Uitgezette dassen raken dikwijls van de wal in de sloot

Natuurbescherming valt niet samen met dierenbescherming. Dat blijkt weer eens bij de pogingen die al enige tijd gedaan worden dassen (Meles meles) in bepaalde delen van Nederland opnieuw uit te zetten. De sterfte is betrekkelijk hoog. Verrassend genoeg blijkt dat verdrinking mogelijk een zwaar tol eist onder Nederlandse dassen (Lutra 39, 1-32).

Het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek kreeg tijdelijk de financiële middelen om herintroductiepogingen nauwgezet op effect te onderzoeken. In 1992 werd begonnen met het loslaten van dassen in een paar gebieden waar zij ooit voorkwamen: Midden-Overijssel en Zuidoost-Friesland. Nieuwe populaties op die plaatsen zouden en schakel kunnen vormen tussen geïsoleerde restpopulaties. Het officiëel loslaten van dassen blijkt nog niet zo makkelijk: soms blijken de dieren zelf al uit hun tijdelijke verblijf ontsnapt dankzij hun met verve toegepaste graaftechniek. In Overijssel werden op het landgoed Eerde, waar de das in de jaren vijftig verdween, in totaal twaalf dassen uitgezet. Of ze nu in het gebied bleven of vertrokken, bijna alle dieren werden uiteindelijk doodgereden, verdronken gevonden of ternauwernood van verdrinking gered. Een vrouwtje overleefde in het gebied zelf en kreeg gezelschap van een wild mannetje, voormalig bewoner van een zeven kilometer verderop liggende burcht. Zij plantte zich vervolgens voort. Een uitgezet vrouwtje sloot zich bij de bewoners van die burcht aan; twee jaar later wierp ze jongen maar werd kort daarop overreden.

De Friese nieuwkomers toonden zich wat minder reislustig. Vermoedelijk kwam dat doordat zijn in grotere groepen tegelijk werden uitgezet: eerst de mannetjes, dan de vrouwtjes. Dat in de hoop dat de eerste geneigd zouden zijn ter plekke te blijven wegens de aanwezigheid van aanvankelijk nog opgesloten vrouwtjes. En die laatste groep zou mogelijk juist weer honkvaster blijken door de al door de mannetjes gecreëerde geursporen en wissels naar voedselgebieden. Van de negen dieren verdronken er twee - waarvan één net buiten de twee kilometer lange zone waarin een gekanaliseerde rivier weer dasvriendelijk gemaakt was. Eén mannetje week naar Drenthe uit. Maar de rest leefde een jaar later nog in hetzelfde gebied, bij Oldeberkoop, waar hun soort aan het begin van de eeuw verdween.

Het begeleidende onderzoek leidt tot enige voorzichtige gevolgtrekkingen. Zo tonen vrouwtjes zich na loslating minder plaatstrouw. Maar mannetjes blijven in een geval zeker niet ter plekke: wanneer zich al eerder losgelaten mannelijke dieren gevestigd hebben. De beste resultaten kunnen voortaan wellicht bereikt worden door dassen niet al te ver van bestaande populaties uit te zetten: zo'n tien tot vijftien kilometer. De kans dat zwervende dassen goed terecht komen is dan groter.

Onbedoeld kwam bij deze uitzettingsprojecten iets anders bovendrijven: het verdrinkingsrisico dat dassen lopen. Dassen zijn wel degelijk goede zwemmers. Wanneer nodig gaan ze zonder probleem te water, desnoods meerder keren per nacht, pendelend tussen burcht en voedselterrein. Maar op veel plaatsen maken steile of gladde beschoeiingen het trekkende dassen onmogelijk eenmaal opgezocht water weer te verlaten.

Als verkeersslachtoffer is ons zwaarste landroofdier, met zijn opvallende zwart-wit gestreepte kop, vermaard. Een dode das langs de weg blijft niet lang onopgemerkt. Bij verdronken dassen ligt dat anders. Vermoedelijk wordt het aantal dassen dat jaarlijks verdrinkt in 'beschoeid' water sterk onderschat. En het beeld van hun overlevingskansen was al niet positief.

Eerder bleek al dat tegen de helft van de nieuwe aanwas van dassen omkomt in het verkeer. Na jarenlange achteruitgang is er nu een licht herstel van de Nederlandse dassenstand, met rond de 2.200 dieren, mede dankzij het aanbrengen van dassentunnels op verkeersknelpunten. Maar ook wat betreft het aanpassen van steile oevers is er nog veel werk aan de winkel.

    • Frans van der Helm