Studie Ton Anbeek; Romantiek in de Lage Landen

Ton Anbeek: Het donkere hart. Romantische obsessies in de moderne Nederlandstalige literatuur. Amsterdam, Amsterdam University Press, 214 blz. ƒ 39,50

Vele jaren geleden verzuchtte Aad Nuis, toen nog eenvoudig criticus, eens in een recensie dat hij het woord 'Romantiek' niet meer kon verdragen en hij stelde voor met zijn allen af te spreken de term nooit meer te gebruiken. Of zijn invloed nú groter is weet ik niet, maar toen had hij in elk geval geen succes, want sindsdien is de begripsverwarring alleen maar groter geworden. En nu is er ook nog eens een boek verschenen waarin 'Romantiek' als begrip even weinig tastbaar en hanteerbaar is als een herfstmist.

Romantiek omvat in de visie van de Leidse hoogleraar Ton Anbeek zo ongeveer alles wat niet met logica te maken heeft. Als ik zijn redenering volg, zou de new-age-beweging evenzeer op romantisch gedachtengoed stoelen als montessori-onderwijs of SM-bordelen. Anbeek gaat uit van de historische Romantiek, tussen ongeveer 1800-1850. In de Romantiek zou de mens zo veranderd zijn, dat optimisme en ratio als algemeen sturende codes voor het gedrag omsloegen naar wanhoop en waanzin. Vroeger reisde je omdat je van punt A naar punt B wilde, en de reis zelf was middel om bij je doel te komen. In de Romantiek werd het reizen op zich verheven tot doel. In de Romantiek gold het kerkhof als een aantrekkelijke plaats om te vertoeven, voordien was de dood slechts een fysiek en psychisch onpropere afsluiting van het leven op aarde. Kinderen werden vóór de Romantiek beschouwd als onmondige lastpakken die zo snel mogelijk door de kindertijd gejast moesten worden om bruikbaar te zijn voor het leven, in de Romantiek werd de kinderziel in staat geacht de meest zuivere expressie van de ware werkelijkheid te bieden.

Vanuit dit wat gesimplificeerde beeld van de historische Romantiek probeert Anbeek de doorwerking van deze periode in de late negentiende-eeuwse en twintigste-eeuwse letterkunde te traceren. Er is veel bezwaar in te brengen tegen zijn wazige Romantiek-opvatting, en toch gaf ik me al lezend gewonnen. Niet voor zijn opvatting, maar wel voor zijn stralende aanpak van half-vergeten en veronachtzaamde schrijvers als Jef Geeraerts, Aart van der Leeuw, Herman Teirlinck en Gerard Walschap. Het komt niet zo vaak voor dat een literair-historische studie naar de doorwerking van een periode stimulerend werkt, maar wie een blik in Anbeeks Het donkere hart werpt, wordt verwelkomd door een fascinerend legioen hoereerders, martelenden, fatale vrouwen, onderdanige Christusfiguren en doodswellustigen. Ze stammen allemaal uit diezelfde Nederlandse literatuur die door dezelfde Anbeek ooit veroordeeld werd omdat ze te weinig straatrumoer vertoonde.

Ongetwijfeld is het bekende boek van Mario Praz, The romantic agony, een voorbeeld voor Anbeek geweest. Misschien heeft hij wel een Hollandse versie willen schrijven van dit handboek voor wellust en doodsdrift, waarin geen Nederlandse schrijver aangehaald wordt, zelfs Louis Couperus of Jacob Israël de Haan niet. Zijn bewondering voor deze studie steekt hij niet onder stoelen of banken. Het omslag van Anbeeks boek bevat een rechtstreekse verwijzing naar de titel van Praz in de Nederlandse vertaling: Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek (in het Italiaans origineel uit 1930: La carne, la morte e il diavolo).

Afgebeeld is een tekening van Félicien Rops waarop een geraamte met duivelsvleugels met zijn rode tong een welbevleesde naakte vrouw beft. Dat de vrouw op de tekening geen gezicht heeft, moet misschien wel als een voorteken opgevat worden. Het betekent dat haar gezicht naar believen ingevuld kan worden, en dat doet Anbeek dan ook. Net als Praz plukt Anbeek eclectisch her en der materiaal bij elkaar en brengt verbanden aan die in elk geval in het boek zelf standhouden. Van methodologische kant is er altijd veel kritiek op Praz' boek geweest, omdat hij werkte zonder een duidelijke begripsomschrijving en zich geen enkele beperking in historisch of locaal materiaal oplegde. Anbeek beperkt zich in elk geval tot de Nederlandstalige literatuur en gaat niet verder terug dan tot aan het eind van de achttiende eeuw.

Net als Praz heeft hij vooral belangstelling voor wat de uiterlijke romantiek genoemd wordt en net als Praz trekt hij de romantische invloeden door tot in het heden (voor Anbeek 1996, voor Praz 1930). Praz werkt met vijf hoofdstukken waarin hij toont hoe in de wereldliteratuur van vooral de achttiende en negentiende eeuw bepaalde onderwerpen steeds terugkomen: de schoonheid van de verschrikking, de metamorfosen van Satan, sadisme onder invloed van Markies De Sade, de fatale vrouw en decadentie. Anbeek laat in drie delen zien hoe romantische thema's ook in de Nederlandse literatuur, tot in de recentste toe,verschijnen.

In 'De onschuld' toont hij hoe het geloof in de ongeschonden geest van het kind, de neger en de landsman in boeken van onder andere Van Dis, Walschap en Claus als romantische erfenis beschouwd kan worden. In een intelligente redenering prikt hij door het ogenschijnlijke racisme van Jef Geeraerts in zijn Kongo-boeken heen. Het volgende deel, 'De nachtzijde', bestempelt zowel Mulisch, Reve en Hermans als schatplichtig aan de Romantiek. Nu zal Reve noch Mulisch daar enige moeite mee hebben, maar of Hermans zijn knoken in bedwang zou kunnen houden als hij dit las, betwijfel ik. Behalve Hermans laat Anbeek ook Louis Paul Boon, Jan Wolkers en Joost Zwagerman in de immense romantische erfenis delen: Boon wegens zijn belangstelling voor het onbedorven simpele, Wolkers wegens zijn fascinatie voor de symbiose tussen een mooie jonge vrouw en de dood, en Zwagerman wegens zijn hunkering naar de verloren geliefde. In het laatste hoofdstuk, 'Verliefd op het verdriet', verklaart Anbeek dat de Romantiek de kunst heeft verheven tot nieuwe godsdienst, die dienst doet als vertroosting. In hetzelfde deel komen de onbereikbare geliefde en het dwepen met de dood als romantische thema's voor.

Aan het slot van het boek is de lezer overstelpt met een bric à brac van romantisch erfgoed. Het is allemaal heel mooi en fascinerend, Anbeek schrijft overtuigend en met grote vaart, de illustraties zijn schitterend en elk pleidooi voor de Nederlandse literatuur maakt mij gelukkig. Maar toch dringt het gevoel zich op dat er teveel verschillende elementen bij elkaar gehaald zijn. Opa's meubilair is in een moderne flat gedumpt. De lezer blijft achter met de vraag of er in de moderne literatuur wel iets is dat niet romantisch genoemd kan worden.