De kracht van cohesie

In zijn kritische beschouwing in deze krant van afgelopen dinsdag over de Troonrede haalt hoogleraar Schuyt met grote instemming een eerdere en eigen tekst van de koningin aan, waarin zij heeft gezegd dat de samenleving scheuren gaat vertonen en uit elkaar dreigt te vallen. Ook volgens Schuyt zelf wordt de 'sociale cohesie' minder. In de Troonrede komt tweemaal het begrip 'sociale samenhang' in waarschuwende zin voor.

Zijn er harde aanwijzingen voor deze kennelijk zo alom heersende bezorgdheid? Het hang er natuurlijk vanaf wat je als tastbare bewijzen voor het bestaan of ontbreken van sociale samenhang ziet en op welk niveau - macro of micro - je er naar zoekt. Volgens de Troonrede is van sociale samenhang pas sprake als mensen “werkelijk samenleven”. Een loze uitspraak, want wat moet dat samenleven dan inhouden om samenhangend te kunnen zijn en hoeveel gradaties moeten worden doorlopen vóórdat het voldoende is om “werkelijk” genoemd te mogen worden? Mensen schrijven en zeggen soms toch maar wat.

Omdat in de Troonrede wordt verwezen naar “mensen” die werkelijk zouden moeten samenleven, denk ik dat het 't zinvolst is om naar tekenen van bestaan of ontbreken van sociale cohesie te zoeken op microniveau, want daar, in het dagelijks leven, is het duidelijkst zichtbaar hoe mensen met elkaar omgaan.

Nu is het ook dáár dat volgens de bezorgden het individualisme hoogtij viert en men zich voornamelijk laat leiden door eigenbelang.

Leven mensen dan misschien steeds liever in hun eentje? Nee. Hoewel er meer echtscheidingen plaats vinden dan dertig jaar geleden, hertrouwen de meesten. Het totaal aantal huwelijken neemt nog steeds toe. Ruim tachtig procent van de veertigers woont samen, getrouwd of niet. Voor degenen jonger dan 35, is samenwonen een gewoonte, al zijn daar geen officiële cijfers over bekend. Het aantal eenoudergezinnen is de laatste dertig jaar nauwelijks gestegen en zit tussen de zes en zeven procent. Uit diverse grootschalige jeugdonderzoeken in Nederland zowel als in internationaal verband blijkt “een gelukkig gezinsleven” bij adolescenten bovenaan het lijstje te staan van wat zij belangrijk vinden in het leven. En volgens onderzoek van het SCO Kohnstamm instituut gaat het tachtig procent van de gezinnen ook heel goed en voelen de ouders zich bijvoorbeeld uiterst bekwaam als opvoeders. Eerdere onderzoeken hadden al laten zien dat tussen tachtig en negentig procent van de jongeren het goed kan vinden met de ouders, zich door hen gesteund voelt en na schooltijd graag naar huis gaat. Aardig in dit verband is het gegeven uit het laatste Sociaal en Cultureel Rapport dat alle leeftijdsgroepen sinds 1980 uithuiziger zijn geworden behalve de jeugd. Je zit kennelijk wel goed thuis.

Nu zou een tegenwerping kunnen zijn dat het gezin toch wel een egocentrisch wereldje vormt. Dus laten we een kring verder kijken: de grootouders. Psychologe Pearl Dykstra deed voor haar promotie in 1993 onderzoek naar de relatie tussen bejaarden en hun kinderen. Van de vijfduizend bejaarden had slechts acht procent geen wekelijks contact. In het algemeen waren de jongere grootouders een steun voor hun kinderen en kleinkinderen, oma paste op kinderen, opa hielp bij klusjes in huis. Omgekeerd vonden de oudere grootouders praktische zorg en emotionele hulp bij hun volwassen kinderen. De onderzoekster in een interview in Elsevier: “Ik gruw van het woord individualisering”.

Ook binnen de verdere familiekring van broers, zusters, kleinkinderen, neven en nichten kan men een beroep op elkaar doen. In hetzelfde Elsevierartikel wordt een onderzoek aangehaald van de universiteit in Tilburg waaruit men kan concluderen dat hechte families eerder regel zijn dan uitzondering.

Maar ook vrienden en buren zijn er niet alleen voor het plezier en worden zo nodig gesteund. “Gebrek aan naastenliefde kan de Nederlandse samenleving niet verweten worden. Het aantal mensen dat zich bekommert om een hulpbehoevend medemens uit de directe sociale omgeving beloopt maar liefst 1,3 miljoen.” Zo begint een recent artikel van psychologe Hendrikje Boetskes in het tijdschrift Psychologie over de zogeheten 'mantelzorg'. Zij beschrijft daarin hoe de helpers zo'n plichtsbetrachting aan de dag leggen dat zij soms zelf in de problemen komen. Ook voor de toekomst is er geen reden tot bezorgdheid. In de eerder genoemde Nederlandse jeugdonderzoeken staat 'klaarstaan voor andere mensen' als mooie nummer twee op het lijstje van wat de jongeren na het gezin als belangrijk in het leven willen nastreven.

Critici als Schuyt zouden kunnen tegenwerpen dat het toch allemaal wel wat kleinschalig gericht blijft op de eigen verwantschap. In biologisch opzicht kan men hier inderdaad van individualisme spreken: van de zorg voor familieleden profiteren ook de eigen genen. Maar ik geloof niet dat genoemde critici dat bedoelen.

Tot hun geruststelling kunnen echter misschien enkele gegevens uit het laatste Sociaal en Cultureel Rapport dienen. Sinds de jaren zeventig is het lidmaatschap van vrijwilligersorganisaties en het actief deelnemen aan zulk werk buiten de eigen familiekring gestegen. Het percentage hoort tot de hoogste van Europa. Steeds meer mensen worden lid van een ideële organisatie ten bate van het welzijn van het mensdom in het algemeen. Foster Parents Plan is een mooi voorbeeld. Met 370.000 financieel geadopteerde kinderen levert Nederland niet alleen relatief maar ook absoluut de grootste bijdrage, vergeleken met landen als VS, Canada, Engeland, Frankrijk, België, Duitsland en Japan.

Nog één gegeven uit het Sociaal en Cultureel Rapport: na jaren waarin het publiek instemde met grotere ongelijkheid van inkomen vindt men nu dat er voldoende is genivelleerd en met name uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid moeten worden ontzien. Zoals de Volkskrant samenvattend schreef: “Van een samenleving in ontbinding lijkt geen sprake”. En: “Solidariteit is, verrassend genoeg, weer een trendy idee”.

Maar of dit voor de regering allemaal “werkelijk” genoeg is, weet ik niet.