Verlangen naar Vermeer; Het weerbarstige schilderen van Gary Hume

Gary Hume schildert vrolijke voorstellingen - een baby, een konijntje, een Madonna, in vrolijke kleuren. Toch stemt zijn werk, dat nu in Maastricht is te zien, treurig. “Hume's schilderijen kaatsen de blik terug.”

Gary Hume: schilderijen. Bonnefantenmuseum, Avenue Céramique 250, Maastricht. T/m 23 nov. Di t/m zo 11-17u.

'Zeer geachte meneer Vermeer, zou u alstublieft even de tijd willen nemen om naar mijn werk te kijken. Ik hoop vurig dat u geen aanstoot zult nemen aan mijn schilderijen. Het zou zo bemoedigend zijn wanneer u begrijpt wat ik aan het doen ben, wat voor lichtwerking ik in mijn schilderijen probeer te brengen.'

Gary Hume zegt het in diepe ernst, zijn stem dalend tot een fluistertoon. Hij zou zo vreselijk graag weten wat de meester van zijn schilderijen denkt.

De 34-jarige Engelse kunstenaar is in Maastricht om een tentoonstelling van schilderijen uit de afgelopen drie jaar in te richten. Het zijn spannende tijden voor hem, want Hume is samen met Douglas Gordon (29), Simon Patterson (29) en Craigie Horsfield (46) genomineerd voor de Engelse Turner Prize, die bestaat uit 20.000 pond en een solotentoonstelling in de Tate Gallery in Londen. In oktober is daar al een presentatie van de vier genomineerden te zien. Op 26 november wordt de winnaar bekend gemaakt.

Het verbaast dat Hume juist de goedkeuring van Vermeer zoekt, want zijn panelen kunnen gerust een pervertering van de oude schilderkunst worden genoemd. Pervertering is een harde term, maar Hume's schilderkunst is dat ook: hard en afstotend. Van penseelschilderen om maar iets te noemen, van toucher en textuur, wil Hume niets weten. Hij bouwt een schilderij op door eerst met een siliconenpasta, direct uit de tube geknepen, de contouren van de voorstelling te tekenen, en vervolgens verf tussen de lijnen op het op de grond liggende paneel te gieten. Die verf is meestal hoogglanzende huisschilderverf of lak in bonte kauwgomkleuren.

De verdere uitwerking van de compositie beperkt Hume tot het trekken van lijnen in de nog niet helemaal opgedroogde verflaag. Het zijn dus vooral de harde kleurcontrasten die de compositie bepalen, bijna op een abstracte manier, zonder modelé of enige suggestie van diepte, terwijl alle voorstellingen toch figuratief zijn. Zo zweeft bijvoorbeeld een roze gezicht op een meloenoranje fond. Het heeft een groene mond, maar de ogen en neus vallen nauwelijks op omdat ze met een spatel in het roze zijn gedrukt. Het is een volkomen anoniem gezicht.

Stripschilderstijl

Hume lijkt met zijn stripschilderstijl op het eerste gezicht stevig geworteld in de traditie van Pop Art. De motieven, zoals gezichten van Twiggy-achtige fotomodellen, zijn vaak ontleend aan glossies en filmstills. Ook konijntjes uit prentenboeken en knuffelbeesten komen regelmatig voor. En af en toe leent Hume een voorstelling uit de kunstgeschiedenis, zoals het Meisje van Vermeer, of een portret van de hand van Petrus Christus.

Hume schildert op panelen van hardboard of aluminium. Weerbarstige materialen zijn dat, letterlijk ontoegankelijk, want ze nemen geen verf op. Het aluminium weerkaatst bovendien al het licht, het stoot de verf als het ware af. Hume gebruikt deze voor schilderen in feite ongeschikte materialen omdat hij per se iedere suggestie van diepte wil vermijden. Hij wil geen schilderijen maken 'waar je in rond kunt wandelen', zoals hij het noemt. Daarom moeten zijn schilderijen hard en gesloten zijn, ze kaatsen de blik terug. Dit vooral is een radicale omdraaiing van het schilderen uit de tijd van Vermeer, want dat was juist volledig gericht op het illusionistische herscheppen van de zichtbare wereld op een doek. Zeventiende-eeuwse schilderijen als Het gezicht op Delft laten bovendien een wereld zien waarin alles zijn plaats heeft, ze tonen de wereld als een afgerond en volgens goddelijk plan geordend geheel. Hume wil helemaal geen wereldbeeld oproepen, want hij hééft er geen. “Ik ben gewoon een plaatjesmaker”, zegt hij. Maar een gewone plaatjesmaker is hij juist niet. Hume's schilderijen lijken zichzelf te ontkennen. Je kunt er geen grip op krijgen, ze ontglippen je, als schaduwen. Met een sterke belichting zie je zelfs nauwelijks iets. En de motieven blijven contextloos, ze zweven in een luchtledige. Deze schilderijen zeggen: er is geen werkelijkheid die afgebeeld kan worden. Hooguit kan de schilder hier en daar een fragmentje plukken uit een chaotisch, voortdurend veranderend geheel. En dat is wat precies wat Hume doet.

Bloemenweelde

Dat de schilderijen van Hume desondanks geen tegenzin oproepen, komt doordat ze ontwapenende onschuld suggereren. Een 'Madonna', waarvan de voorstelling zó sterk vereenvoudigd is dat het schilderij de kracht heeft van een ikoon, moet natuurlijk wel onschuldig zijn; maar het zwarte spook dat in Garden Painting no. 4 door het struikgewas heen loert, is dat ook. De baby, het konijn, de geit met zijn sik, allemaal zijn ze ontroerend kwetsbaar. Hume kan zelfs een bodybuilder onschadelijk maken. Een heldhaftige, halfgedraaide tors (in Love love's unlovable), die verrassend genoeg is ontleend aan een foto van een Italiaans beeldhouwwerk uit de tijd van Mussolini, omringt hij met bloemen, en reduceert hij tot een tweedimensionale verschijning. De krachtpatser is niet meer dan een silhouet temidden van een uitbundige bloemenweelde.

De schilderijen van Hume ogen dus vrolijk en opgewekt, met al die kleuren en kinderlijke plaatjes, maar uiteindelijk stemmen ze treurig. Want ze zijn niet meer dan buitenkant, vlakke verschijningen. Hume wil zo graag weten wat Vermeer van zijn werk denkt, omdat hij Vermeers principes precies 180 graden heeft omgedraaid. Terwijl het licht van Vermeer de blik verleidt en die andere wereld binnenlokt, stoot het schelle licht van Hume af. Het houdt de deur gesloten. Hume heeft het oude schilderen binnenste buiten gekeerd, er is bij hem niets van overgebleven dan een lege huls. Je zou kunnen zeggen, en de woorden van Hume bevestigen dat, dat uit deze schilderijen een machteloos verlangen spreekt naar de volheid van weleer, naar de zinvolle samenhang die schilders vroeger aan de wereld konden geven. In die zin is het werk van Hume, hoe gek het ook mag lijken, één doorlopend eerbetoon aan Vermeer.