Waarom met postbeambte Bina alles in orde zal komen; Mijn Malinese telefooncel

Hoe houdt iemand in het woelige continent Afrika het hoofd boven water? In Mali ontmoette Lieve Joris de moderne schelm Bina - meester in het schrijven van ontroerende brieven als hij daar zelf beter van wordt, en iedereen te slim af. 'Mijn wagonnetje was gepasseerd en Bina had het vastgehaakt aan het treintje van gelukkige gebeurtenissen in zijn leven.'

Lieve Joris

Ik ontmoette Bina in Sokolo, een dorpje van drieduizend inwoners in Mali, dicht bij de grens met Mauretanië. Ten zuiden de rivier de Niger, ten noorden de woestijn, een grote gele vlek die langzaam zuidwaarts beweegt. Toeareg rebellen maken de streek onveilig en jeeps met vierwielaandrijving hebben de neiging er in het niets op te lossen, soms met hun bestuurders.

Het is een plek zoals er in Afrika inmiddels zoveel zijn. Op de Michelin-kaart geeft een vlaggetje nog aan dat er een grenspost in de buurt is, maar die is allang opgehouden te bestaan. Grensposten zijn naar veiliger gebieden verhuisd, de terra incognita overlatend aan rebellen en bandieten.

Bina was hoofd van het postkantoor van Sokolo. Hij woonde met zijn vrouw en kind bij de ingang van het dorp, in een huis dat dienst deed als kantoor en residentie. In de zanderige tuin stonden de zonnepanelen die het telefoonverkeer gaande hielden, want elektriciteit had Sokolo niet.

Ik trof hem in zijn kantoortje: een ietwat zware jongeman van achter in de twintig, met vlugge, intelligente ogen die glommen van plezier terwijl hij het telefoongesprek afluisterde dat een man aan de balie voerde. De klant belde met het buitenland en Bina hield zijn chronometer scherp in de gaten. Zodra het gesprek de afgesproken grens van drie minuten bereikte, begon hij wild met zijn armen te gebaren.

Pas toen hij naar zijn klant toerolde, zag ik dat Bina in een wagentje zat. Een modern invalidenwagentje, het vliegtuiglabel bungelde er nog aan. Een heel verschil met de bovenmaatse driewielers waarmee de meeste gehandicapten in dat deel van de wereld zich verplaatsen.

Bina's kantoortje was het zenuwcentrum van Sokolo. Had ik een fiets nodig? Bina had een vriend die me er een kon bezorgen. Wilde ik een wandeling maken door de landerijen rondom Sokolo? Bina leende me de goudkleurige veldfles die een pelgrim voor hem had meegebracht uit Mekka. Zijn handicap leek hem niet echt te deren. Integendeel: als hij in zijn jonge jaren geen polio had gehad, zou zijn vader hem de velden hebben ingestuurd net als zijn broers, in plaats van hem naar school te laten gaan.

Het was ramadan, iedereen vastte tot zonsondergang. Hoe aangenaam was het om de vasten te breken in Bina's huis. Als een prins zat hij op zijn terras, terwijl zijn mooie jonge vrouw Rokia die hij Rose noemde ijskoud gembersap serveerde, een grote luxe in een dorp zonder elektriciteit. Maar Bina kende iemand die een petroleumijskast had. Net voor zonsondergang stapte hij op zijn brommertje om ijs te kopen.

Op een van die avonden vroeg ik hem hoe hij in het bezit was gekomen van zijn rolstoel. Bina lachte slim. Hij onderhield een levendige correspondentie met de Franse Association des Paralysés. Toen hij hoorde dat een delegatie naar Mali zou komen met drie rolstoelen, reisde hij spoorslags naar de hoofdstad en wist er een te verschalken. Nadat zijn naam en adres verschenen waren in het krantje van de Association des Paralysés, begon hij brieven en pakjes te ontvangen van goedwillende Fransen: schoolbenodigdheden, kinderboeken en speelgoed voor zijn dochter.

Bina deed me denken aan de hoofdfiguur uit de schelmenroman L'étrange destin de Wangrin van de Malinese schrijver Amadou Hampâté Bâ. Wangrin, die in zijn functie van vertaler een belangrijk bemiddelaar was tussen de koloniale ambtenaren en hun onderdanen, was al zijn meerderen te slim af. Geen Franse districtsbestuurder ontkwam aan de listen van deze cynicus die een speciale gave had voor het vergaren van rijkdom en het leven op grote voet in barre tijden.

Maar Bina had ook eigentijdse trekjes. Naarmate ik hem beter leerde kennen, zag ik hem steeds meer als het prototype van de moderne Afrikaan, die in de woelige baren die zijn continent doorkruisen, het hoofd boven water probeert te houden.

Een veertigtal mannen van Sokolo was naar Kongo getrokken om te werken. Ze dreven handel met Hongkong en werden als gefortuneerd beschouwd. Maar recentelijk waren rellen uitgebroken in de Kongolese hoofdstad Brazzaville en de Kongolezen, zoals de emigranten werden genoemd, hadden hun vrouwen en kinderen terug naar huis gestuurd. Dat was goed nieuws voor Bina, want het telefoonverkeer tussen Sokolo en Brazzaville had sindsdien een hoge vlucht genomen.

Bina moest zijn salaris afhouden van zijn maandelijkse omzet, wat een hele krachttoer was in een dorpje als Sokolo. Omdat hij voortdurend naar de radio luisterde, kwamen de bezorgde vrouwen van de Kongolezen hem vaak vragen naar het laatste nieuws. Tegen het einde van de maand aarzelde Bina niet hun te vertellen dat het behoorlijk onrustig was in Brazzaville, wat hem een bescheiden toeloop van drie-minuten-bellers opleverde.

En zo werden de Kongolezen een eindeloze bron van extra's voor Bina. Hij gaf krediet aan sommige bellers, waarna de Kongolezen hem een cheque stuurden. Deze diensten werd beloond met kleine cadeautjes. De goudkleurige veldfles uit Mekka was er een van, evenals het Seiko-horloge dat Bina droeg, en de sprekende rekenmachine waarmee hij zijn administratie bijhield.

Enkele dagen na mijn aankomst in Sokolo begon Bina me vragen te stellen over mijn leven in Europa. Waren mijn familie en vrienden niet ongerust als ik zo lang wegbleef? Al gauw begreep ik waar hij op aanstuurde: hij wilde dat ik zijn telefoon zou gebruiken om mijn familie gerust te stellen.

S okolo leek op het grensplaatsje uit de roman Wachten op de barbaren van de Zuidafrikaanse schrijver J.M. Coetzee. De rebellen waren er, al konden we ze niet zien. Ze controleerden het gebied door de angst die ze inboezemden. De mensen durfden hun velden ten noorden van Sokolo niet meer te bewerken, en zelf mocht ik me nooit verder dan een kilometer of drie van het dorp verwijderen.

Minder dan een jaar na mijn bezoek vielen de rebellen binnen. Het postkantoor werd gesloten en drie maanden later trof ik Bina in Markala, in het huis van zijn vader. Terwijl we op matrassen onder de mangoboom lagen, vertelde hij me het verhaal van de inval. Op een vroege ochtend hoorde hij stemmen in de tuin. Tamacheq spraken ze, de taal van de Toeareg. Het is zover, dacht hij. De rebellen hadden de telefoondraden doorgesneden en riepen dat hij naar buiten moest komen. Al gauw floten de kogels hem om de oren en vlogen houtsplinters van de wandkast door de kamer.

Meer dan veertig minuten lagen Bina en de zijnen onder vuur. Toen werd alles stil. Wachtten de rebellen tot hij tevoorschijn zou komen, of waren ze weggegaan? Bina bewoog niet. Ze hadden zijn rijstvoorraad in de belendende bergplaats in brand gestoken en de rook hing zwaar in de kamer, hij had moeite om te ademen. Even later hoorde hij opnieuw stemmen. 'De postbediende is dood, de postbediende is dood!' Het waren de dorpelingen die zich verscholen hadden gehouden, de dappere leden van de burgerwacht voorop, en die nu in optocht naar zijn huis kwamen. Terwijl Bina de schade in zijn bergruimte opnam, verkenden zij zijn woonvertrekken en vulde hun meelevende geweeklaag het hele huis. Toen ze weggingen, waren al Rose's juwelen verdwenen.

Het leger achtervolgde de rebellen en bracht een van hen diezelfde middag naar Sokolo. Twee soldaten sleurden hem uit de jeep en gooiden hem neer op het plein voor het postkantoor. De dorpelingen sloegen hem dood, sneden zijn geslachtsdelen af en trokken zijn lichaam aan een touw door de straten van Sokolo. Hierna wilden ze hem met benzine overgieten en in brand steken, maar toen de maraboet dat hoorde, kwam hij tussenbeide. Het lichaam verbranden zou ongeluk brengen, waarschuwde hij.

Ongeluk! En al de andere dingen die ze met hem hadden gedaan, zouden die geen ongeluk brengen? Maar Bina verpinkte niet terwijl hij me het verhaal vertelde. Hij betreurde maar één ding: hij had foto's van de lynchpartij gemaakt, maar er was zoveel commotie geweest, zoveel geduw en getrek, dat ze allemaal mislukt waren.

B ina was naar Markala gekomen om uit te rusten en te besluiten wat te doen. Net toen hij overwoog terug naar Sokolo te gaan, kondigde de regering een bezuinigingsactie in de posterijen aan: driehonderd bediendes werden ontslagen. Bina was een van hen.

Hij was verbijsterd. Hij had verwacht dat hij door de president ontvangen zou worden en een medaille zou krijgen, in plaats daarvan werd hij de laan uitgestuurd! Op tv had hij de presidentsvrouw gezien die dekens uitdeelde aan daklozen in de hoofdstad. Hij schreef haar een brief. Als haar hart uitging naar die arme sloebers, zou ze misschien ook wel begaan zijn met het trieste lot van een gehandicapte postbediende die niet geaarzeld had zich in het onherbergzame noorden te vestigen, en die, nadat hij ternauwernood aan de dood was ontsnapt... Enfin, het was een ontroerende brief, het soort brieven waar Bina een meester in was. Maar een antwoord had hij niet gekregen.

Bina was bitter, maar vol ideeën. Hij had een telefooncel op het oog die hij wilde overnemen, in Kokry, een dorpje langs de Niger ten oosten van Markala. Van de inkomsten van de telefooncel alleen zou hij niet kunnen leven, maar er was een wekelijkse markt in Kokry: misschien zou hij een petroleumijskast op de kop kunnen tikken en frisdrank verkopen. Als ze een extra kamer hadden, zou hij zelfs een pension kunnen inrichten voor marktbezoekers.

Een paar dagen later namen we samen de bus naar de hoofdstad. De gouden handdruk van de posterijen was gearriveerd en Bina wilde een aanbetaling maken op zijn telefooncel. Gedurende de reis staarde hij uit het raam.

“Waar denk je aan?”

“Aan mijn telefooncel”, zei hij. “Ik zie mensen in de rij staan voor mijn kantoor, ze willen allemaal naar binnen en ik zit in de rats, want ik kan niet iedereen tegelijk helpen.” Even was het stil. “Ik zal meer dan één telefoontoestel nodig hebben”, zei hij bezorgd, “en ik zal een paar assistenten moeten inhuren. Vervolgens hang ik een bord op: Bina &e frres.”

Hij had een dromerige blik in de ogen. “Ga verder”, spoorde ik hem aan.

Een schaduw gleed over zijn gezicht. “En dan gaan mijn assistenten natuurlijk in staking omdat ik hun niet genoeg betaal!”

Toen wist ik dat alles in orde zou komen met Bina.

A mper een half jaar later was ik op weg naar Kokry. Ik was benieuwd wat er geworden was van Bina's dagdromen. Het was een lange reis, ik moest verschillende keren van bus veranderen. De zandweg was hobbelig en rood stof blies me tegemoet. Het landschap had iets Hollands: we reden langs de Niger, groene velden strekten zich aan beide kanten uit.

In de koloniale tijd was Kokry een belangrijke post geweest van de Office du Niger, die de rijstproductie in de regio coördineerde. Maar inmiddels leken de straten en de huizen te ruim voor het kleine leven dat zich in hun schaduw afspeelde. Bina en Rose woonden in een okerkleurig gebouw aan de dijk met een tuin waarin de Fransen vroeger jeu de boules hadden gespeeld. Sinds de aanval van de rebellen hadden ze geen meubels meer; hopen kleren groeiden in de hoeken van de kamers. De porseleinen toiletpot in de badkamer was gebarsten, roestige vlekken ontsierden de wasbak. Ik dacht aan hun huis in Sokolo, dat gebouwd was om te voorzien in de behoeftes van een postbediende en zijn familie, het was zoveel simpeler en aangenamer geweest. Hier werd je alleen herinnerd aan verlies.

Langs de hoofdstraat van Kokry, tegenover de markt, ingeklemd tussen twee winkeltjes, lag Bina's telefooncel: een lemen raamloos vertrek met een ijzeren deur waarboven een pasgeverfd bord hing. Cabine téléphonique Lieve. Bina lachte om mijn verbazing. Ik was naar Markala gekomen om hem te troosten toen hij terneergeslagen was, ik was met hem naar de hoofdstad gereisd toen hij zijn eerste aanbetaling ging maken. Rose en hij hadden besloten dat de telefooncel mijn naam zou dragen.

Ik was een beschermheilige geworden! Ietwat bezorgd stapte ik de kamer binnen: hier zou ik voor moeten betalen, al wist ik nog niet precies hoe. In de schemering onderscheidde ik een tafel met een telefoon en een stoel. Onder het plastic raampje van het toestel zat mijn foto.

Bina was nog maar drie maanden in Kokry, maar het leven draaide al helemaal rond zijn bedrijfje. Meestal zat hij buiten met zijn buren, de winkeliers. Hun winkeltjes waren niet meer dan tafeltjes met plakkerige snoepjes, sigaretten en groene Indiase spiralen tegen de muggen waar er heel wat van waren in Kokry. Tegen elf uur kwam het dorpshoofd langs en later voegde ook de maraboet van de nabije moskee zich bij hen. Ze luisterden naar de radio en keken naar de foto's in het Franse weekblad Jeune Afrique dat ik had meegebracht. Als de telefoon rinkelde, kwam Bina met een zucht overeind en liep op zijn krukken naar zijn cabine. In het begin had hij geadverteerd op de radio. De telefoon rinkelde vaak in die dagen. Zonen en dochters van Kokry die naar de hoofdstad waren verhuisd feliciteerden hem vanwege zijn moed, die zijn voorganger blijkbaar had gemist. Bina sympathiseerde inmiddels uit de grond van zijn hart met zijn voorganger, want algauw werd het stil rond zijn telefoon.

Die avond zaten we op het terras voor zijn huis en wachtten op het uur van de muggen. Nee, gaf Bina toe, de zaken stonden er nog niet best voor. “Als ik het dorpshoofd wat beter ken”, zei hij met een spoor van de oude strijdbaarheid in zijn stem, “zal ik hem vragen iedere inwoner van Kokry te verplichten tenminste één keer per week te bellen!”

Ik had Bina het telefoonnummer gegeven van Dick, de Belgische dokter bij wie ik doorgaans logeerde als ik in de hoofdstad was. Niet lang na mijn vertrek uit Mali belde Bina hem op. Konden ze elkaar ontmoeten? Bina had iets te bespreken.

Ik had Dick over Bina verteld, dus hij was niet verbaasd toen deze hem om een lening vroeg. Het dorpshoofd van Kokry had hem een rijstveld toegewezen, hij had geld nodig om het werk te starten. Bina maakte een contractje op: zodra hij zijn eerste oogst had verkocht, zou Dick zijn geld terugkrijgen.

Ik hoorde dit alles toen ik maanden later opnieuw in Mali was. Die Bina, dacht ik. Geen kans liet hij onbenut, een telefoonnummer was genoeg om hem aan het dromen te zetten. Voor minder dan driehonderd gulden had hij de vermoeiende reis naar de hoofdstad en terug gemaakt.

Het probleem was: de terugbetaaldatum was inmiddels verstreken, maar Dick had nog niets van Bina gehoord.

Het duurde even voordat ik Bina aan de lijn kreeg. Om precies te zijn: het duurde een hele dag. Tegen zeven uur 's avonds had ik hem eindelijk te pakken.

“Logeer je bij Dick? Heeft hij niets gezegd?' Bina's stem klonk ietwat ongemakkelijk. Ik vroeg naar zijn rijstoogst. Was er iets misgegaan? “Nee, nee, mijn oogst was uitstekend: acht zakken van honderd kilo had ik. Ik had ze toevertrouwd aan een vriend uit Markala, die ze in Bamako heeft verkocht. Maar hij is er vandoor gegaan met het geld.” Gelukkig hadden ze een contract getekend. Bina wilde de man voor de rechter dagen. Het kostte hem een hoop tijd en geld, maar dat alles resulteerde er niet in dat hij Dick kon terugbetalen.

Dicks werk in Mali was bijna afgelopen, vertelde ik Bina. Over twee maanden zou hij Bamako verlaten. Ik bood aan het verschuldigde bedrag te betalen. Bina's reactie verbaasde me enigszins. Hij zei niets. Alsof hij niet anders had verwacht.

En dus betaalde ik Dick en had medelijden met Bina, de gehandicapte jongeman die zijn rijstoogst had toevertrouwd aan een vriend, die zijn vertrouwen niet waard bleek.

Ik kon Bina die keer niet bezoeken; ik moest een andere reis naar het binnenland maken. Toen ik terugkwam, vertelde Dick me over een vreemd telefoontje dat hij enkele dagen na mijn vertrek had gehad. Het was op een zondag. Dick was de vorige avond uitgeweest en het duurde even voordat hij besefte wie hem om acht uur 's ochtends uit zijn bed belde. Het was Bina. Dick dacht dat hij belde over de lening, en haastte zich om te zeggen dat ik alles geregeld had.

“Wat heb je met het contract gedaan?” vroeg Bina.

“Oh, dat ligt hier ergens, geloof ik.”

“Heb je het niet aan Lieve gegeven?”

“Nee, moest dat dan?”

“Wel, zij heeft je toch betaald! Zolang jij het hebt, ben ik je geld schuldig, niet?”

Ik moest lachen. Bina's rechtszaak tegen de man die er met zijn geld vandoor was, had hem zo te horen nogal gevoelig gemaakt voor contracten.

“Maar daarvoor bel ik eigenlijk niet”, had Bina gezegd, en hij begon met enige aandrang te praten over een zaak die Dick en hij tijdens zijn bezoek aan Bamako zouden hebben besproken.

“Bina”, Dicks houten kop stond inmiddels op barsten, “ik heb geen idee waar je het over hebt.”

“Lieve vertelde me dat je binnenkort vertrekt.”

“Dat klopt.”

“Je zei dat je voor je vertrek je spullen zou verkopen, niet?”

“Ja, hoezo?”

“Weet je nog dat we het hadden over je tv en video?”

Daar herinnerde Dick zich niets van. Waar stuurde Bina op aan?

“Hoeveel moeten ze kosten? Ik wil ze kopen.”

Ik voelde een steek van teleurstelling door me heengaan. Zijn lening kon hij niet terugbetalen, maar voor Dicks tv en video had hij wel geld! Maar wat had ik eigenlijk verwacht? Dat ik in de buurt van deze moderne Wangrin kon komen zonder verstrikt te raken in zijn web? Mijn wagonnetje was gepasseerd en Bina had het vastgehaakt aan het treintje van gelukkige gebeurtenissen in zijn leven.

Terwijl Dick praatte, schoot het me opnieuw te binnen. Bina liep rond met het idee een video-cinema in Kokry te openen. Het enige wat hij nodig had was een aggregaat, een tv en een video.

Dick vertelde hem dat hij zijn inboedel al aan iemand anders had verkocht. Hij kon Bina's ontgoocheling aan de andere kant van de lijn voelen.

“Maar Dick, je heb de kans van je leven gemist,” zei ik, “je had je eigen bioscoop kunnen hebben in het binnenland van Mali! Bina zou een mooi bord hebben laten maken. Ik weet zeker hoe hij hem zou hebben genoemd: Cinéma Dick!”