Toch maar tussen de mensen

Norman Lewis: The World, the World. Jonathan Cape, 293 blz., ƒ 59,80

Norman Lewis heeft in de afgelopen dertig jaar aanzien verkregen als schrijver van romans en van reisverhalen. Zijn nieuwste werk, The World, the World kan op het eerste gezicht de indruk wekken dat hij ook respect verdient als autobiograaf, maar Lewis vertelt ook daarin nog steeds voornamelijk over reizen, de meeste in Zuid-Amerika en Azië. Enkele van zijn hoofdstukken gaan over plaatsen in Engeland en Wales, waar hij gewoond heeft en hoe het daar was. Wat hij beleefde en wat hij van zijn leven vindt, komt echter nauwelijks ter sprake. Erg humoristich is het boek ook niet. Lewis heeft een andere ambitie dan grappig zijn. Met zijn scherpe oog voor wat er in de wereld aan het vergaan en aan het verlopen is, wekt hij vaker ontsteltenis dan lachlust. Lees hem over de Fransen in Vietnam, de Brazilianen in het Amazonegebied, de aardbeving die Huaylar in Peru bedolf, daar valt lachen bij uit de toon.

Het verhaal dat als het grappigste in de herinnering blijft, is een onderdeel van een van de meest ontstellende. De reis naar Peru ondernam Lewis met Tony, Lord Snowdon, als fotograaf om een reportage te maken voor de Sunday Times. Tony had onopgemerkt willen blijven, incognito. Dat lukte van het begin af aan maar half, en toen zij Lima bereikten, werd zijn aanwezigheid meteen gemeld aan de Britse ambassadeur die deze hoge bezoeker te eten wilde geven. De rol van de Bulgaarse echtgenote van de ambassadeur bij die gelegenheid bereikt een komisch hoogtepunt.

Niet minder gedenkwaardig is de aankomst van het gezelschap in de grote banketruimte van een hotel, waar het publiek weg zou moeten blijven. Één tafel flonkerde met het mooiste servies; van enkele omringende waren de deklakens afgetrokken, de rest bleef eronder. Ach nee, zei Lord Snowdon toen hij het zag, zet ons toch maar tussen de mensen.

Hij zei niet letterlijk 'ach nee', want hij sprak Engels. Rather spooky down there, waren zijn woorden volgens Lewis. Ook die kunnen niet onvoorwaardelijk vertrouwd worden. Er staan door het hele boek heen gesprekken en uitspraken van jaren geleden tussen aanhalingstekens, met de pretentie van letterlijke authenticiteit. Dat zou een consciëntieuze autobiograaf niet doen. Het is al mooi als hij weet wat mensen ongeveer zeiden; dat hij het zich letterlijk herinnert is ondenkbaar.

De oplettende lezer wordt er aanvankelijk ongelovig van: dit is romanschrijven in plaats van spoorzoeken in de verleden tijd. Op den duur went het of valt minder op, en in zijn taferelen van de twintigste-eeuwse destructieve geschiedenis is Lewis geloofwaardig zonder kunstgrepen. Over het uitmoorden van de Indianen in Brazilië heeft hij in 1969 het langste stuk geschreven dat de Sunday Times ooit had afgedrukt: 12.500 woorden, in verkorte vorm nog altijd sterk genoeg om het ijle vertrouwen in de mens weer voor een paar maanden te verdrijven. Wat hij vertelt over de Fransen in Vietnam is minder bloederig maar even vernietigend, en wordt verlevendigd door de aanwezigheid van een sceptische correspondent van Le Monde.

De burgeroorlog van Quatemala is op kleinere schaal net zo wreed. Ter ontspanning wordt de lezer daar tussendoor naar het dorpje Finchingfield in Essex gevoerd, waar het onheil alleen komt van projectontwikkelaars, die huizenreeksen willen bouwen en een parkeerterrein van beton aanleggen, groengeschilderd om bij de natuur te passen.

Al komt de lezer van dit boek weinig te weten over de auteur, verscheidene gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis worden duidelijker dan ze waren. De twee, auteur en wereld, vallen even samen in het verslag van de paar maanden waarin hij in Londen woonde tegenover de zijkant van Selfridge's warenhuis dat net aan een uitbreiding begon, met hakken, heien en hameren van 's ochtends zeven tot 's avonds zeven. Daarom week hij uit naar Finchingfield. Dat is echte autobiografie.