Mateloos aan het schilderen overgeleverd

Tentoonstelling: Onbekend is onbemind: Auguste Chabaud, Johanna Kaiser, Frans Piens. T/m 13 okt. Museum voor Schone Kunsten, Citadelpark, Gent. Di t/m za 9u30-17u.

Frans Piens (1922-1973) was een Gents kunstenaar, werkzaam in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Als gevolg van gezondheidsproblemen verdween hij na verloop van tijd uit de aandacht. Auguste Chabaud (1882-1955) werkte aan het begin van deze eeuw in Parijs, trok zich na de Eerste Wereldoorlog terug in de Provence en raakte daar vergeten. Johanna Kaiser (1912- 1991) ten slotte, leefde in de voormalige DDR. Ze begon pas in 1972 te schilderen. Dat deed ze erg teruggetrokken, en zodoende bleef ook zij onbekend. Net voor daar verandering in leek te komen - vlak voor ze een uitnodiging voor de Documenta IX ontving - overleed ze.

Van Piens, Chabaud en Kaiser hangt nu een ensemble in het Gentse Museum voor Schone Kunsten. Organisator van de drie tentoonstellingen is het Museum van Hedendaagse Kunst, dat na twintig jaar resideren in het gebouw van Schone Kunsten een eigen pand kreeg, maar nog wacht op de voltooiing van de aanpassingwerken.

Veel hebben Piens, Kaiser en Chabaud niet gemeen. Dat is ook logisch, gezien hun uiteenlopende artistieke achtergrond en de verschillen in plaats en tijd. Ze maken wel alledrie schilderijen, vaak van een bescheiden formaat. Ze zijn alledrie nadrukkelijk schilder. Dat merk je aan de verfkorst van Piens, de breed uitwaaierende verf van Kaiser en het groezelige, dikgeborstelde grijs van Chabaud. En tot slot delen ze hun onbekendheid. Dat laatste 'kenmerk' heeft het MHK stevig beklemtoond, door de kunstenaars te presenteren onder het overkoepelende motto 'Onbekend is onbemind'.

Zo'n motto stemt sceptisch. Er wordt de laatste jaren zo gretig uitgepakt met vergeten genieën of veronachtzaamde talenten, dat onbekende kunstenaars veeleer bemind mogen heten. Maar gelukkig zijn er de werken.

Het oeuvre van Johanna Kaiser beleefde een paar maanden geleden zijn Nederlandse première in het Chabot Museum van Rotterdam, en is nu voor het eerst in België te bekijken. Kaiser begon pas op haar zestigste te schilderen, en deed dat zo te zien zonder complexen. Mateloos gaf ze zich over aan de haast banale pracht van bloemen in een vaas of waaiende bomen in een landschap. Haar schilderijtjes baden in diepgloeiende pauwenkleuren, opulente vormen en dikke verfstroken. Ze balanceren op de rand tussen vulgair en bloedmooi.

Niets van dat oversensuele bij Frans Piens, met zijn alledaagse onderwerpen. Hij schilderde veel stillevens, waarvoor hij de requisieten zo van de vloer, het schap of de vensterbank plukte. Dat resulteert soms in guitige combinaties, zoals op één schilderij met twee petroleumlampen, een plant en een rechtopstaande trompet. Verknipt of vervormd worden de dingen niet; alles blijft gaaf en krijgt de nodige ruimte. Maar tegelijk filtert Piens alle zwaarte en donkerheid uit de dingen weg, om ze een kleurige uitstraling binnen het vlak te geven. Dat doet hij traag. Een paar schilderijen uit het kleine ensemble in het museum bestaan uit een lichtend web van penseelstreken, dat met zichtbaar geduld gespannen werd. Oeverloos langzaam verleidt Frans Piens de dingen tot de schilderkunst.

Auguste Chabaud raakte aan het begin van deze eeuw verzeild in de Parijse kring van de fauvisten. Hij kende Matisse, Vlaminck en Van Dongen. Maar Chabaud was een buitenbeentje. Zijn grove schilderswijze deelt hij met sommige 'fauves', maar de felheid en de verregaande abstractie van hun kleurgebruik nam hij nooit over. Bij hem overheersen grijze tonen, en vallen de kleuraccenten bleek en schimmig uit. Een koortsig rood vormt vaak het enige contrast met een overheersend grijs. Het is een rood zonder warmte: de gloed van een troosteloze, beklemmende passie.

In zijn vroege, Parijse tijd schilderde Chabaud interieurs van hotels en onrustige flitsen van het nachtelijke stadsleven. Met Toulouse-Lautrec deelde hij een fascinatie voor de prostituées en de demi-monde, al ruilde hij het dandyeske raffinement van die laatste voor sinistere en brutale karakteriseringen. De vrouwenlichamen van Chabaud zijn bonkig en ruw geborsteld. Het gezicht van een lichtekooi lacht grof en grimmig. Het is een masker dat vals plezier belooft.

Door het brutale, grauwe en sinistere van Chabauds werk, leg je gauw de relatie met het expressionisme. Maar helemaal terecht is dat niet. In wezen blijft Chabaud een schilder van impressies, al zijn die nog zo rauw en donker van gemoed. Hij is meer een 'zwarte' sfeerschilder dan een echte expressionist. Daarin ligt ook zijn beperking.

Niettemin kom je op de tentoonstelling werken tegen die meer zijn dan expressieve evocaties. Die 'stap verder' schuilt vaak in louter schilderkunstige oplossingen. In de manier bijvoorbeeld, waarop in French Can-Can (1907) de rokken van dansende vrouwen in een wolk van grijzige verf oplossen. Of neem de twee bolvormen uit Gare de Triage (1907), die rechts het doek binnendringen: je kunt ze lezen als stoomwolken van een aankomende trein, maar tegelijkertijd zijn het abstracte, blinde vormen die de hele voorstelling dreigen weg te drukken. In 1910 herleidt Chabaud een close-up van schapenruggen tot een elementair spanningsmotief van boogjes en dwarse arceringen. In hetzelfde jaar schildert hij een abstract landschap dat voor de helft bestaat uit het onbeschilderde bruin van de kartonnen drager. Waarom heeft hij die radicale wisselwegen niet verder uitgewerkt? Waarom eindigde hij als de 'eremijt van Graveson', de schilder van de Provençaalse rotsen en blauwe lucht, nadat hij zich op de herenhoeve van zijn familie had teruggetrokken? Zoals veel werk uit de Parijse tijd zijn ook de late landschappen van Chabaud vooral sfeerbeelden, hoe grof en expressief ze ook geschilderd zijn.

Een groots oeuvre heeft Auguste Chabaud niet nagelaten, wel enkele uitschieters die het gevoel geven dat er meer in zat.