Verdichte gedichten van Kouwenaar; Talig tasten naar een rijpe meloen

Gerrit Kouwenaar: De tijd staat open. Querido. 48 blz., ƒ 35,-

Het wordt vaak gezegd, ook door de dichter zelf: de poëzie van Gerrit Kouwenaar is van taal gemaakt, - dus niet van stemmingen, gevoelens, gebeurtenissen of meningen. Er is bij hem niet eerst een aanleiding, waarvoor later woorden worden gezocht, maar omgekeerd: eerst is er taal en het kneden ervan, dan komt de aanleiding als het ware vanzelf. 'Op de een of andere manier moet je de taal zo buigen en uit elkaar trekken en weer in elkaar duwen dat zij als materiaal bruikbaar wordt', zei Kouwenaar in 1993 in een interview. Pas in en uit dit geduw en getrek ontstaat zoiets als een betekenis en een bewering. 'Uiteindelijk moet de taal het doen, en daar zit ik dan een beetje slaperig bij.'

Het is een mooie werkverdeling en ook een typisch modernistische gedachte, en er zijn genoeg plaatsen in Kouwenaars poëzie aan te wijzen waar met dit uitgangspunt gespeeld wordt, maar toch is het niet veel meer dan een schema. Taal alleen bestaat niet, behalve dan in woordenboeken en kruiswoordpuzzels. In de praktijk kan Kouwenaars zogeheten taligheid alleen maar bestaan bij de gratie van een min of meer normale context waartegen zij kan afsteken. 'Van woorden gemaakt' is de veelzeggende titel van een afdeling in zijn nieuwe bundel De tijd staat open, maar het is curieus genoeg wel de afdeling waarin nu juist de gelegenheidsgedichten zijn ondergebracht. 'Dag van de doden', geschreven voor de dodenherdenking op 4 mei, mag van woorden gemaakt zijn, maar de bittere aanleiding klinkt in iedere regel mee. Elders lezen we: 'men proeft het rijpe woord meloen'. Daarmee kan een talig tasten aangeduid zijn, maar de context maakt aannemelijk dat er in deze regels ook een echte meloen bij de dichter op tafel moet hebben gelegen, waarvan wel degelijk geproefd is.

Het is denk ik niet de taligheid die Kouwenaars poëzie zo bijzonder maakt, maar eerder de voortdurende afwisseling: tussen de neiging om beweringen te doen en deze vreemde poëticale tic die zich op gezette tijden aandient. Het is die vermenging die voor de mooiste en wonderlijkste effecten zorgt. Humor bijvoorbeeld, en schoonheid, beide van het onthechte type. In het titelgedicht wordt, voorzover mogelijk, stilgestaan bij de tijd die maar doorsnelt. We horen gemor, onder andere om het feit 'dat de groene woorden als kersen bederven': een mooie formulering voor de traagheid van de dichter, danwel de haast van de werkelijkheid. Als zijn taal nog groen is, als hij nog op zoek is naar het juiste woord, als zijn gedicht nog moet rijpen, dan hangen de kersen die hij ermee wilde beschrijven buiten alweer in de boomgaard te rotten.

Een ander gevolg van deze verbinding tussen taal en werkelijkheid is vervreemding. In een tamelijk anekdotisch gedicht zien we de dichter in de schemering een berg beklimmen en dan weer naar huis terugkeren. Mist drijft het dal binnen, maar we lezen: 'in de regel huiswaarts begint het te misten'. De woorden in de regel verwijzen naar de regel van het gedicht, dat hier inderdaad op zijn einde begint te lopen en dus als het ware ook huiswaarts keert. Het gegeven valt samen met de beschrijving, en dat is altijd een wonderlijke ervaring. Maar het effect ervan is hier toch ook ontnuchtering, als van een ouderwetse verteller die zijn toehoorders er al voor de ontknoping op wijst dat ook dit verhaal nu zijn einde begint te naderen.

Kouwenaar dwingt zijn lezers er toe voortdurend alert te zijn, op hun hoede voor onverwachte ontregelingen, en nu weer eens letterlijk, dan weer figuurlijk te lezen - en vaak ook beide tegelijk. Zijn gedichten gaan van knooppunt naar knooppunt. Bij elke knoop kan een elementaire bewering op de loer liggen, of een paradox, als zijn knopen zich tenminste al laten ontrafelen. 'Gehoorzaam wat plaatsvindt' lezen we ergens, onmiddellijk gevolgd door een tegenovergestelde opdracht: 'ontaard het gewone'. In het openingsgedicht wordt vastgesteld hoe 'de tijd/ steeds sneller zich inhaalt zich uitstelt', en ook dat is een regel die zich niet vlot laat vatten. 'Wees onverdicht': ook een aardig bevel in deze extreem verdichte gedichten. Geknoopte netten zijn het, webben van betekenis.

Men kan ze moeilijk anders dan van een afstand en vertraagd lezen, en daar moet het Kouwenaar uiteindelijk om te doen zijn: om afstand, uitstel, vertraging. Halve zinnen, aanzetten, imperatieven, stellingen, omkeringen, gedachtenstrepen en afbrekingen: het is in zijn eigen woorden allemaal 'uitstel van afstel', het zijn allemaal kunstgrepen die leiden tot 'papdikke zwijgtaal', bedoeld om de tijd op zijn staart te trappen. Daarin schuilt het wonderlijke effect van Kouwenaars moeilijke en moeizame poëzie: in het tastbaar maken van tijd. Dit zijn grote woorden, maar het gaat dan ook om een zeldzaam en mysterieus verschijnsel, waarover alleen vergelijkenderwijs gesproken kan worden: stroperigheid, papdikte, indikken, een bijna lijfelijke ervaring van hoe tijd, voortgang, snelheid vertraagd wordt. Pompend remmen, dat is wat Kouwenaar doet. Of, zoals de nachtschade in een van deze gedichten, 'aan zijn leven hangen'. Die uitdrukking wijst op verknochtheid, maar mag hier vast ook wel letterlijk gelezen worden: vastklampen aan het leven, aan de staart gaan hangen om het zoveel mogelijk af te remmen.

'Er is overal noodweer': zo luidt de titel van een gedicht. Behalve een meteorologische verzuchting is het ook een uitspraak van de dichter over de aard van zijn werk: in deze gedichten wordt voortdurend uit noodweer gehandeld, poëzie gebruikt als een weermiddel tegen de snelle tijd. Het thema van de onachterhaalbare tijd is niet nieuw, maar anders dan in de traditionele poëzie (zie Bloem, zie Rawie) wordt het niet benoemd, maar tot een ervaring gemaakt. De bijbehorende sentimenten en uitvluchten zijn niet helemaal afwezig, en ook Kouwenaar vlucht tussen de regels door wel eens stiekem in nostalgie, slaap of gedachteloosheid: simpel zitten aan de oever van de tijd en zien hoe hij voorbijstroomt, 'en wij daar maar zitten'. Maar hij verliest zich er niet in. Het is indrukwekkend om te zien hoe hij zijn gang blijft vertragen, zijn beelden erin blijft hameren, nuchter en niets ontziend de waarheid van een naderend einde onder ogen wil zien: 'dat ledig de dar door de weefster omarmd// dat in het huis de spiegel zich afkeert/ dat buiten de verte stokt voor het hek - '

Verlies, verval, ouderdom, dood: het wordt allemaal met een zekere verbazing geconstateerd en vervolgens droog, ingehouden, bijna met tegenzin genoteerd. 'Niet na te vertellen' en 'niet te rijmen', zegt Kouwenaar in het hierbij afgedrukte gedicht, maar hij doet zijn best. Op een winteravond aandachtig zitten kijken naar het verbranden van de verkankerde stam van de oude vlier: er is niet veel voor nodig om hierin de symboliek te zien. 'Dit trage eenzelvige afscheid' slaat over op de dichter, alleen met zijn doodsgedachten, omringd door een heden waarin de radio vrolijk speelt en de zevenslaper weer gewoon uit zijn winterslaap ontwaakt. Het leven gaat door, de tijd staat niet stil - en deze dichter maakt zichzelf niets wijs. Even lijkt het erop, vlak voor het einde, dat de tijd stil gaat staan, als in de donkere slaapkamer het horloge ophoudt met tikken. Maar dan is er onmiddellijk een andere, minder kunstmatige klok die het tikken overneemt: de houtworm knaagt rustig en regelmatig door, ook als iets of iemand in de kamer voorgoed zijn adem inhoudt. Alleen de vergankelijkheid is onsterfelijk.

Een winteravond

Lang zitten kijken hoe de verkankerde stam van de oude vlier verbrandde niet na te vertellen dit trage eenzelvige afscheid deze vanzelfsprekende geboorte van as en niet te rijmen hoe onderwijl naast de tijd in een belendend dichtgesneeuwd heden de zevenslaper ontwaakte en de radio het lied zong van de fonkelende beker en hoe later de witte kamer zwarter en later dan ooit was en het lichtgevend horloge zijn adem inhield, luisterend naar de onsterfelijke klok van de houtworm - Uit: Gerrit Kouwenaar, De tijd staat open