Het is de hoogste tijd voor een hernieuwde klassenstrijd

De economen beheersen de westerse wereld. Weggedrukt door consumentisme en carrièrisme gaat een normstellend idee als gerechtigheid kopje onder in de moderne samenleving. Grote groepen mensen zullen daarvan de dupe worden, verwacht Milo Anstadt. Er zit maar één ding op voor de onderklasse: heropen de klassenstrijd.

De liberale samenleving van vandaag staat in het teken van twee ideeënwerelden: die van Adam Smith c.s. en het heilige geloof in de vrije markt en die van Nietzsche en de arrogante onverschilligheid jegens de maatschappelijk zwakken.

In de westerse wereld zijn het vooral de economen geweest die een stempel hebben gedrukt op de maatschappelijke verhoudingen: staatsbemoeienis of niet, wel of geen geleide economie, crisisbestrijding door overheidsinjecties, etcetera. Het waren economen die met hun theorieën de politiek een weg wezen. Onder hen waren er velen die grote betekenis aan de vrijheid toekenden en slechts weinigen die zich door het beginsel van gerechtigheid lieten leiden. Alleen in de periode dat de Sovjet-Unie een machtspositie bezat en grote groepen van de wereldbevolking aan zich wist te binden, werd er ook in het Westen over gerechtigheid gesproken. Men poogde de dreiging van het communisme te neutraliseren door een sociaal beleid. Zelfs rechtse politici beijverden zich een stelsel van sociale zekerheden vorm te geven.

Nauwelijks trad het bankroet van het communistisch systeem voor iedereen duidelijk aan de dag, of het liberale Westen begon het sociale bouwwerk weer af te breken. Niet een menswaardige en moreel evenwichtige samenleving was nog het doel, maar economische expansie, schaalvergroting, globalisering, concurrentie tot velen erbij neervallen. De relatie tussen economie en samenleving werd steeds vager. Premier Thatcher ontkende zelfs dat er zoiets als een samenleving bestaat.

Wat bestaat er dan wel? Kapitaal dat over de wereld zwerft met het doel zich te vermeerderen; geld dat zich daar nestelt waar het de grootste revenuen kan verwerven. Er wordt in de arme landen slag geleverd om kapitaal aan te trekken en omdat arbeid als marktwaar ook aan concurrentie onderhevig is, schuwt men daar geen terreur om de lonen laag te houden.

Intussen voltrekt zich in het welvarende deel van de wereld een proces, tegengesteld aan dat van de eerste decennia na de oorlog. Bevorderde de staat toen een ontwikkeling naar grotere sociale gelijkheid, de aanzienlijk machtelozer staat van nu berust in de voortgaande verarming van velen en verrijking van weinigen.

Adam Smith, een zoon van de Verlichting, kon nog geloven dat gematigd eigenbelang tot een samenleving van rede en welvaart zou leiden, dat de 'natuurlijke sympathie' van de mens voor de medemens voor de nodige zelfbeheersing zou zorgen, zodat het eigenbelang niet de grenzen van het algemene belang te buiten zou gaan. Smith heeft een te gunstig idee gehad van het mensdom. De moraliteit waarin hij vertrouwen had, kon het niet zonder strenge discipline stellen. Binnen de individualistische vrijheidsbeleving van het liberalisme bleek de emotie van solidariteit te zwak om het te kunnen opnemen tegen diepgeworteld egoïsme, irrationaliteit en agressie.

Tegenover liberalen als Adam Smith stonden al aan het eind van de achttiende eeuw critici op, die twijfelden aan de zelfregulerende werking van het eigenbelang. Zij waren niet minder optimistisch met betrekking tot de toekomst, maar bij wijze van correctie op de menselijke aard ontvouwden zij allerlei socialistische theorieën. Tot hen behoorden Robert Owen, Saint-Simon, en Fourier, in de negentiende eeuw gevolgd door Proudhon, Bakunin en Marx.

Terwijl socialistische en liberale voormannen, uitgaande van hun economische preoccupaties, de mensheid de zegeningen van vrijheid en welvaart in uitzicht stelden, schetsten sommige cultuurfilosofen een heel wat somberder beeld van de toekomst. De voornaamste van hen, Nietzsche, onthulde het panorama van een nihilistische geestesgesteldheid waaruit God, de metafysica en de 'slavenmoraal' van goed en kwaad waren uitgebannen. De meerderheid, gekenmerkt door een passief nihilisme, was in zijn ogen verachtelijk. Zij bestond uit waardeloze knoeiers en toonde alom haar vulgariteit, Nietzsche vereerde de machthebber, voor hem gepersonifieerd door een figuur als Napoleon. De grote massa had volgens Nietzsche geen recht op welzijn en geluk. Zij was niets meer dan middel voor de 'heer', de aristocraat, de held om diens wil te realiseren. Democratie was in zijn ogen de heerschappij van onwaardigen. De 'hogeren' dienden te strijden tegen de massa en te voorkomen dat de middelmatigen zich aaneensloten om heerschappij uit te oefenen.

Als uitkomst van het nihilisme voorzag Nietzsche in eerste instantie een tijdperk van oorlog en massavernietiging. De vraag rijst of hij er met zijn theorieën toe heeft bijgedragen danwel of hij, scherpzinnig als hij was, alleen de consequenties ervan heeft doorgrond. Hoe het zij, het nihilisme heeft zich een weg gebaand in de samenleving en heerst in al zijn vulgariteit. Het dicteert in verkapte vorm ook daar waar het hevig ontkend wordt. Het manifesteert zich in de vulgariteit van het consumptisme, van de reclame, van de seks- en pornoindustrie, van massale beneveling door alcohol en drugs, van sportverdwazing, xenofobie, juveniele agressie en onhandelbaarheid.

De Übermenschen, op wier komst Nietzsche heeft geattendeerd, schijnen in onze neo-liberale maatschappij al te hebben bestaan, zij het als een karikaturale verschijning. Hoe ongelooflijk hoog moet iemand boven anderen uittorenen in inzicht en kunnen om een jaarsalaris van miljoenen guldens waard te zijn? Daar tal van lieden in banken en industrie zulke bedragen in de wacht slepen, moet men aannemen dat aan hun bovenmenselijk formaat niet valt te twijfelen. Dat zij zich niet generen dergelijke bedragen op te strijken, verwijst ook naar Nietzsche's overtuiging dat Übermenschen niemand rekenschap verschuldigd zijn. Ziet men dit soort lieden van nabij, dan blijken zij bij al hun talenten onmachtig zich de vulgariteit van geest en lijf te kunnen houden.

De economen wekken de indruk dat het leven in de huidige wereld voornamelijk draait om innovatie en produktiviteitsverhoging. Dynamiek is de kreet, en de vraag of die het geluksgevoel van de mensheid bevordert schijnt niet ter zake te doen. De economie is geabstraheerd en de relatie met de gemeenschap is verbroken. Of het nu de zogenoemde Chicago Boys zijn met hun godfather Milton Friedman of professor Alfred Kleinknecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, geen van hen is geïnteresseerd in het lot van mensen. Een criticus van deze mentaliteit, de Rotterdamse hoogleraar Arjo Klamer, karakteriseert de Chicago-economen als volgt: “Als een bedrijf zoals AT&T, dat flink winst maakt, aankondigt veertigduizend banen te schrappen, vragen we of de overheid niet iets kan doen. Een Chicago-econoom zal de directie van zo'n onderneming slechts feliciteren. Blijkbaar heeft het management een manier gevonden om de produktiviteit in het bedrijf nog verder op te voeren. De mensen die op straat worden gezet vinden snel nieuw werk, als de arbeidsmarkt maar flexibel genoeg is.” Dat zo'n flexibele arbeidsmarkt niet te veel zekerheden biedt aan de werknemers blijft buiten beschouwing. “Bij de Chicago-economen is het morele aspect verdwenen”, stelt Klamer (geciteerd in Intermediair).

Professor Jan Pen heeft in zijn column in Het Parool Kleinknecht bestreden, die pleit voor een flinke loonstijging om de dynamiek van de Nederlandse economie te activeren. Pen schrijft: “Ook hij (Kleinknecht) ziet aankomen dat forse loonbewegingen tot faillissementen zullen leiden. Maar hij ziet daar iets moois in. Hij beklaagt zich erover dat in Nederland zo weinig bedrijven en bedrijfjes over de kop gaan. Dat is slecht voor de dynamiek en voor de arbeidsproduktiviteit. Kleinknecht is aanhanger van de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter, de goeroe van de economische vooruitgang, die creatie en destructie aan elkaar koppelt - de zwakken moeten weg, dat is goed voor het geheel. Ik vind dat een onprettige gedachte. Creatieve destructie maakt mij te veel slachtoffers. Het lijkt te veel op vandalisme”, aldus Pen.

Onlangs heeft een liberale aanhanger van dit vandalisme in een radiointerview betoogd dat de uitstoot uit banen goed is voor de mensen. Te lang op één plek zitten zou niet bevorderlijk zijn voor de carrière. Alsof hij niet weet dat voor tachtig procent van de werknemers de mogelijkheid van carrière nooit opgaat.

Het aan de menselijke werkelijkheid onttrokken doel van de huidige economie is groei en op het altaar van de groei mogen produktieapparaat, ondernemingen en werknermers worden geofferd. Basis van dit denken is het nihilisme dat vrijwaart voor medeleven en verantwoordelijkheid. In dat klimaat voltrekt zich volautomatisch een proces van verrijking aan de ene en verarming aan de andere kant en deze groeiende sociale ongelijkheid wekt wrok, jaloezie, cynisme, brutaliteit, agressie, criminaliteit.

De perspectieven zijn somber, maar er is geen onafwendbaar noodlot dat ons dwingt op deze heilloze weg verder te gaan. Hoe rampzalig de invloed van economen op het maatschappelijk leven soms ook is, hun leerstukken zijn aan mode onderhevig. Keynes en Friedman, een actieve of een terughoudende staat, ze hebben hun tijdelijke volgelingen. Dan komt er weer iets anders en kan men zich gaan afvragen waarom die 'geleerden' Nobelprijzen hebben ontvangen.

De ervaring met de economen, die reeds twee eeuwen een dominante rol spelen bij het bepalen van het maatschappelijk beleid, rechtvaardigt de poging hen zo langzamerhand te onttronen. Sinds er leden van dat gilde zijn die verkondigen dat de overtuigingskracht van economische theorieën op retoriek berust en dat het voorspellend vermogen van de economische wetenschap niet veel groter is dan dat van de astrologie, mag men de pretenties van economen gerust wat minder au serieux nemen. Dat de meesten vandaag de dag zulke radicale voorstanders zijn van de markteconomie, levert niet het geringste bewijs dat deze werkelijk de panacee is voor de kwalen van de huidige samenleving.

In een cultuur waarin het najagen van het eigenbelang zo'n ruime acceptatie heeft verkregen, zal het moeilijk zijn weer ideeën van gerechtigheid ingang te doen vinden. Wat uitbuiting betreft zal de maatschappelijke bovenlaag zo ver gaan als maar mogelijk is. In dit nihilistisch tijdperk zullen haar grenzen niet bepaald worden door moraal, maar door het verzet van de maatschappelijke onderlaag. En met deze vaststelling belanden wij bij de oude Marx, die ondanks zijn arrogante betweterij, zijn psychologische naïviteit en zijn talloze vergissingen, de onderklasse een nuttig strijdmiddel aan de hand heeft gedaan, dat noodzakelijk weer door de dag moet worden gehaald: de klassenstrijd.

Het valt niet te verwachten dat regering, parlement of partijen een ombuiging tot stand zullen brengen. Gerechtigheid is het eigenbelang van de onderklasse en die zal zelf meer gerechtigheid moeten veroveren. Met de trieste perspectieven van een diepe cultuurcrisis voor ogen, hebben groepen die zich vooralsnog sociaal wat beter kunnen redden, alle reden zich met deze ontderklasse te solidariseren en aan haar zijde aan de strijd deel te nemen.

De vraag rijst wie die strijd zou moeten coördineren en er lijn aan geven? Wellicht zou dat een taak voor de vakbeweging zijn. Zij zou zich op de nieuwe klassenstrijd moeten bezinnen en nagaan of zij nog voldoende vitaliteit bezit om het voortouw te nemen.