Symbolische roman van Sylvie Germain; Zout op de schaduwen van vogels

Sylvie Germain: De woestijn van de liefde. Uit het Frans vertaald door Truus Boot. Wereldbibliotheek, 186 blz., ƒ 37,50 Sylvie Germain: Eclats de sel. Gallimard, 173 blz., ƒ 47,-

Sylvie Germain (1954) is een Franse schrijfster met een Oosteuropese inborst. Hoewel ze in Frankrijk werd geboren en haar moedertaal Frans is, zijn haar thematiek en schrijfstijl onmiskenbaar beïnvloed door haar jarenlange verblijf in de Tsjechische Republiek. Ook de toon van haar werk roept associaties op met schrijvers als Milan Kundera en György Konrád.

Tot nu toe publiceerde zij zeven romans, waaronder Dagen van Woede (Jours de colère) waarmee zij in 1989 de Prix Fémina won. In haar meest recente romans toont zij een voorkeur voor het ineenstortende wereldbeeld en de identiteitscrisis van Oosteuropese intellectuelen, die hun plaats moeten hervinden in de veranderende maatschappj. Als zij bovendien in de steek gelaten worden door hun geliefde, verliezen zij de grond onder hun voeten. Ongevoeligheid, totale onverschilligheid, religieuze verwarring en speurtochten naar spirituele waarden zijn het gevolg. Bij Germain gaat die zoektocht gepaard met vreemde ontmoetingen, symbolische dromen, surrealistische sprookjes en filosofische uitweidingen.

In haar eerder dit jaar gepubliceerde roman Eclats de sel (Scherven van zout) staat het zo: 'Alles ligt in scherven, iedere samenhang is verdwenen. Geen juiste verhoudingen meer, niets stemt overeen.'

Ook de wereld van de hoofdpersoon uit de uitstekend vertaalde roman De woestijn van de liefde stort in elkaar. Prokop Poupa, een voormalig letterendocent die door het regime is gedegradeerd tot straatveger, wordt verlaten door z'n vrouw. Zij gaat, met hun zoon, ver van hem vandaan wonen. 'Diep in zijn binnenste voelde Prokop de tijd wankelen, net als ijsbergen die in bevroren zeeën op drift raken en zodra ze in warmer water komen waar ze aan de onderkant beginnen te smelten, uit balans raken en plotseling onder een oorverdovend lawaai van brekend ijs omslaan.'

Sylvie Germain houdt van vergelijkingen en heeft een uitgesproken voorliefde voor metamorfosen en verwijzingen naar het mythische en het spirituele. In haar taalgebruik verbeeldt zij nauwkeurig de innerlijke ontwikkeling van haar verwarde hoofdpersonen. Haar zinnen zijn vloeiend, poëtisch en vaak verheven van toon. Zo heeft Prokop, voordat zijn crisis in alle heftigheid losbarst, een bijzondere leeservaring. Een gedicht brengt bij hem een gedachtenstroom op gang over de tijd en het verstrijken ervan, een favoriet onderwerp van Germain: 'In Prokops handen was het begin der tijden bijna tastbaar aanwezig. Het kleurde de bloem van de verstrijkende tijd die boven zijn hoofd was ontloken, het blies in de wol van het blauwe gordijn dat met zijn vele gaten een sterrenhemel was geworden, het wierp een verblindend licht in het halfduister van het vertrek en deed de muren tot het oneindige wijken.'

In dit soort fragmenten schuilt zowel de sterkte als de zwakte van het boek. Enerzijds word je gegrepen door de poëtische manier waarop allerlei onwerkelijke gebeurtenissen worden beschreven. Alleen al de titels van de hoofdstukken zijn prachtig: 'De maan als geschenk', 'Het mooie elders dat hier is' of 'Stappen die naar de onderwereld dansen'. Ook de sprookjesachtige vertellingen zal de lezer niet snel vergeten. Het sprookje bijvoorbeeld dat Prokop bij het afscheid aan zijn zoon vertelt, gaat over een jongeman die, bij een bezoek aan de ouders van zijn verloofde, een koffer meeneemt waarin stemmen en geluiden van een hele stad blijken te zitten. 'Hij nam zijn verloofde mee in zijn herinnering, in de liefde voor zijn kindertijd. En boven de heuvel was een oude man het licht aan het vegen en liet daarbij witte en roze stofwolken opwaaien. “Mag ik je mijn vader voorstellen?” zei de jongeman tegen zijn vliegende verloofde.'

Anderzijds zal de aandacht van de meeste lezers verslappen tijdens de uitweidingen over de 'geur van eeuwigheid', de 'alomtegenwoordigheid in de tijd' en de 'eeuwige slapeloosheid', net als bij de bespiegelingen over religieuze twijfels: 'zieleheil, - waarin bestond dat, wat zou dat toch kunnen betekenen?'

Ook in Eclats de sel komen godsdienstige onderwerpen aan de orde. Er staan bijvoorbeeld veel bijbelse verwijzingen in. Meteen al aan het begin leest de hoofdpersoon, Ludvík, een artikel over 'Het laatste Avondmaal' van Leonardo da Vinci. Het schilderij laat zien hoe Judas met zijn rechterhand het zoutvaatje heeft omgegooid, vooruitlopend op diens verraad en het feit dat hij niet tot 'het zout der aarde' zal behoren. Zout is het symbool van puurheid en onschuld, maar staat ook voor tranen en verdriet.

Na een jarenlang verblijf in het westen keert Ludvík terug naar zijn geboortestad, Praag. Verlaten door zijn geliefde en teleurgesteld in zijn idealen, is Ludvík zijn illusies en zijn levensvreugde kwijtgeraakt. Vanaf het moment dat hij terug is, bepalen fantastische dromen en vreemdsoortige ontmoetingen zijn leven, waarbij zout steeds een rol speelt. Een centaur achter een typemachine schreeuwt hem toe dat wat iemand verzwijgt het 'zout van het gesprek' is. Een bankemployé onderhoudt hem langdurig over de Apocalyps. De eigenaar van een krantenkiosk wijst hem op het feit dat onverschilligheid leidt tot onthechting 'zoals het zout zijn smaak verliest'. Een schoonmaakster in het ziekenhuis vertelt hem dat het zout van ieders tranen een offergave is voor het leven na de dood.

Ludvíks mooiste ontmoeting is ongetwijfeld die met een achtjarig jongetje, dat zout strooit op de schaduwen van overvliegende vogels 'om hen te verwelkomen in zijn geheugen en in zijn hart'. Dit alter ego van Ludvíks jeugd verwijt hem dat hij zijn leven heeft vergooid: 'Je hebt alles smakeloos gemaakt, je hebt het zout van je geheugen laten vergelen en je beloften van vriendschap verbroken.'

Hoewel Germain soms te nadrukkelijk allerlei raadselachtige symbolen de revue laat passeren, blijft ook Eclats de sel boeiend en verrassend, niet het minst door haar sprookjesachtige, soms kafkaïaanse stijl. Zowel Prokop als Ludvík slagen erin hun levensvreugde terug te vinden en weer belangstelling te krijgen voor de wereld.

Het vergaat Germains personages net als de door haar beminde stad Praag: 'Praag was als zo'n grote, decoratieve, met veelkleurig steengruis gevulde zandloper; als je die omkeert glijden alle korreltjes wervelend terug tussen de glazen wanden. Je bewondert de plotselinge uitbarsting van nieuwe vormen. Je kijkt naar het geleidelijk langzamer worden van de farandole. En dan is alle beweging voorbij. Je constateert de nieuwe ordening, geleidelijk wen je aan het herziene uiterlijk van het zand; je zet de zandloper op de plank en het leven gaat verder.'