Jacht op nazi-goud nodeloos sensationeel

De recente berichtgeving over het geroofde nazi-goud in de kluizen van de Zwitserse banken is op zijn zachtst gezegd vreemd, vindt Gerard Aalders. Eerst verantwoordelijke voor deze nieuwe variant van de goudkoorts is het Jewish World Congress. Het Jewish World Congress (JWC), een machtige lobby in Washington met grote invloed binnen de Amerikaanse regering en de Senaat, stuurde onlangs berichten de wereld in over nazi-goud op Zwitserse banken, die evident onjuist waren. Onwetendheid of een politiek spel om de wereldopinie te mobiliseren?

Hoe dit ook zij, het is in elk geval zeer effectief geweest, want zowel in Europa als Amerika ontstond grote beroering over de vele miljarden aan goud die de Duitsers met vrachtwagens vol uit de nationale banken in de bezette landen hadden geroofd. Na de oorlog bleek dat goud voor een groot deel in de kluizen van Zwitserse banken te liggen. Volgens het JWC is het geen monetair goud, maar Totengold, afkomstig van vermoorde joden uit de vernietigingskampen. Het gevolg was dat het aanzien van de Zwitsers tot vrijwel het nulpunt daalde.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog roofden de nazi's voor ongeveer 10 miljard gulden (huidige waarde) aan goud uit de nationale banken van bezet Europa. Dit zogenaamde 'monetaire goud' werd in de Reichsbank te Frankfurt verzameld en vervolgens gebruikt als betaling voor Zwitserse goederen, diensten of valuta. Hitler had dat goud bitter hard nodig, want zijn Reichsmark was buiten de grenzen van het Derde Rijk niets waard. Noodzakelijke grondstoffen moesten daarom vaak in goud worden afgerekend.

Dat het roofgoud betrof, kan de Zwitsers nauwelijks zijn ontgaan, want reeds in maart 1943 was er al meer monetair goud uit Duitsland aangevoerd dan het land voor de oorlog had bezeten. De inlichtingendiensten van Engeland en Amerika hielden de steeds wassende goudstroom nauwlettend in de gaten en waarschuwden Bern dat wat zij deden onacceptabel was en dat het goud na de oorlog zou worden teruggevorderd.

Op 8 maart 1945 beloofden de Zwitsers geen geroofde goederen op hun grondgebied te dulden. Tijdens de naoorlogse onderhandelingen over geroofd goud echter was van dat voornemen niets meer te merken. Bij het Verdrag van Washington (25 mei 1946) verplichtte Zwitserland zich voor 250 miljoen franken (toenmalige waarde) aan goud over te maken, dat vervolgens eerlijk onder de beroofde landen moest worden verdeeld. Het bedrag was een schijntje en het Verdrag van Washington verdient het tegendeel van een schoonheidsprijs, maar rechtsgeldig is het wel degelijk. In Artikel II 2 liet Zwitserland vastleggen dat het in de toekomst van elke goudclaim verschoond wenste te blijven. De Zwitsers hebben de eigen bevolking steeds voorgehouden dat de 250 miljoen een vrijwillige bijdrage was aan de wederopbouw van het zwaar geteisterde Europa en geen schuldbekentenis.

In feite hebben de Zwitsers zelfs die 250 miljoen niet uit eigen zak betaald. Het geld was afkomstig uit geconfisqueerd Duits vermogen in Zwitserland waarvan de Amerikanen meenden dat het hun toekwam. De helft van dit geconfisqueerd vermogen kreeg Zwitserland, de andere helft (250 miljoen) ging naar de geallieerden. Het was dus die 250 miljoen aan geconfisqueerd Duits vermogen dat aan de beroofde landen ter beschikking werd gesteld. Een opmerkelijk staaltje van budgettair neutrale Wiedergutmachung.

Vorig jaar wist het JWC Zwitserland de belofte af te dwingen een diepgaand onderzoek in te stellen naar joods vluchtkapitaal. Het ging om rekeningen van joodse cliënten die uit vrees voor Hitler hun vermogens in Zwitserland hadden geprobeerd veilig te stellen. De meesten van hen keerden niet uit de vernietigingskampen terug. Het roemruchte Zwitserse bankgeheim bleek zó waterdicht, dat zelfs de naaste familieleden van de omgekomenen geen toegang tot hun bankrekeningen hadden. Pas vijftig jaar na de ondergang van het Derde Rijk, op de herdenkingsgolven van de Tweede Wereldoorlog, bleek de tijd rijp en gingen de Zwitsers onder zware druk akkoord met een regeling.

Eerdere pogingen waren allemaal zo goed als mislukt. Alleen in 1962, toen het onderwerp eveneens actueel was, werd er een schamele 12 miljoen gulden opgespoord. Het geld ging naar liefdadige instellingen in Zwitserland. Naar Israel overmaken bleek onhaalbaar, omdat men politieke moeilijkheden met de Arabische landen vreesde.

Uit interviews met leden van de onderzoeksgroep van het JWC in de National Archives te Washington blijkt keer op keer dat men geen gedegen literatuuronderzoek pleegde voordat men zich in de archieven stortte. Zo bleek hun het bestaan van de organisatie Safehaven - voor hun onderzoek van cruciaal belang - volkomen onbekend. (Safehaven was door de Amerikanen opgericht om verborgen Duits kapitaal in het buitenland op te sporen en te confisqueren.)

In 1986 publiceerde de Zwitser Werner Rings zijn Raubgold aus Deutschland. Drie jaar later volgde de Brit Arthur L. Smith Jr. met Hitler's gold. Beide boeken zijn gebaseerd op gedegen onderzoek en zij behandelen ook op correcte wijze het Verdrag van Washington, dat in de berichtgeving van de laatste weken vaak afgeschilderd is als een uiterst geheime, zo niet perfide deal tussen Amerikanen en Zwitsers. De serieuze aanpak in beide boeken staat haaks op wat we de afgelopen week hebben gezien, toen willekeurige, uit hun context gelichte maar zeer saillante documenten werden gepresenteerd, waarvan de betrouwbaarheid helaas omgekeerd evenredig was aan het sensatiegehalte.

Het effect van deze onzorgvuldige manier van werken eiste zijn tol. Bij vele overlevenden van de holocaust laaiden de emoties hoog op. Oude wonden werden opengereten. Zeker nu werd gesuggereerd dat het hier vooral om Totengold zou gaan: tandvullingen die tot goudstaven waren omgesmolten.

De uitwerking op de Zwitserse opinie was enorm. Sinds 1946 was het Verdrag van Washington voor de Zwitsers, met een verwijzing naar de vrijwaringsclausule, volstrekt onbespreekbaar geweest. Het feit dat de toenmalige bankdirecties en politici allang zijn vervangen door een generatie die de oorlog niet of nauwelijks heeft meegemaakt, maakte het steeds gecompliceerder. Wat deze nieuwe lichting van deze geschiedenis weet, heeft ze hoofdzakelijk van horen zeggen.

Wat bankiers en politici bindt, is een gezamenlijke, historische achtergrond waar ze echter zelf nooit actief deel aan hebben gehad. Tegelijkertijd blijft dit verleden hen achtervolgen en het zou de betrekkingen met de Europese landen, waar Zwitserland nu meer dan ooit mee wil samenwerken, blijvend kunnen belasten. Een definitieve oplossing is geboden, ook in het belang van Zwitserland.

De deze week aangekondigde opheffing van het bankgeheim, althans wat betreft de nazi-vervolgden, moet als een eerste teken van goede wil worden gezien. Van een morele oprisping kan men hier nauwelijks spreken. Waarschijnlijker is dat de Zwitsers zich ernstig zorgen maken over hun goede naam.

De Zwitserse goodwill heeft al sinds vorig jaar, toen de kwestie van het joodse vluchtkapitaal in de publiciteit kwam, ernstig te lijden van een aanhoudend negatieve, wereldwijde publiciteit. Vooral in Amerika is er nu onder aanvoering van het JWC een stemming ontstaan die men als hoogst ongelukkig ervaart. Ook Clinton en de zijnen zijn in dit verkiezingsjaar extra gevoelig voor pressie van het JWC.

De kans dat Zwitserland cliënten verliest is zeer reëel; tenslotte is het al lang niet meer de enige financiële heilstaat. Het bezoedelde verleden kan de Zwitsers banken (en in hun kielzog de staat) veel geld kosten, en voor dat argument zijn ze gevoelig. Voor de Zwitserse regering betekent deze affaire, nog afgezien van de negatieve gevolgen voor de staatskas, vertroebelde diplomatieke betrekkingen met Europa en de VS en dus minder manoeuvreerruimte in deze tijd van Europese integratie. Daarbij komt dat Israel vergeleken met 1962 tegenwoordig veel minder geïsoleerd staat. De betrekkingen tussen Israel en zijn Arabische buurlanden waren destijds gespannen en Washington kon zich openlijke steun, met het oog op de Arabische olie, niet veroorloven.

Op grond van de huidige ontwikkelingen moet de kans op een oplossing in de vorm van een compromis niet uitgesloten worden geacht. Signalen van de Zwitserse regering duiden ook in die richting. Aan de kwestie van het joods vluchtkapitaal wordt inmiddels hard gewerkt en wat identificeerbaar is zal aan de rechthebbenden worden overgedragen. Het overigens nog maar de vraag of die gerestitueerde bedragen substantieel zullen zijn.

Voor de teruggave van het monetaire goud zal men nu ook een regeling moeten treffen, mogelijk in de vorm van een gedeeltelijke restitutie. Daarbij moet een extra financieel gebaar, als compensatie voor het Totengold, hoe gering ook in verhouding met het in de kluizen aanwezige monetaire goud, tot de mogelijkheden worden gerekend. Met minder zal het JWC waarschijnlijk geen genoegen nemen.