Buurman Karadzic

Volgens het telefoonboek van Sarajevo woonde de van oorlogsmisdaden beschuldigde leider van de Bosnische Serviërs, 'dr. in medicijnen Radovan Karadzic', in '88-'89 in de Sutjeskastraat 2. Het appartementsgebouw in het centrum van de stad is zwaar beschadigd door granaten.

De bovenste raamkozijnen zijn beplakt met plastic van de vluchtelingenorganisatie UNHCR. De verf is van de muren afgebladderd, geen van de deurbellen bij de centrale ingang werkt. De donkere en ijskoude entree leidt naar een stenen trap met een verroeste vale trapleuning. De muren zijn beklad met namen.

Op de vierde verdieping doet Fatima (38) de deur open. Radovan Karadzic? Ja, die woonde hiernaast. In een door een roestige kachel tot tenminste 25 graden opgestookte kleine woonkamer, vertelt Fatima dat zij vooral goed bevriend was met mevrouw Karadzic. Of nou ja bevriend, ze kreeg steun van haar in een tijd dat het met haar huwelijk niet goed ging.

Fatima, kettingrookster, blond gepermanent haar, lag eigenlijk te slapen. Zij heeft last van haar zenuwen en slaapt 's nachts slecht. Dus ligt ze 's middags op de bank vaak wat te doezelen onder een dekentje. Maar zij is blij met het bezoek en biedt koffie aan. Zij praat snel en een beetje schor.

Met mijnheer Karadzic had ze nooit veel contact. Maar hij was nooit te beroerd om een doktersverklaring af te geven als zij eens geen zin had om naar haar werk te gaan, vertelt ze. “Hij deed dat voor mij, voor mijn man en voor iedereen uit de buurt die er maar om vroeg. Hij was altijd bereid om andere mensen te helpen.”

Maar hij zag er niet uit, herinnert Fatima zich. Zij slaat haar hand voor haar mond. “Zo onverzorgd!” Zij moet erom lachen. Hij had altijd vet haar en droeg oude kleren. “Ik begreep nooit hoe zijn vrouw dat kon accepteren.” Hij reed rond in een oude Lada. En zijn blik, die was vreemd. “Hij had de ogen van een gek. Ik dacht altijd dat dat kwam omdat hij psychiater was en met zoveel gekke mensen omging.”

De problemen met haar zenuwen waren destijds de reden dat Fatima aanklopte bij Karadzic' vrouw, vertelt ze, terwijl zij een zilverkleurig koffiemolentje hard in de rondte draait om bonen te malen. “Zij was dokter net als hij. Mijn man was alcoholist. Ik vroeg haar om hulp, zij gaf mij medicijnen. Toen mijn man van mij scheidde en naar Duitsland vertrok, kwam ik in een diepe psychologische crisis terecht. Ik had er behoefte aan om met iemand te praten en met mevrouw Karadzic kon dat altijd. Ze zei dat ik mij geen zorgen moest maken, dat ik rust moest nemen. Zij was heel goed voor mij. Toen ik leed aan vreselijke hoofdpijn gaf ze mij injecties.” Over politiek spraken ze nooit, zegt Fatima, die zelf moslim is. “Wij maakten wel eens grappen over partijen, maar het was nooit serieus.”

Het onverzorgde uiterlijk van Karadzic begon te veranderen toen hij aan het eind van de jaren tachtig de politiek inging, vertelt Fatima. Terwijl zij spreekt, krabt ze aan haar linkeronderbeen dat is gaan vervellen. “Plotseling ging hij pakken dragen.” Hij werd ook minder vriendelijk. “Eerst zei hij als je hem in de gang tegenkwam altijd gedag, daarna deed hij dat niet meer.” Fatima is sinds de scheiding alleen. Zij had een tijdje een vriend, maar die heeft inmiddels weer een andere vrouw gevonden in Zwitserland. Daarom kan ze de laatste tijd al helemaal niet meer slapen. En de oorlog, die was zo verschrikkelijk. Er was geen eten en ze was altijd bang. In politici heeft zij haar vertrouwen voorgoed verloren. “Zij waren er niet toen we ze nodig hadden. Dus waarom zou ik nu nog op ze stemmen?”

Fatima wist wel dat Karadzic de moslims haatte, of tenminste, ze vermoedde het. “Maar hij of zijn vrouw hebben dat nooit hardop tegen mij gezegd.” Nu haat Fatima het echtpaar Karadzic. “Mijn broer heeft tijdens de oorlog door een granaataanval zijn beide ogen verloren, mijn zuster raakte gewond. Ik ben al mijn geld kwijt. Ik had alles, reisde over de hele wereld, nu heb ik niets meer.” Op tafel liggen folders van een hotel 'klasse b' aan de Kroatische kust. “Ik heb een loterij van Oslobodenje (dagblad in Sarajevo, red.) gewonnen en ben van dat geld voor het eerst in vijf jaar weer naar zee geweest.”

Op 5 april 1992 toen de Bosnische Serviërs vanuit een wegversperring in Sarajevo schoten losten op vredesdemonstranten op de Vrbatijabrug en de eerste dode viel in de oorlog in Bosnië, verliet het echtpaar Karadzic in alle vroegte het appartement om er nooit meer terug te keren. “Al hun meubels lieten ze achter. Die hebben ze later weggegeven aan vluchtelingen.” De zoon van Karadzic, Sasa zond vanuit het Bosnisch-Servische hoofdkwartier Pale over de amateurradio nog wel eens boodschappen naar zijn vrienden in Sarajevo, zegt Fatima. Van haar 'vriendin', mevrouw Karadzic, heeft Fatima nooit meer iets gehoord.

De bovenste verdieping van het huis van Karadzic werd in 1992 door twee granaten geheel verwoest. Op de benedenverdieping van het huis woont nu een gevluchte moslim. 'R. Isic' staat op het naambordje op de houten deur.

Een maand voordat de oorlog begon, was Fatima voor het laatst bij de familie Karadzic op bezoek, herinnert zij zich. “Ik belde aan. Radovan deed open. Hij zei: dag, hoe gaat het met u? Ik zei: goed. We praatten niet lang want ik kwam niet voor hem. Ik kwam om koffie te drinken met zijn vrouw. Ik heb er nu spijt van dat ik toen niks heb gezegd. Ik wist niet dat het oorlog zou worden.”