De flexiprof

IN DE BEGROTING van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen die op Prinsjesdag aan de Staten-Generaal is aangeboden, staat onder het kopje 'Mobiliteit' in de paragraaf over het wetenschappelijk onderwijs te lezen: “Voor de universiteiten is het de bedoeling in overleg met de VSNU maatregelen te treffen die de mobiliteit binnen de instellingen vergroten, opdat de kwaliteit van de universitaire kerntaken onderwijs en onderzoek kan worden verbeterd.”

Dat is niet erg uitgewerkt en het is ook rijkelijk abstract.

Maar de inkt van dit beleidsstuk was nauwelijks droog of de directeur van de Vereniging van Samenwerkende Universiteiten (VSNU) kon gisteren al commentaar geven op een verstrekkend voorstel van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam. Nieuw aan te stellen hoogleraren zouden niet langer voor het leven moeten worden benoemd, aldus dit college. Na tien of vijftien jaar zouden hoogleraren hun 'positie voor het leven' kunnen verliezen na een interne beoordeling of als hun leerstoel wordt opgeheven. Dan staat voor hen de rang van universitair docent open. Dit alles heeft het Amsterdamse college van bestuur neergelegd in het 'concept-Instellingsplan 1997-2001'.

HET IS EVEN schrikken, zo'n voorstel, maar het verdient steun als we de normen van de prestatiemaatschappij tenminste van toepassing achten op een professionele organisatie als de universiteit. De universiteiten kampen met een sterk vergrijzend bestand aan wetenschappelijk personeel. In combinatie met een structurele krimp - onder invloed van een dalend aantal studenten - leidt dat er onvermijdelijk toe dat voor jong wetenschappelijk talent de deuren nagenoeg gesloten blijven. De 'formatie-prop' aan de top van het wetenschappelijk personeel is zo omvangrijk dat er voor veel jong talent geen reëel perspectief bestaat op een carrière aan de universiteit.

Daar komt bij dat het niet bij voorbaat vaststaat dat een eminente, jonge geleerde zijn hele leven lang wetenschappelijk werk op datzelfde hoge niveau zal kunnen afleveren. Wetenschappelijk talent kan opdrogen. In de huidige situatie blijven de universiteiten met dergelijke 'tegenvallers' opgescheept, tot schade van de vakgroep en het lopende onderzoek.

Sinds de visitatiecommissies van de VSNU met hun rapporten zijn gekomen, hangt het lot van een onderzoeksgroep steeds meer af van de kwaliteit van onderwijs en onderzoek, en de hoogleraren spelen daarin een belangrijke rol. Aan hen mogen dus hoge eisen gesteld worden, zij bepalen het lot van een hele groep.

De nu in Amsterdam voorgestelde remedie zal hard aankomen bij al diegenen die het professoraat beschouwen als een onaantastbare verworvenheid. Een toets van die prestaties na tien of vijftien jaaar zal dan ook met de grootste precisie en zorgvuldigheid moeten worden uitgevoerd. Het Amsterdamse college van bestuur lijkt niet zoveel te zien in de visitaties van de VSNU. Nu zal op die visitaties het nodige zijn af te dingen, maar het in eigen huis regelen van de toetsing van wetenschappelijke prestaties - met mogelijk verstrekkende gevolgen - zal een bron van bittere conflicten zijn.

EEN PROBLEEM IS ook dat hoogleraren extra eisen zullen stellen aan hun werkgever als zij zich bedreigd zien met zware sancties. Het doen van goed onderzoek en het geven van onderwijs verdragen zich nu eenmaal niet gemakkelijk met allerlei bestuurs- en beheerstaken. Of zal in de finale beoordeling een mix van maatstaven worden gehanteerd ten aanzien van onderzoek én onderwijs én bestuur?

Om de discussie los te wrikken over een onaantastbaar geacht instituut, het professoraat voor het leven, verdienen de Amsterdamse voorstellen alle aandacht. Een vastgeroest personeelsbestand is de dood in de pot voor elke organisatie, en zeker ook voor een zo dynamisch bedrijf als de universiteit.