De schuwheid van filmers voor historie

Nederland in de 20e eeuw. Zondag Nederland 1, 23.15-24.00u

'Televisie biedt de historicus weinig kans op grote, analytische betogen, is meer op beleving, op verhalen gericht', zegt Jan Bank, hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis in Leiden. “Op televisie moet je veel vormbewuster zijn dan in een historisch tijdschriftartikel, en zelfs in een boek”. Hij tekent voor de redactie van een tiendelige, documentaire serie van de TROS en Teleac die morgenavond op Nederland 1 zijn première beleeft: Nederland in de 20e eeuw.

Die eerste aflevering maakt al duidelijk wat Bank bedoelt: een voormalige arbeider aan de Afsluitdijk kan zijn tranen niet bedwingen bij de herinnering aan het sluiten van de dijk. Een voormalige visser schildert levendig de bestaansangst van de Volendammers, toen zij zich realiseerden dat de zeevis hen voortaan ontvallen zou. En dat alles binnen het thema “De inrichting van het land. Infrastructuur”.

Politieke geschiedenis blijft nadrukkelijk buiten de deur in de twee afleveringen van de serie die voor bezichtiging beschikbaar waren. De beoefende televisiegeschiedschrijving is ook niet chronologisch, ten gunste van sociale- en culturele thema's als sport, kunst, zedelijkheid of communicatie.

In de door Bank geschreven teksten, uitgesproken door Jeroen Krabbé en met interviews en archiefbeelden door Willy Lindwer tot een documentaire gemaakt, worden onconventionele keuzes niet geschuwd. In aflevering 1 krijgt de vaak behandelde Watersnoodramp van 1953 en de Deltawerken belangrijk minder aandacht dan de drooglegging en bevolking van de Noord-Oostpolder, de bouw en teloorgang van de Bijlmer of de acties tegen de aanleg van een autosnelweg door Amelisweerd. “Je kunt in de serie van een zeker overwicht van de huidige tijd spreken, waarbij ontwikkelingen worden teruggeprojecteerd”, zegt Bank. Dat geldt bijvoorbeeld in sterke mate voor aflevering vier, “Van het centrum naar de marge. Religie”, waarin wordt aangetoond hoe kerkelijkheid in Nederland van een vrijwel universeel verschijnsel tot een randverschijnsel is geworden. Opvallend is daarbij hoezeer verschijnselen als zondagse kerkgang als onderdelen van een voorbije, ons tegenwoordig welhaast vreemde cultuur worden gepresenteerd. Is dat niet wat overdreven? Bank: “Mijn eigen onderwijservaring heeft me geleerd dat het niet mogelijk is in dit opzicht bij jongeren iets bekend te veronderstellen”.

Bij het projekt “Nederland in de 20e eeuw” heeft het educatief streven de overhand gehad boven de wens, filmisch fraaie documentaires te vervaardigen. Niettemin lijkt de serie een nieuw teken van de toenemende belangstelling voor geschiedenis van documentaire-makers, zowel op televisie als in de bioscoop. De twee belangrijkste Nederlandse documentaires van het afgelopen jaar (Moeder Dao van Vincent Monnikendam en Slag op de Javazee van Niek Koppen) waren historische documentaires.

Jan Bank neemt die toenemende belangstelling ook waar in zijn nevenfunctie als voorzitter van het Stimuleringsfonds Culturele Omroepproducties, waar bijna elke financieringzoekende documentairemaker in Nederland met zijn plannen langskomt. Bank juicht de belangstelling voor zijn vak toe, maar plaatst een kanttekening: “de historische gevoeligheid ontbreekt soms. Er is niets tegen de vermenging van geschiedenis en fictie die filmmakers vaak voorstaan, zolang je maar weet wat je doet. De grenzen van historische fictie zijn al snel bereikt, en daarom kunnen filmers naar mijn oordeel eigenlijk niet zonder historici”.

In de geschiedwetenschap is de afgelopen jaren sprake van een herwaardering van het historische verhaal en zelfs voor historische romans en andere vormen van verbeelding. Bank kan zich zelfs als hoogleraar wel gedeeltelijk fictieve scripties en dissertaties voorstellen: “het gaat om het eindresultaat, en alles draait om de verantwoording. Ik denk trouwens niet dat we op de universiteit zulke projecten vlug zullen zien: met vier jaar studiefinanciering is er nauwelijks meer tijd om zulke experimenten te verwezenlijken”.

Er is dus, meent Bank, geenszins aanleiding om filmers het recht te ontzeggen hun verbeelding los te laten op historische onderwerpen, maar er zou iets voor zijn als zij daarbij - meer dan tot op heden - aan de inbreng van historici gelegen lieten liggen. Het Stimuleringsfonds hoopt in het voorjaar een studiedag van filmers en historici te beleggen, teneinde deze groepen nader tot elkaar te brengen. “Nu ontbreekt het vaak aan samenwerking”, aldus Bank. “Filmers voelen zich nog wel eens bedreigd door de historici, omdat zij vrezen deze met empirische bezwaren hun idee om zeep zullen helpen”.