Touwtrekken is niet voor iedereen een boerensport

In Slagharen worden de wereldkampioenschappen touwtrekken voor club- en landenteams gehouden. 'Dames en heren, de Sleurgrieten uit België hebben de eerste trekbeurt gewonnen!'

SLAGHAREN, 20 SEPT. Geeske Bergsma laat haar handen zien. Ingescheurde nagels, wondjes, schrammen en krassen. Een paradijs voor een pedicure. “Nee, het zijn geen huishoud-handjes.” Bergsma is net met haar zeven ploeggenoten van de TTV Teerns wereldkampioen geworden in de 560-kiloklasse. En dan is het uiterlijk even niet belangrijk. Straks mag er worden gedoucht.

Sommige vrouwen op het wedstrijdterrein in Slagharen zijn wanneer ze aan het touw hangen niet te onderscheiden van mannen. Ze schreeuwen als dokwerkers, hebben dijen als boomstammen, dragen weinig elegante banden om de knieën en soldatenkistjes aan de voeten. Daarnaast krijgt elke deelnemer twee fikse stempels op hand en bovenbeen ten bewijze dat de weging in de vroege ochtend goed is doorstaan. Wie als vrouw bang is om niet mooi gevonden te worden en er vies van is voor elke partij haar handen diep in de kleverige pot met hars te stoppen, kan beter niet gaan touwtrekken.

Alle touwtreksters als mannelijke types te bestempelen, voert te ver. Zo is bij verliezend finalist TTV Vechtlust de achterste dame, die de ankerman wordt genoemd, fel opgemaakt. “Dat moet ieder voor zich weten”, zegt Geeske Bergsma. “Wij hebben ook meisjes met zwarte strepen onder de ogen. Ik roep voor een wedstrijd weleens: dames, we zijn hier niet voor de mooiigheid.” Zelf draagt de 39-jarige Friezin - “trekkerchauffeur” zoals ze haar beroep kwalificeert - een gouden knopje in één van haar neusvleugels. Maar van lippenstift en andere 'poespas' houdt Bergsma niet.

Ze is wel heel blij met de eerste plaats. Bij de weging bleek haar ploeg liefst 35 kilo onder het toegestane totaalgewicht van 560 kilo te zitten. Toch zijn de acht van Teerns de sterksten. Bergsma: “Wat ons geheim is? Ik zou het echt niet weten.” Het zal nu wel tijd zijn de overwinning te vieren. “Nee, morgen moeten we weer trekken.” Ze legt één van haar handen op de gouden medaille die op haar borst hangt. “En hier gaat het allemaal om!”

Dus waag het niet touwtrekken een circusnummer of kermisattractie te noemen. De sport was eerder een olympisch onderdeel dan basketbal, hockey en volleybal. Tug-of-war is de internationale benaming, hetgeen betekent 'het heetst van de strijd'.

Touwtrekken is een eerlijke en simpele tak van sport, met acht mannen of vrouwen aan de ene kant van het 36 meter lange touw en acht aan de andere kant. De ploeg die na het teken pull van de scheidsrechter als eerste vier meter terreinwinst boekt, wint de wedstrijd. “Het is de enige sport waarin je kunt winnen door achteruit te gaan”, zegt de Australische Corinne Dowerty lachend. “Dat is heel aantrekkelijk.”

Van alle 3.000 deelnemers in Slagharen heeft zij met haar ploeggenotes het langst moeten reizen om aan de WK te kunnen meedoen. De ploeg uit de buurt van Brisbane, Canungra genaamd, was een etmaal onderweg. De vliegtickets moesten zelf worden betaald omdat de Australische bond slechts 750 dollar bijdroeg. Om de kosten te drukken zamelden de touwtreksters thuis geld in door een loterij te organiseren en aan de deuren repen chocolade te verkopen. Dat ze desondanks per persoon nog zo'n 3.000 gulden moesten betalen, weerhield ze er niet van voor de derde keer naar een WK in Europa te komen. Twee jaar geleden werden ze in Zweden vierde, nu hopen ze op een bronzen medaille.

Samen presteren, iets mooiers bestaat er niet, zeggen de fanatieke Australische dames. Veterane Dowerty noemt touwtrekken “de ultieme vorm van samenwerking”. De Nederlandse mannen-bondscoach Jan Groot Wassink is het daarmee eens. Hij dacht toen hij 25 jaar geleden zelf met touwtrekken begon, dat het alleen een sport was voor “rauwe bonken”. Dat bleek niet het geval. Afgezien van kracht komt er ook techniek, doorzettingsvermogen en samenwerking bij kijken. “Het gaat om het ritme als team”, zegt Groot Wassink, varkensfokker te Haarlo. “Ik denk dat een touwtrekker per toernooi zo'n duizend keer sterft. Het is zo zwaar, maar hij moet doorgaan, anders valt de hele ploeg in elkaar. Hij moet het kunnen verbergen als hij stuk zit, want de anderen mogen het niet merken.”

Hoe de ware touwtrekker in elkaar zit, laten in de halve finale mannen 560 kilo de spelers van het Ierse Bolay en het Spaanse Gaztedi zien. Ze geven alle zestien geen krimp en daarom duurt hun wedstrijd bijna een uur. Het is een even boeiend als zenuwslopend duel. Pas als de scheidsrechter de Spanjaarden de derde en fatale waarschuwing geeft, is het na 55 minuten en zeventien seconden voorbij. Nog nooit heeft een wedstrijd zo lang geduurd. De Ieren winnen ook de tweede wedstrijd - die ook nog tien minuten duurt - en strompelen afgepeigerd van het veld. Een boze Spaanse dame gaat vervolgens de arbiter te lijf. Dat hebben de touwtrekkers nog nooit meegemaakt in hun sport. Later, in de finale is het vermoeide Bolay kansloos. Tegen hun landgenoten uit Killylough is de strijd in zeven seconden gestreden.

Het organiserende Nederland heeft een grote reputatie in het touwtrekken. De laatste keer dat de sport op het olympische programma stond, in 1920, behaalde de Oranje ploeg, met de gebroeders Van Rekum en Van Loon in de gelederen, een zilveren medaille. Veel recenter vielen de Nederlanders ook in de prijzen. Zo verdedigt het mannenteam in de 720-kiloklasse dit weekeinde in Slagharen de wereldtitel. Maar bondscoach Groot Wassink is nog niet tevreden. Hij hoopt vooral in de lichtere klassen op meer succes en droomt ervan een ploeg klaar te stomen op de manier waarop dat met de roeiers van de Holland Acht gebeurde.

Groot Wassink is een beetje jaloers op de sterke Zwitsers. “Dat zijn fantastische touwtrekkers. Die trainen in de bergen en hebben daardoor hele sterke beenspieren. Bovendien vinden ze het een feest om te trainen. Bij ons heb je de disco. Onze welvaart is eigenlijk te groot voor het touwtrekken.” In het noorden en vooral in het oosten valt dat nog wel mee, maar in de Randstad hoeft de coach niet op zoek te gaan naar talenten. “In het westen vinden ze het nog altijd een boerensport.”