De zaak-Baltimore

HET MEEST geruchtmakende en omstreden geval van wetenschappelijke fraude dat ooit de voorpagina's van de kranten heeft gehaald,is de zaak-Imanishi-Kari, ook wel de zaak-Baltimore genoemd, omdat de Nobelprijswinnaar Baltimore er nauw bij betrokken werd. Geen fraudegeval heeft de emoties zo hoog doen oplopen en tot zulke bizarre incidenten geleid.

Nu is vastgesteld dat er geen sprake is geweest van fraude, alleen van slordigheid en communicatiestoornissen, kan men zich afvragen hoe het zover heeft kunnen komen. Want ver is het echt gegaan. Als in een Griekse tragedie zijn de dramatis personae vermalen door het noodlot, zonder dat hun veel meer kan worden aangewreven dan slordigheid, arrogantie en gebrek aan souplesse.

Nu na tien jaar de zaak in hoger beroep is afgesloten, lijkt mij dit een goed moment om het drama nog een keer versneld af te spelen. Ik maak daarbij mede gebruik van een diepgravend artikel in The New Yorker van 27 mei 1996 van Daniel Kevles, een historicus gespecialiseerd in de geschiedenis van de natuurwetenschappen. De affaire-Baltimore start in 1986 met een artikel in het wetenschappelijk tijdschrift Cell, waarin de resultaten van een samenwerkingsproject tussen moleculair bioloog Baltimore en immunologe Imanishi-Kari vermeld staan. De proeven waren ingewikkeld, de resultaten onverwacht, de interpretatie van meet af aan omstreden. Toen later een nieuwe medewerkster van Imanishi-Kari, Margot O'Toole, moeite had om sommige proeven te herhalen, ging zij twijfelen aan de betrouwbaarheid van het werk van haar baas. O'Toole legde haar twijfel voor aan twee ervaren immunologen. Toen die haar geen gelijk gaven, klampte ze een derde aan, die alle betrokkenen bij elkaar riep. In deze discussie bleek wel dat er een foutje stond in het Cell-artikel, ontstaan door een misverstand tussen Baltimore en Imanishi-Kari, maar niet dat er iets was gebeurd dat niet door de beugel kon.

De proeven waren lastig en daarom niet makkelijk te herhalen, maar uit niets bleek dat Imanishi-Kari resultaten had verzonnen of de proeven mooier had voorgesteld dan ze waren. Daarmee zou de affaire als een nachtkaars zijn uitgegaan, ware het niet dat de mokkende O'Toole de kaars in het hooi wist te gooien. De brand zou nog in de kiem zijn gesmoord, als Imanishi-Kari en Baltimore effectief hadden ingegrepen, maar dat gebeurde niet.

Imanishi-Kari is van Japanse afkomst en haar Engels is slecht. Zij doet haar proeven op een weinig ordelijke manier en heeft moeite om aan mensen in het Engels uit te leggen wat de resultaten zijn. Baltimore is uitzonderlijk capabel, maar ook ongeduldig, kortaf en een tikje arrogant. Hij zag van meet af aan het gesteggel over het Cell-stuk meer als rancuneuze roddelpraat van een mislukte post-doc dan als een serieuze aanval op de kwaliteit van zijn artikel. Zo kon een wetenschappelijk binnenbrandje uitgroeien tot een fraude-affaire, waar uiteindelijk het Amerikaanse Congres en de geheime dienst bij betrokken werden.

Wie had er belang bij dat deze zaak zo werd opgeblazen? In de eerste plaats Margot O'Toole, de medewerkster van Imanishi-Kari, die de proeven niet kon herhalen. Terwijl zij aanvankelijk sprak over fouten van haar baas, schoof zij in de loop van de controverse steeds meer op naar de mening dat die fouten alleen verklaard konden worden door vervalsing van gegevens, door fraude. Door haar mislukte proeven bij Imanishi-Kari was O'Tooles' carrière in de versukkeling geraakt. Voor O'Toole was duidelijk waarom en dat gaf haar een ruim reservoir van rancune.

Daarbij kwam dat O'Toole steeds meer succes kreeg met haar rol als aanklager. Aanvankelijk werden haar klachten met weinig enthousiasme ontvangen en door de ene deskundige commissie na de andere niet-ontvankelijk verklaard. Naarmate zich meer buitenstaanders met de affaire gingen bemoeien, nam echter de waardering voor haar acties toe. Zij werd geprezen voor de moed waarmee zij het opnam tegen Nobelprijswinnaar Baltimore. Zo werd O'Toole van een klagende, mislukte post-doc, een Jeanne d'Arc, strijdend tegen misstanden in de wetenschap. Haar acties werden letterlijk geprezen als 'heroïsch'. Zij kreeg voor haar moed een aantal onderscheidingen, o.a. de Ethics Award van de Amerikaanse vereniging voor Chemie. Over slachtofferwinst gesproken.

Margot O'Toole was echter nooit ver gekomen met haar klachten, als Walter Stewart en Ned Feder zich niet op de kwestie hadden gestort. Stewart en Feder werkten als onderzoekers in het Amerikaanse National Institute of Health. Nadat hun eigen onderzoek wat was doodgelopen, waren ze geïnteresseerd geraakt in wetenschappelijke fraude. In een enkel geval hadden ze ook een bijdrage geleverd aan de opheldering van fraude en zij waren op zoek naar een nieuw spectaculair geval. De zaak-Baltimore was net wat ze nodig hadden.

Het fanatisme waarmee Stewart zich opwierp als fraudebestrijder (zonder formele status of opdracht) blijkt goed uit de volgende anekdote: tijdens een bijeenkomst met politici en wetenschappers in 1989 schreef Stewart 'Holocaust' op het bord, daaraan toevoegend dat onderzoekers die hun mond hielden, terwijl iemand als O'Toole het slachtoffer werd van haar actie tegen fraude, niet beter waren dan 'Goede Duitsers'. Dat dit soort vergelijkingen niet bijdroegen aan de zakelijkheid van de discussie, kan men zich voorstellen, te meer omdat Baltimore, zoals veel moleculair biologen, van joodse afkomst is.

Ook Stewart en Feder kwamen niet verder met hun actie dan een nieuwe commissie,dit keer van het National Institute of Health. Opnieuw werd geen enkele aanwijzing voor fraude gevonden. Hiermee was de kous af geweest, als de politiek zich niet van de kwestie meester had gemaakt in de persoon van het Congreslid John Dingell, voorzitter van een machtige Congrescommissie, waaronder ook het budget van het wetenschappelijk onderzoek valt.

Dingell was erop uit om misbruik van gemeenschapsgeld aan de kaak te stellen en de zaak-Baltimore leek een mooi voorbeeld daarvan: eerst was gemeenschapsgeld gebruikt voor wetenschappelijke fraude en vervolgens om die fraude in de doofpot te stoppen, vond Dingell. In de McCarthy-tijd hebben wij kunnen zien dat voorzitters van Amerikaanse Congres-commissies macht hebben. Ze kunnen stukken met een dwangbevel opvragen en iedereen dwingen als getuige op te treden. Ze kunnen de geheime dienst inschakelen om de authenticiteit van stukken na te gaan. Ze kunnen door een stroom van perslekken en oncontroleerbare beschuldigingen tegenstanders vermorzelen. Dingell wilde winnen en hij won, althans in eerste ronde. In het wetenschappelijk tijdschrift Science van 16 augustus 1996 wordt hij beschreven als 'every bit as bad as McCarthy'.

Inmiddels had het Amerikaanse National Institute of Health een Bureau voor Wetenschappelijke Integriteit opgezet. Met de hete adem van Congreslid Dingell in de nek, ging dit bureau voor de vierde keer de zaak-Imanishi-Kari onderzoeken. Dit keer werd het onderzoek geleid door een advocate, Suzanne Hadley, die nauw samenwerkte met de staf van Dingell. Hadley identificeerde zich sterk met Margot O'Toole en had weinig benul van wetenschappelijk onderzoek. In maart 1991 werd het voorlopige resultaat van haar onderzoek naar de pers gelekt: Imanishi-Kari werd schuldig bevonden aan fraude. Een belangrijk argument was het rapport van de geheime dienst, dat zou hebben aangetoond dat Imanishi-Kari verzonnen gegevens had toegevoegd aan haar proevenboek. Dat leek een sterk argument. De geheime dienst, dat klinkt solide. Ik geef toe dat ik toen ook aan Imanishi-Kari heb getwijfeld. Pas in hoger beroep bleek dat de geheime dienst geen flauw benul had van onderzoek. De dienst begreep niet dat een onderzoeker soms nagekomen resultaten later toevoegt aan een proevenboek en dat proeven daarom niet altijd in historische volgorde worden geboekt.

Een onderzoeker is geen notaris. In hoger beroep gingen de conclusies van de geheime dienst dan ook snel aan flarden. Voor het zover was, leek de fraude van Imanishi-Kari echter vast te staan. Baltimore werd scherp gekritiseerd voor zijn vasthoudende verdediging van een malafide collega en kreeg het moeilijk. Baltimore was in die periode een machtig man met uitgesproken meningen, die hij in invloedrijke adviesfuncties ventileerde zonder ooit een blad voor de mond te nemen. Hij heeft bijna altijd gelijk - ik ken hem al 34 jaar - en dat wordt hem niet in dank afgenomen. Mensen zijn vaak wat bang voor hem. Hij is vrij klein, maar als je een restaurant met hem binnenstapt, verstommen de gesprekken en snellen de obers toe. Er gaat een zekere dreiging van hem uit, als van een mafiabaas, gevreesd maar niet geliefd.

Wanneer je aangeschoten wordt, merk je wie je vijanden zijn en Baltimore had er veel. Hij werd gedwongen het Cell-artikel terug te trekken en afstand te nemen van Imanishi-Kari. Onder zware druk besloot hij af te treden als president van de Rockefeller University.

Daarmee had de affaire-Baltimore echter zijn dieptepunt bereikt en het tij keerde. Het Bureau voor Wetenschappelijke Integriteit van het National Institute of Health, dat de functie van aanklager en rechter combineerde zonder de aangeklaagden de kans op een goede verdediging te bieden, werd omgezet in een nieuw bureau met zorgvuldiger procedures, waaronder het recht op beroep. Het is dit college van beroep dat Imanishi-Kari nu op alle aanklachten heeft vrijgesproken, daarmee een lijdensweg van tien jaar definitief afsluitend.

Veel goede woorden had het beroepscollege niet over voor de partijen in het conflict. Het Cell-artikel, waar alles mee begonnen was, zit volgens het college vol met fouten. Dat komt door de slordigheid en onoplettendheid van de auteurs. Margot O'Toole krijgt een enorme veeg uit de pan: niet alleen trekt het college de nauwkeurigheid van haar geheugen in twijfel, het stelt ook vast dat haar sterke betrokkenheid bij het onderzoek haar een te groot belang bij de uitkomst heeft gegeven. De negentien vormen van wetenschappelijk wangedrag, waarvoor het Bureau voor Wetenschappelijke Integriteit Imanishi-Kari had veroordeeld, worden allemaal van tafel geveegd.

Wat is de moraal van deze treurige geschiedenis, die Imanishi-Kari alleen al een miljoen dollar aan advocaten heeft gekost en tien jaar van haar leven? Ik denk dat de belangrijkste les is dat de beoordeling van fraude bij onderzoek een ingewikkelde kwestie is, die het beste kan worden overgelaten aan geharnaste, ervaren onderzoekers, die weten hoe het toegaat in een onderzoekslaboratorium. Onderzoekers zijn vaak originele, maar slordige mensen. Sommige promovendi zijn van nature netjes, maar anderen maken er van de eerste dag af een keet van. Je kunt daar aan opvoeden en dat helpt ook wel, maar goede onderzoekers hebben een bepaalde stijl van werken. Die kun je niet veranderen zonder hun kwaliteiten als onderzoeker in te perken. Ik zou de gewezen promovendi van mij de kost niet willen geven die op een chaotische werktafel elegante proeven konden doen en die met een onoverzichtelijke administratie toch iedere proef feilloos wisten terug te vinden. Alleen een ervaren onderzoeker kan dan het verschil zien tussen slordigheid en het begin van oplichting.

Let wel ik heb het hier over fundamentele onderzoekers. Op het moment dat onderzoekers betrokken zijn bij kwaliteitscontrole op produkten voor maatschappelijk gebruik, bijvoorbeeld onderzoeksresultaten die voor patiëntenzorg gebruikt moeten worden, dan gelden andere eisen. Wie daar niet aan kan voldoen, hoort niet in een laboratorium voor toegepast onderzoek thuis.Deze zaak laat ook zien dat het riskant is om fraude te laten onderzoeken door mensen die te veel belang hebben bij de uitkomst van het onderzoek. Uiteraard wil niemand terug naar onderzoekscommissies die fouten toedekken, uit vrees dat de wetenschap in opspraak raakt. Maar onderzoekers die belang hebben bij een veroordeling, zijn ook gevaarlijk. Het is als in de wetenschap zelf: wie zich te veel identificeert met een theorie, kan blind worden voor gegevens die de theorie ontkrachten.

Een aanklacht wegens wetenschappelijke fraude vereist een zorgvuldige procedure, die snel wordt doorlopen. De aanklager moet beschermd worden tegen represailles, de aangeklaagde tegen laster. Vakkennis en onafhankelijkheid bij de beoordelingscommissie zijn nodig om fouten te voorkomen. Mijn indruk is dat serieuze onderzoeksinstituten, ook Nederlandse, zo'n procedure klaar hebben liggen.