Een keurslijf voor taalarme kleuters

Scholen hechten te weinig waarde aan de woordenschat van anderstalige kleuters. 'Soms steekt een juf liever haar energie in een verjaardagsmuts dan de zoveelste les woorden leren.'

TEKENINGEN zijn woorden in de Haagse kleuterklas waar vierjarigen Duaa, Yakub en Hajiba heten. Een plaat met een oog gaat de kring rond. “Waar zijn jòuw ogen Naïm”, vraagt onderwijzeres N. Ishaak. Naïm van vier kijkt, tuurt, staart, peinst, en beweegt zijn mond geluidloos open en dicht. Opeens begint hij te stralen: de onderwijzeres krijgt een vette knipoog. De klas schatert het uit.

Hoe leer je allochtone kleuters de Nederlandse taal? Een dagelijks kringgesprek haalt niets uit bij kinderen die nog geen woord Nederlands spreken. Evenmin baten traditionele taalmethodes waarin het Nederlands nog geldt als moedertaal en praten nauwelijks meer aan de orde komt. Een speciaal op allochtone kleuters gericht programma dat elke dag acht nieuwe woorden aanleert slaat beter aan, maar ingelopen wordt de taalachterstand nog niet. Dit blijkt uit een deze week verschenen evaluatie-onderzoek van de Universiteit van Amsterdam.

Het onderzochte programma Taalplan Kleuters zoals de Haagse basisschool Het Spectrum in dat gebruikt evenals driehonderd andere 'zwarte' basisscholen in achterstandswijken, komt op scholen onvoldoende uit de verf, schrijven de onderzoekers Sietske Bongenaar en Lijgien Bos van het Amsterdamse Instituut voor Taalonderzoek en Taalonderwijs Anderstaligen. De reden is een euvel waaraan het onderwijs vaker lijdt: geen van de scholen gebruikt de methode zoals het moet, de waslijst aanwijzingen ten spijt.

Dat gebeurt meer uit onvermogen dan uit onwil, benadrukken beide onderzoekers. Het strakke keurslijf van elke dag een vast aantal woorden aanleren - nieuw voor het kleuteronderwijs - vergt van leerkrachten een grote cultuuromslag. En daarnaast komen scholen te weinig toe aan de voorgeschreven lessen in kleine groepjes, door gebrek aan menskracht, maar ook door een gemis aan organisatietalent en een te vanzelfsprekende nadruk op klassikaal onderwijs.

Bongenaar: “Het belang van woordenschatonderwijs aan kleuters wordt door sommige scholen onderschat. Je moet eerst woorden kennen, voor je kunt leren lezen en schrijven. Bos: “Soms steekt een juf liever haar energie in het mooi maken van een verjaardagsmuts dan de zoveelste les woorden leren. Maar al het onderwijs draait op taal. Taal is een middel, niet alleen een vak. Als je daar onvoldoende op inspeelt, help je anderstaligen nooit van hun onderwijsachterstand af.”

VERSCHIL

Juist op taal loopt de schoolcarrière van allochtone kinderen vaak stuk. Vierjarige allochtone kleuters spreken nog nauwelijks een woord Nederlands als ze naar de basisschool gaan, terwijl Nederlandse kinderen op die leeftijd al gauw twee- tot drieduizend woorden kennen. En dat verschil wordt op school steeds groter, omdat Nederlandstalige kinderen sneller woorden bijleren. Aan het eind van de basisschool kennen allochtone leerlingen zo'n tienduizend woorden, terwijl Nederlandstalige leerlingen er 15.000 beheersen. Een goede taalmethode zou een uitkomst bieden. Maar daar waar samenwerking tussen wetenschappers, didactici en leerkrachten het rekenonderwijs verder heeft gebracht, is er bij het taalonderwijs nog geen doorbraak in zicht. Zeker niet waar het gaat om het tweede taalonderwijs (in jargon NT2, Nederlands als Tweede Taal) aan allochtone kleuters. Dat komt mede door een richtingenstrijd over de aanpak van kleuteronderwijs.

De opvatting dat lessen ingericht moeten worden op basis van een 'schools lesprogramma' staat lijnrecht tegenover 'ervaringsgericht onderwijs' waarbij kleuters zelf de lesstof te berde brengen. Een tussenpositie neemt de 'ontwikkelingsgerichte' aanpak in, waar een door kinderen aangedragen thema met bijvoorbeeld toneelstukjes wordt uitgediept. Nadeel van de twee laatste opvattingen is dat het effect moeilijk te meten is, omdat vooraf nooit precies is vastgesteld wat de kleuters moesten kennen.

Dat geldt niet voor het 'schoolse' Taalplan Kleuters, dat is ontwikkeld door de Rotterdamse schoolbegeleidingsdienst CED en beoogt leerlingen in twee jaar tijd 1.482 woorden te leren, met 'praatplaten', verhalen op cassettebandjes, en lessen in kleine groepjes. Wil de methode een succes kunnen worden, zo concluderen de onderzoekers, dan moeten leerkrachten hun traditionele lesaanpak overboord gooien en het taalonderwijs meer in hun lessen integreren. Waarom sneeuw tot thema van de week bombarderen terwijl in de lesmethode 'ziek zijn' centraal staat? Een andere aanbeveling: 'Leerkrachten moeten een nascholingscursus zelfstandig werken volgen, zodat het voorgeschreven groepswerk ook aan de orde komt. Ze moeten nog leren hoe ze een groepje van zes kleuters kunnen helpen terwijl de rest van de groep voor zichzelf werkt.'

Bos: “Vooral de Pabo's moeten naar ons idee sneller en beter inspelen op de veranderde groep leerlingen, met hun curriculum en met nascholingscursussen. Het moet voor elke stagiair gesneden koek worden dat woordenschatonderwijs aan anderstalige kleuters van belang is. Er zijn nog steeds onderwijzers in het land die daarmee onbekend zijn. Een leerkracht vroeg me laatst: wat is dat 'één-tee-twee onderwijs'. Dat is ronduit beroerd. Want dat betekent dat anderstalige kinderen bij hem nog taalles krijgen volgens een moedertaalmethode die met hun achterstand geen rekening houden.”

BESTE METHODE

Op basisschool Het Spectrum in de Haagse Schilderswijk laten de leerkrachten zich niet ontmoedigen door het Amsterdamse onderzoek. Taalplan is veruit de beste methode die ik ken, zegt onderwijzeres Ishaak, die bijna vijfentwintig jaar voor de klas staat. Ze gebruikt het programma drie jaar. Daarvoor viel ze terug op eigen gemaakt lesmateriaal en methodes als Taalactivering en Schatkist, waarin leerlingen zelf verhaaltjes moeten afmaken en tegengestelden moeten kunnen geven. Maar die waren veel te moeilijk voor haar kleuters die op de eerste schooldag “echt helemaal niks geen Nederlands praten”.

“De resultaten van de woordenschattoetsen worden elk jaar beter”, glundert Ishaak. “En de kinderen vinden het fantastisch. Dat bij elkaar maakt dat ik me graag in zo'n keurslijf pers. Trouwens zo strak is dat niet. Wat is een uur per dag woorden leren op vijf uur les? Ik heb elke dag vier uur over om te knippen, te plakken en te spelen. En het leuke is dat kinderen door het intensieve taalprogramma ook in die tijd steeds meer Nederlands gaan praten.”

Neem Naïm van vier, na zeven weken school ontglipte hem vorige week zijn eerste Nederlandse woord. “Paaalassss” riep hij hard vanuit de blokkenhoek. “Paa-lasss.” 'Wat' vroeg Ishaak nog. Maar ineens wist ze het. “Hij moest plassen natuurlijk.”