Remedie tegen aanwas WAO'ers lijkt uitgewerkt

DEN HAAG, 21 SEPT. De shocktherapie die Nederland sinds de WAO-nacht van 13 op 14 juli 1991 heeft gehad, is voorbij. Die nacht kondigden twee vermoeide mannen - de toenmalige minister-president Ruud Lubbers en zijn minister van Financiën Wim Kok - aan dat ze hard gingen ingrijpen in de hoogte en de duur van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Alleen al het dreigement was goed voor een forse daling van de instroom in de WAO.

Het duurde nog tot 1994 voor de politici hun vele malen gewijzigde ideeën in daden omzetten. Op 1 januari van dat jaar trad het nieuwe criterium voor arbeidsongeschiktheid in werking. Het werd, zoals Lubbers en Kok in 1991 al aankondigden, wat minder gemakkelijk om in de WAO te komen. Aan de uitvoerders van de WAO werd het signaal gegeven dat niet iedereen arbeidsongeschikt moest worden verklaard die daarvoor door de werkgever werd aangewezen. Er moest sprake zijn van een “rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken”.

Bovendien werden mensen minder gauw volledig arbeidsongeschikt verklaard. Bij de bepaling van het inkomensverlies door arbeidsongeschiktheid werd voortaan meegewogen of en zo ja in welke mate iemand in staat was “algemeen geaccepteerde arbeid” te verrichten. Dat hoefde niet meer, zoals in het verleden, arbeid te zijn die iemand gezien zijn opleiding en werkervaring “in billijkheid” zou kunnen vervullen.

Verder werden de duur en de hoogte van de WAO-uitkeringen beperkt en afhankelijk gesteld van de leeftijd van de betrokkene en kwamen er op basis van het nieuwe criterium voor arbeidsongeschiktheid “herbeoordelingen”. In 1994 werden de uitkeringsgerechtigden tot 35 jaar opnieuw beoordeeld volgens het nieuwe criterium, vorig jaar de 35- tot en met 40-jarigen en dit jaar de leeftijdscategorie 41-45 jaar. De herbeoordelingen moeten op 1 augustus 1998 zijn afgerond.

Door de nieuwe wetgeving, en met name de herbeoordelingen, stijgt de uitstroom uit de WAO in 1994 aanzienlijk, zo constateert het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV) in een gisteren verschenen “overzicht van de ontwikkeling van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen sinds 1993”. Al in het eerste kwartaal van 1994, toen nog helemaal geen herbeoordelingen waren geëffectueerd, overtrof het aantal beëindigingen het aantal nieuwe uitkeringen. Afgekeurden die zichzelf best tot enige arbeid in staat achtten ontvluchtten de WAO, uit angst bij de herkeuringen door de mand te vallen. Voor het eerst sinds de invoering van de WAO in 1967 is er dat jaar sprake van een structurele afname van het aantal lopende uitkeringen.

De uitstroom blijft stijgen tot en met het eerste kwartaal van 1995. Daarna zet een scherpe daling in. Het aantal herkeuringen neemt af, schrijft het CTSV in haar rapport. En de kans dat herkeurde werknemers weer aan de slag gaan daalt eveneens. “Een mogelijke verklaring hiervoor”, schrijft het College, “is dat de later herkeurden langer de gelegenheid hebben gehad de WAO al voor de herkeuring te verlaten en dat de overblijvers, de mensen die daadwerkelijk herkeurd worden, juist de mensen met de lagere beëindigingskansen zijn”. Ook is sinds eind 1995 niet langer sprake van een teruglopende gemiddelde mate van arbeidsongeschiktheid.

Bij de instroom komt de kentering wat later dan bij de uitstroom,namelijk eind 1995/begin 1996. In de door het CTSV gemaakte grafieken bewegen de dalende uitstroom- en de stijgende instroomlijn intussen onheilspellend naar elkaar toe. Nog even en de lijnen kruisen en de schaarbeweging is een feit. Dan loopt het aantal arbeidsongeschikten voor het eerst sinds begin 1994 weer op.

Naast de al bekende trends heeft het CTSV een nieuwe gemarkeerd: er is een run op de WAO ontstaan onder vrouwen. Voor het eerst stromen er meer vrouwelijke werknemers, ambtenaren, zelfstandigen en vroeggehandicapten in de AAW en WAO dan mannelijke. Het CTSV noemt de trend “opmerkelijk en nog niet eerder vermeld”. De emancipatie van de vrouw dringt kennelijk ook door tot de WAO. Verklaringen kunnen volgens het CTSV liggen “in de inhaalslag die vrouwen aan het plegen zijn op de arbeidsmarkt, in de aard van beroepen die vrouwen plegen uit te oefenen en in de zwaardere belasting van werkende vrouwen in verband met opvoeding en huishouding”.

Aangezien de arbeidsparticipatie onder vrouwen nog ver beneden die van mannen ligt doet dit het ergste vrezen voor de toekomst. In de marktsector belandden in 1995 per (werk)dag 103 vrouwen in de WAO tegen 100 mannen. En dat terwijl het aandeel vrouwen in de betreffende beroepsbevolking niet meer dan 36 procent bedroeg. Als nog meer vrouwen de psychische en lichamelijk druk van een betaalde baan gaan ondervinden zal het aantal arbeidsongeschikten (momenteel ruim 850.000) nog voor de eeuwwisseling 1 miljoen bedragen.