zodat anderen die kunnen nemen, zie ik deze zo goedhartige man voor het eerst boos worden. Hij grijpt mij bij de pols, nemolj Kees!, en leidt mijn hand met het stuk big daarin terug naar mijn bord. “Maar dat is teveel voor mij, Slavko”, zeg ik, waarop hij antwoordt - nu alweer lachend - dat ik goed moet eten en dat ik morgen dan niet meer hoef te eten.

Waarom doe ik zo dom? Waarom laat ik Slavko - die een goed gastheer wil zijn - mijn bord niet bijvullen. Zo vaak als hij dat wil? Waarom kwets ik hem? Evenmin als een half leeg glas kan hij een half leeg bord verdragen - en al helemaal niet als het bord van een buitenlandse en dus speciale gast is. Bosnië is Nederland niet - hier wordt niet van mij verlangd, hoe vaak heb ik dat al niet gemerkt, dat ik mijn bord leeg eet. Wat ik overlaat wordt niet weggegooid. Van mij, als gast, wordt slechts verlangd, dat ik de gastheer ruimte laat gastvrijheid te betonen.