Altijd kijken

Het was in de tijd dat de Nederlandse televisie nog twee kanalen had. Nico Scheepmaker citeert een kind dat aan haar moeder vraagt: “Waar keken jullie eigenlijk naar als je naar de radio luisterde?' Ja, naar wat, naar wie? Dit is zo'n vraag die beter is dan het antwoord. De mensen keken naar het werkje waar ze mee bezig waren - breien, knutselen, een broek verstellen, een kruiswoordpuzzel.

Ze keken in hun boek, naar elkaar als ze door de radio heen met elkaar praatten. De radio laat dat allemaal toe. Toen er alleen nog radio was kon iedereen alle kanten op kijken. Naar de radio keek je alleen als je aan een knop draaide.

Een jaar of tien geleden was ik beroepshalve op bezoek bij een Poolse minister. Zijn kamer had de onherhaalbare grauwheid die de kantoren van alle overheden in alle landen van het oostblok eigen was. Hoe ze het deden wist je niet. Vaak waren de regerings- en partijbureaus gevestigd in een prachtig oud gebouw van een ancien régime. Parket, lambrizering, ornamenten, engeltjes aan het plafond, en dat alles vaak ook zorgvuldig onderhouden. Toch was het er volksdemocratisch grauw - een grauwheid die zich aan alle kleuren meedeelt - en het rook er naar uien en oude koffie.

In zo'n kantoor zat ik. Naast me stond ter hoogte van mijn hoofd een televisietoestel groot formaat. Het stond aan, het mompelde in gedempt Pools, zo zacht dat het voor mijn gastheer niet te verstaan was, waaruit ik opmaakte dat het een programma van geen belang was. Ik legde het doel van mijn bezoek uit. Hij keek naar de televisie. Ik stelde een vraag, hij gaf uitvoerig antwoord, het werd een gesprek. Hij keek naar de televisie. We namen afscheid, drukten elkaar de hand. Hij keek naar de televisie.

Een niet zo beleefde minister, zal men zeggen. Nee, een mens uit het laatste kwart van de 20ste eeuw. Ik had me voorgenomen, nooit meer iets over televisie te schrijven, niet over slechte en prachtige programma's, de schijnheilige tronies van de reclame, de verstandige blik van de weerman, het zappen of wat dan ook dat met de televisie te maken heeft. “Als het proza van de columnist de blauwe glans van het beeldscherm begint te vertonen is het tijd voor hem geworden, zich te laten nakijken”, heeft Tom Wolfe geschreven. Ook dus geen stukjes meer waarbij ik iets wat ik per ongeluk op de televisie heb gezien als aanleiding gebruik. Dit gaat dan ook niet over wat de mens van het medium heeft gemaakt maar wat het medium van de mens heeft gemaakt.

Bijna iedere Nederlander die ouder is dan een jaar of dertig heeft weleens van Amy Groskamp-ten Have gehoord, de schrijfster van Hoe hoort het eigenlijk?, het naslagwerk, de reisgids door de wereld der nette mensen van de jaren dertig. Moest je bij het thee drinken de pink van je hand die het oor van het kopje vasthield omhoog houden of in het gelid? Wat moest je doen als je aan een diner naast iemand zat die eerst hard in de hete soep blies en dan van haar lepel slurpte? De antwoorden staan in dit boek. Bovendien kon je uit wat de mensen niet volgens haar regels deden, van alles over hun komaf opmaken.

Na de oorlog is veel gerestaureerd maar het sociaal reglement van de jaren dertig viel niet te redden. Dat heeft twee oorzaken: onvermijdelijk worden in een oorlog de omgangsvormen ruwer, en met de daarna aangebroken welvaart is allerlei gereedschap in omloop gekomen dat nieuwe regels vergde. Het beproefd systeem van overlevering heeft zijn kracht verloren; gaandeweg ontstaan er nieuwe regels voor de nieuwe dingen en de toestanden die ze veroorzaken. Frisdrank in blik en kleine bronwaterflesjes maken het lopend drinken in het openbaar mogelijk. Hoort het? Moet je, als je zelf lopend aan het drinken bent en je komt iemand tegen die je kent, vragen of het hem hindert? Bier drinken uit de fles, begonnen in de Newyorkse bars van de Village, is in sommige Amsterdamse kringen een must, maar het opsteken van een sigaret is verboden. Alleen nog heel slecht opgevoede mensen beginnen in gezelschap te roken zonder aan allen te hebben gevraagd of ze 'er hinder van hebben'. Heeft er één hinder dan wordt er niet gerookt.

Nu was het in de dagen van de Tour de France, Wimbledon en andere internationale kampioenschappen. Er zijn mensen die niet van sport houden en bovendien toen een fysieke haat hadden ontwikkeld tegen de altijd overspannen, crescendo kakelende sportverslaggeversstemmen. Overal stond de televisie aan, 's ochtends bij de start, 's middags bij het verloop der gebeurtenissen tot dusver, aan het begin van de avond bij de finish en tegen middernacht bij de samenvattingen. Hoeveel bossen zijn er omgehakt om het papier te maken dat nodig was om de onzin van al die verslagen af te drukken? Laten we daar niet aan denken; sportkaternen kun je weggooien. Maar de televisie van je gastheer? Mag je, als het hele gezelschap de glazige blik op het scherm houdt of, toch nog in gesprek, stiekem uit een ooghoek kijkt, het ding zelf afzetten? Het valt niet aan te raden het te proberen. Hindert het u dat ik kijk? Ik heb er geen woorden voor.