'Altijd net iets gemener dan anderen'

De Haagse advocaat G. Spong werd de afgelopen week door vakbroeders verkozen tot beste strafpleiter van Nederland. Binnenkort verdedigt hij een van de verdachten in de geruchtmakende drugszaak tegen 'de Hakkelaar'. Profiel van een even hoog geprezen als diep geminachte strafpleiter.

Columnist J.A.A. van Doorn schaart de uit Suriname afkomstige strafpleiter G. Spong in het jongste nummer van het weekblad HP/De Tijd onder de 'advocaten van gore zaken'. “Volgaarne op de bres voor de meest verachtelijke sujetten en dan met argumenten waar geen zinnig mens op zou komen”, typeerde Van Doorn hem. Vakbroeders echter riepen Spong in het televisieprogramma 'Peter R. de Vries Misdaadverslaggever ' onlangs uit tot de beste strafpleiter in Nederland.

Achter zijn keurig opgeruimde bureau in Den Haag zegt Spong over Van Doorn schouderophalend: “die seniele oude man heeft niet gesnopen dat ook mensen die van de meest vreselijke dingen worden beschuldigd recht hebben op een adequate verdediging”. Het is de zoveelste keer dat hij zich moet verdedigen tegen de aantijging een gewetenloze advocaat te zijn.

Binnenkort zal Spong optreden in een zaak waarbij de verdachten door het openbaar ministerie herhaaldelijk zijn beschuldigd de rechtsorde ernstig te ondermijnen. Voor het proces tegen de van grootschalige hasjhandel verdachte Johan V., bijgenaamd 'de Hakkelaar', en diens rechterhand Koos R., heeft de rechtbank van Amsterdam in december acht dagen uitgetrokken. Ook bij deze zaak valt te verwachten dat het openbaar ministerie van leer zal trekken tegen 'de vuige praktijken van de advocatuur'.

Spong studeerde aan de Universiteit van Amsterdam in de roerige jaren zestig. Over zijn studententijd schreef hij in Alibi, het blad voor rechtenstudenten van de Universiteit van Amsterdam: “De relativering van apodictische uitspraken van rechterlijke colleges, de daaraan inherente kritische blik voor traditioneel gezaghebbende autoriteiten en het doorprikken van de dubbele moraal op velerlei gebied, beschouwde ik als een weldadige bevrijding van het regenteske en religieuze juk, dat de samenleving zo beheerste.” Het maakte hem naar zijn zeggen tot een “juridische vrijbuiter, die geen angsten kent”.

Zijn vroegere docent aan de universiteit, de anarchistische strafrechtjurist Jacques van der Meulen, kan zich Spong nog goed herinneren. “Hij was het knapste jongetje van de klas. Ik kon de meest ingewikkelde casus bedenken, hij had altijd een antwoord klaar.” De briljante student had een wens: rechter worden. Die wens bracht hem in conflict met het morele establishment van de jaren zestig. “Omdat hij lid was van het COC kon hij in Suriname geen rechter worden. Zo ging dat in die tijd”, zegt Van der Meulen. Spong moet er nu wat meewarig om lachen, hij herinnert zich de afwijzing “door de fervente homohater, professor meester doctor Adhin” nog goed.

Het rechterschap spreekt Spong nog steeds aan. “Het is natuurlijk buitengewoon eervol om toe te treden tot de rechterlijke macht. Je hebt als rechter veel invloed op de ontwikkeling van het recht. Anderzijds geniet ik nog dagelijks van de advocatuur”, zegt hij.

Na zijn afstuderen in 1973 keerde Spong op uitnodiging van de Surinaamse jurist Lim a Po naar Paramaribo terug. Al denkt hij met respect terug aan deze leermeester en met plezier aan zijn werk - “Ik was nog geen twee jaar advocaat of ik voerde al CAO-onderhandelingen” - Suriname kende in meer dan één opzicht beperkingen. Spong wilde “deelnemen aan het juridische discours” en daarvoor bleek zijn geboorteland niet de optimale plek. “Ik deed een zaak voor het eerste kantongerecht en verwees naar een artikel van het verdrag van Rome. “'Verdrag van Rome', zei de rechter, 'We hebben geen bal met Rome te maken, we zitten hier in Paramaribo”'. Eind 1976 ging Spong weer naar Nederland.

Het Ministerie van Justitie en de orde van advocaten selecteerde voor een eenmalig experiment vier veelbelovende juristen om zich te bekwamen in de strafrechtsadvocatuur. Spong werd in de gelegenheid gesteld drie jaar lang niets anders te doen dan strafzaken. De Haagse strafpleiter specialiseerde zich later tot cassatie-advocaat. Wie zich niet wil neerleggen bij een uitspraak van de rechtbank gaat in hoger beroep bij het gerechtshof. Tegen een beslissing van het hof kan iemand in cassatie gaan bij de Hoge Raad.

Volgens J.W. Fokkens, advocaat-generaal bij de Hoge Raad, weet Spong op treffende wijze 'juridische vragen' op te roepen. “Wanneer hij een cassatiemiddel aandraagt zit daar altijd meer in dan je op het eerste gezicht denkt. Het is net iets gemener en het gaat net iets dieper dan het lijkt.”

Ook J.C.M. Leyten, advocaat-generaal bij de Hoge Raad in buitengewone dienst, heeft waardering voor de aanpak van Spong. “Spong is altijd bereid op het scherp van de snede zaken uit te vechten. Hij is verrassend en weet ook in moeilijke zaken voor de verdediging vaak nog wat te vinden.” Leyten waardeert nadrukkelijk in de opstelling van Spong dat deze “vol overtuiging tegen de publieke opinie in durft te gaan”.

Verrassend mag de invalshoek van Spong zeker worden genoemd, geliefd heeft hij zich daar niet automatisch mee gemaakt. Columnist Van Doorn schrijft vol weerzin: “In 1989 haalde hij de voorpagina's met een pleidooi voor de Hoge Raad ten gunste van een incestpleger die bij zijn minderjarige dochter een kind had verwekt. Spong betoogde dat de man ten onrechte voor twee jaar een 'omgangsverbod' met dochter en kind had gekregen. Hij noemde het verbod in strijd met het recht op een gezinsleven, zoals dat is vastgelegd in de Europese verklaring van de Rechten van de Mens.”

Spongs onconventionele ideeën roepen bij de bekende feministische advocate G. van Driem nog steeds gemengde gevoelens op. Zij lag in het verleden regelmatig in de clinch met Spong. Ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van het juridische blad Ars Aequi in 1991 gingen de twee met elkaar in debat over de ethiek van de advocatuur. Spong zei elke verdachte als cliënt te accepteren, tenzij hij persoonlijk bij de strafzaak betrokken zou zijn. Van Driem betoogde dat een advocaat alleen moet optreden in zaken waar hij achter kan staan en zei alleen mensen te verdedigen “in wier streven naar rechtvaardigheid ik geloof”.

Kritiek heeft Van Driem vooral op de confronterende manier waarop Spong slachtoffers van misdrijven bejegent. “Spong is heel erg scherp in de rechtszaal. Er zijn slachtoffers van seksuele misdrijven die door zijn ondervraging het gebeurde als het ware opnieuw beleven. Spong doet dat niet netjes, hij is teveel een straatvechter.” Ter illustratie van Spongs' straatvechtersmentaliteit zegt ze: “Wat hij vaak doet is mensen maar half citeren. De rechters kunnen dat zo snel niet allemaal controleren. Bij nalezing blijkt het net even anders te liggen”. Toch heeft Van Driem ondanks het fundamentele verschil in opvatting over de beroepsethiek ook waardering voor Spong. “Hij heeft zijn zaakjes altijd goed voor elkaar”.

Andere beroepsgenoten hebben minder bedenkingen wanneer zij Spong prijzen. Spongs collega en oud-cliënt, O. Hammerstein, noemt hem “een buitenbeentje in de advocatuur” en zegt dat diens juridische kennis “ver boven die van anderen uitgaat”. Hammerstein werd met succes verdedigd door J. Goudswaard en G. Spong. Hij werd verdacht voor de bende van de Hakkelaar miljoenen guldens aan drugswinsten te hebben willen wegsluizen.

Hammerstein: “Wanneer iemand heel gedegen de verdediging voert en met vijf formele verweren komt, dan vindt Gerard er nog twee meer. Dat geeft aan hoe diepgaand zijn kennis is.” Hammerstein omschrijft zijn voormalige raadsmanook als 'het tegendeel van burgerlijk'. “Als hij me bezocht in het huis van bewaring gaf hij me, waar gevangenispersoneel en mensen van de Fiod bij stonden drie zoenen. Dat kan hem allemaal niets schelen. 'Zo ben ik en zo moet men mij ook nemen', dat is zijn houding.” Hammerstein zegt dat hij en Spong “hartsvrienden” zijn geworden.

De genegenheid die Spong zonder gêne zijn cliënt en collega betoonde zou misschien kunnen suggereren dat Spong er een bourgondische, exuberante leefstijl op na houdt, maar dat blijkt niet het geval. Hammerstein: “Gerard rookt en drinkt niet. We hebben wel eens kreeft gegeten, heerlijke fles wijn erbij en cola voor Gerard.” Volgens Hammerstein heeft Spong zijn zelfdiscipline van zijn vader overgenomen. “Zijn vader was directeur van een kinderziekenhuis in Suriname en een beroemd man. Hij leed ook aan een rare ziekte, hij kon niet slapen.” Alleen met ijzeren zelfdiscipline kon vader Spong zijn vermoeidheid beteugelen. En waar andere advocaten een borrel gaan drinken wanneer ze een zaak hebben gewonnen, “gaat Gerard rustig twee uur naar aerobics”. Hammerstein betitelt zijn vriend als “de meest ijdele advocaat van het hele land. Misschien”, zegt hij, “dat Bram Moszkowicz nog ijdeler is: die besteedt meer aandacht aan zijn haar.”

M. Moszkowicz Sr., de vader van Bram, is door gedetineerden in het programma van Peter R. de Vries, als favoriete strafpleiter voor Spong gekozen. De Maastrichtse advocaat noemt Spong “een buitengewoon knappe collega” die hem soms verbaast met zijn kunde. “Af en toe leer ik wat van hem”, lacht Moszkowicz Sr. wat besmuikt. Wat hem in zijn collega ook aanspreekt is dat deze “recht door zee” en “eerlijk” is en geen blad voor de mond neemt. Moszkowicz Sr. memoreert een voorval in een rechtbank; “De rechter vroeg aan de heer Spong of hij het kort wilde houden, waarop de heer Spong riposteerde met “Moet u nog boodschappen doen, meneer de president?” Volgens Moszkowicz Sr. komt het regelmatig voor dat Spong en hij elkaar niet in de ogen durven kijken om niet in de lach te schieten vanwege het hoogdravende gedrag van de rechters. “Het is soms wel moeilijk om in de plooi te blijven”.

Zo vol lof als menig 'amice' zich over Spong uitlaat, zo woedend kunnen vertegenwoordigers van het openbaar ministerie zijn. In 1990 meende de toenmalige Amsterdamse procureur-generaal R.J. Manschot dat Spong zich had “gediskwalificeerd als lid van de rechtsorde”. Spong was in opspraak geraakt door de wijze waarop hij een Colombiaan had verdedigd in een grote cocaïne-zaak. Tegenover het NRC Handelsblad zei Spong dat hij “handenwrijvend” in zijn zwembroekje aan de rand van het zwembad had zitten wachten tot de rechter-commissaris in een door hem gegraven juridische valkuil zou stappen. In hoger beroep werd de Colombiaan weliswaar tot een lange gevangenisstraf veroordeeld, maar toen was de man, door toedoen van Spong, al door de rechtbank uit voorlopige hechtenis ontslagen.

Nasleep van dit incident was dat Spong ontslag nam als rechter-plaatsvervanger in Haarlem, een functie die hij vijf jaar had vervuld. Spong daarover: “De president van de rechtbank in Haarlem vond het niet ethisch wanneer je als advocaat welbewust probeert het openbaar ministerie fouten te laten maken.” Volgens Spong hadden hij en zijn kantoorgenoot Wladimiroff juist voor die tactiek gekozen. “Ik heb toen gezegd: jullie rechtsorde is de mijne niet”.

Voor incidenten is Spong niet bang. Er zullen er steeds meer van komen. Spong voorziet een 'veramerikanisering' van de rechtspraak. Advocaten zullen steeds vaker de door het OM selectief samengestelde dossiers aan moeten vullen. Van de kritiek die deze aanpak zal oproepen neemt hij nu al afstand: “Het OM graaft valkuilen en probeert de verdediging zand in de ogen te strooien. Wanneer de verdediging dat ook doet, dan wordt er 'schande' geroepen.”