Vrije Jongens heroverden eigenhandig nazi-buit

De Nederlandse regering heeft na de bevrijding niet alleen geprobeerd het Nederlandse deel van het in Zwitserland ondergebrachte 'nazi-goud' en de uit Nederland gestolen kunstschatten te 'recupereren', ze heeft ook voortvarend de handen uit de mouwen gestoken om de particuliere en industriële oorlogsbuit die de nazi's uit Nederland hadden weggesleept, uit de geallieerde zones terug te krijgen.

In die tweede sector heeft ze met een dubbele tactiek opmerkelijke successen geboekt: terwijl op officieel niveau de aanvragen voor teruggave bij de geallieerde bezettingsmacht werden deponeerd, kregen tegelijkertijd de 'recuperatieteams' van het Militair Gezag, ook wel genoemd de 'jongens van prins Bernhard' of 'de roofridders', de vrije hand om alles wat los en vast zat uit Duitsland naar Nederland terug te brengen.

De 'recuperatieteams' waren geheel op eigen inzicht en vindingrijkheid aangewezen, maar ze waren, zo blijkt uit de archieven van het Militair Gezag, verzekerd van de stilzwijgende goedkeuring van de regering in Den Haag. De 'vrije jongens' werden actief gesteund en aangevuurd door de minister van Financiën, Piet Lieftinck, die in een brief van 14 juli 1945 onder meer de opdracht gaf een uit IJmuiden geroofde installatie van de walswerkerij van Hoogovens, die bij de Hermann Goering Werke te Wattenstedt bij Braunschweig was terechtgekomen, voor de Hoogovens terug te veroveren. “De bedoelde installatie heeft indertijd ongeveer tien miljoen gulden gekost en zou zich in onbeschadigde toestand bevinden”, schreef de minister aan de 'vrije jongens' persoonlijk en aan hun commandant prins Bernhard. Elk gepast initiatief werd oogluikend toegestaan, mits de medewerkers van de prins hun missie discreet vervulden en geruisloos hun goederen afleverden. Lieftincks handlangers wisten de installatie uit Russische handen los te praten en per schip naar Nederland te vervoeren.

De 'cowboys' van het Militair Gezag (die hun bijnaam droegen sinds ze op een strooptocht in Duitsland in Amerikaanse cellen waren opgesloten wegens het wederrechtelijk vergaren van gestolen Nederlandse koeien op Duits grondgebied) kweten zich slagvaardig van hun illegale taak. Nog maar twee maanden na de bevrijding brachten ze achtereenvolgens de geplunderde machinerieën van de Hoogovens, van de BPM, Werkspoor, Stork en de AKU terug, maar ook de buitgemaakte effecten uit het particuliere bezit van de leden van het Koninklijk Huis en het gestolen vermogen van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Hoewel ze de belangrijkste inlichtingen over de vindplaatsen van de (geallieerde) beheerders van de oorlogsbuit in Berlijn hadden gekregen, ondervonden ze geen enkele medewerking van de bezettingsautoriteiten. De (soms uit één, soms uit twee man bestaande) recuperatieteams moesten voor hun bedekte opdrachten tientallen geallieerde grensposten ontduiken; waar ze werden tegengehouden moesten ze zich met de passepartouts die prins Bernhard hun had meegegeven - maar die in de geallieerde bezettingszones geen enkele geldigheid hadden - erdoor smoezen.

De grootste stunt die 'de roofridders' van het Militair Gezag in de zomer van 1945, met de zegen van minister Lieftinck, uithaalden, staat op naam van de kapitein in algemene dienst J. Piller, ook wel bekend onder zijn illegale naam Van Amstel II, die nog geruime tijd na de bevrijding zijn illegale schuilnaam bleef gebruiken. Deze kapitein Van Amstel spoorde na een hachelijke tocht door de Amerikaanse en Russische bezettingszones in Kassel een voor de kunstzijdeproduktie onmisbare partij (diamant bevattende) spindoppen op, die de plunderdivisies van de Duitsers uit de AKU-fabrieken in Arnhem hadden weggeroofd. Hij slaagde erin die hele buit in zijn eentje naar Nederland te transporteren.

Hoe de kapitein het klaarspeelde in de bewaakte fabrieken van de Spinnfaser A.G. in Kassel (een latere volle dochter van de AKU) door te dringen, daar de 60.000 spindoppen te demonteren en in één keer in een gammele vrachtwagen te laden, is nooit opgehelderd. Het historische bewijs van dat huzarenstuk is een brief van minister Lieftinck in het archief van het Militair Gezag, waarin Van Amstel uitbundig wordt bedankt voor de bijzondere dienst die hij aan de Algemene Kunstzijde Unie had bewezen.

De AKU zelf was minder scheutig met lof. In plaats van een royale dankbetuiging ontving de sinds jaren in Spanje wonende Van Amstel, naar hij me vertelde, niet meer dan een bevestiging van ontvangst, onder de aanmerking dat er “enkele spindoppen op het totaal van 60.000 ontbraken”. Een ruimere waardering kon er niet af, omdat de directie van de AKU met de informele manier waarop de kostbare spindoppen waren teruggekeerd kennelijk in haar maag zat. De AKU kwam nooit over die preutsheid heen, want in het door Max Dendermonde geschreven jubileumboek Nieuwe tijden Nieuwe schakels over de 50-jarige Kunstzijde Unie, dat in 1961 verscheen, werd met geen woord gerept over de herovering van de spindoppen, die in 1945 een waarde van vijf miljoen gulden vertegenwoordigden.

De regering schreeuwde het ook niet van de daken dat ze buiten het niveau van de officiële onderhandelingen nog andere ijzers in het vuur had, maar ze deed daar in elk geval niet al te fijnvoelend over. In officiële taal werd de operatie-terugstelen bedekt door het woord recuperatie, maar dat verhinderde de uitvoerders van de operatie niet met geestdrift van rooftochten te spreken.

De gewestelijk commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten, de majoor mr. P.Th.J. Six, schreef onomwonden over deluting, waarmee hij aangaf dat hij dagelijks in Amerikaans gezelschap verkeerde. Delute was een Amerikaans woord, dat de tegenhanger was van het Engelse loot en dat plunderen dan wel roofbuit betekende. Six schreef op 3 juli 1945 een brief aan de minister van Oorlog J. Meynen, waarin hij waarschuwde dat de bureaucratische geest in Den Haag de activiteiten van de recuperatieteams dreigde te verlammen. Als de minister niet snel ingreep en zijn autorisatie aan de opsporing van de oorlogsbuit gaf, zou de hele recuperatie kunnen vastlopen.

Nog voordat de minister van Oorlog had kunnen reageren kwam de door prins Bernhard ingeseinde minister Lieftinck de kapitein Van Amstel in een één-tweetje te hulp. Hij schreef de prins op 23 juli 1945: “Mede namens mijn ambtgenoot van Justitie heb ik de eer Uw Koninklijke Hoogheid te berichten, dat ik met kennisneming van het rapport van den reserve kapitein in algemene dienst J. van Amstel d.d. 10 juli 1945, hem gaarne de opdracht verstrek, om nader onderzoek in te stellen naar de omstreeks 24.000 karaat diamanten, welke door de Duitschers uit Arnhem zijn geroofd en waarvan de (verblijf)plaats in Duitschland aan de heer Van Amstel bekend zou zijn. Ik moge Uwe Koninklijke Hoogheid beleefd verzoeken hem al die hulp te verleenen, welke er toe kan bijdragen om deze opdracht naar behoren uit te voeren.”

De kapitein Van Amstel, die ondanks totale onbekendheid met het militaire bedrijf een rang met drie sterren had en aan de staf van prins Bernhard was verbonden op grond van zijn grote verdiensten voor de voormalige illegaliteit, zat zelf ook niet stil. Hij schreef in een rapport dat de departementen (die niets moesten hebben van zijn anarchistische mentaliteit) nu eens moesten ophouden met hun tegenwerking, omdat de tijd begon te dringen.

Six had op spoedige verlening van ministeriële machtigingen aangedrongen, “temeer daar er op dit gebied thans allerlei kapers op de kust zijn verschenen”. Van Amstel vatte de aard van de concurrentie in een rapport ondubbelzinnig in zijn eigen woorden samen: “De Amerikanen stelen als de raven. Willen we ze voorblijven, dan moeten we snel zijn.”

    • Harry van Wijnen