Verre van boos

Diep onder de grond klopte de aardworm op de deur van de mol.

“Mol”, zei hij. “Heb je zin om te dansen?”

Hij hoorde niets.

Hij legde zijn oor tegen de deur en hoorde de mol snurken. Ik moet harder kloppen, dacht hij.

Hij klopte heel hard en riep: “Mol! Mol!”

Maar de mol sliep nog steeds.

Ik moet nog harder kloppen, dacht de aardworm. Hij leunde tegen de zware, aarden deur. Ik klop al zo hard als ik kan, dacht hij. Hij keek naar de grond en dacht na.

Als ik boos ben, echt boos, dacht hij, dan kan ik verschrikkelijk hard kloppen. Hij knikte. Maar hoe word ik boos? dacht hij.

Hij kneep zijn ogen dicht, krabde achter zijn oor en begon aan de zon te denken. Ongevraagd stapte de zon zijn huis in en zei: “Zo, aardworm, hier ben ik. Je grootste vijand.” Met zijn nieuwsgierige stralen scheen hij in alle hoeken en onder de tafel achter de kast.

Toen werd de aardworm zo boos dat hij in volle vaart tegen de deur van de mol opliep en er dwars doorheen vloog.

Midden in de kamer van de mol kwam hij op de vloer terecht. De resten van de deur vielen om hem heen en de mol schrok wakker.

“Wat?” zei hij, met slaperige ogen. “Hè?”

“Ik wou...”, zei de aardworm, die niet boos was, “ik bedoel...”, terwijl hij de resten van de deur van zich afsloeg, “heb je zin om te dansen?”

“Dansen?” vroeg de mol.

“Ja”, zei de aardworm zachtjes.

De mol zag het gat in zijn deur, de berg aarde op zijn vloer, en het zwarte stof dat nog steeds neerdwarrelde.

“Ik hèb geklopt...”, mompelde de aardworm.

“Ik sliep zeker”, zei de mol.

“Ja”, zei de aardworm. “Je sliep.”

Ze zaten stil op de grond. De aardworm beet op zijn lippen en probeerde nergens aan te denken, en de mol geeuwde en wist nog niet precies waar hij was en wie hij was.

“Kom”, zei de aardworm na een tijd. “Ik ga weer eens.”

“Wat kwam je ook maar weer doen?” vroeg de mol, terwijl hij zich uitrekte.

“Dansen”, zei de aardworm, terwijl hij naar de grond keek.

“Dansen?” vroeg de mol. Hij tuitte zijn mond, kneep zijn ogen even dicht, geeuwde nog een keer en zei: “Je bedoelt dánsen?”

“Ja”, zei de aardworm. “Dansen.”

“Goed”, zei de mol.

Hij stond op, veegde de aarde naar de kant en legde zijn arm om het middel van de aardworm.

“Ik dacht dat ik sliep”, zei hij. “Raar, hè? Vind je niet?”

“Ja”, zei de aardworm.

Ze maakten een paar zwierige passen en dansten door het gat in de deur de gang op. Ze dachten, al dansend, aan duisternis en fluisterden donkere woorden in elkaars oren.

“Soms”, zei de aardworm, “ben ik heel boos.”

“Ik ook”, zei de mol.

“Maar nu niet”, zei de aardworm.

“Nee, nu niet”, zei de mol.

“Nu ben ik verre van boos”, zei de aardworm.

“Ja”, zei de mol.

Zo dansten ze verder, gang in, gang uit, zaal in, zaal uit, onder de grond, waar zij woonden.