Stabiliteit EMU centraal in Dublin

DUBLIN, 20 SEPT. “We zijn er meer dan ooit van overtuigd dat de monetaire unie een groot succes zal worden”, schrijven de Duitse minister van financiën Waigel en zijn Franse collega Jean Arthuis vandaag in de Herald Tribune in een ongekende blijk van gemeenschappelijke vastberadenheid.

Dinsdag werkten de twee al in het Duitse plaatsje Kempten samen aan een compromis over de garantie voor de toekomstige stabiliteit van de Economische en Monetaire Unie vanaf 1999. En dit weekeinde bespreken ze de muntunie samen met hun EU-collega's tijdens een informele Raad van Ministers in de Ierse hoofdstad Dublin. Daar bekijken de 15 bewindslieden ook het resultaat van een ontwerpwedstrijd voor het euro-bankbiljet dat per 2002 in circulatie moet gaan. En gisteren, daags na de presentatie van de begroting voor 1997 door het Franse kabinet, bracht de Franse centrale bank haar rente naar beneden op nog maar een kwart procent van het Duitse tarief. Dat de bank zich die luxe kan permitteren, illustreert de kalmte op de Europese financiële markten. Wat daar een ouderwets roerige Europese begrotingsmaand had moeten worden, valt tot nu toe op door een diepe kalmte.

De vastberadenheid van de voorstanders, de gelatenheid van de sceptici; alle tekenen wijzen in één richting. Het is niet langer meer de vraag of de gemeenschappelijke Europese munt er in 1999 komt. Het Europese discours is al aangeland bij het volgende agendapunt: de politieke consequenties van de invoering van de euro.

De Britse minister van buitenlandse zaken Malcolm Rifkind voorspelde op woensdag een splitsing van de Europese Unie wanneer de gemeenschappelijke munt wordt ingevoerd: Europa zal uiteenvallen in een groep van nauw samenwerkende landen en een groep van buitenstaanders. Die reactie had op het eerste gezicht een paniekerige ondertoon. Wie de boot dreigt te missen kan nog altijd terugvallen op het ultieme argument voor zelfrechtvaardiging: de boot deugt niet. Premier John Bruton van Ierland, dat dit halfjaar voorzitter is van de EU, reageerde bits. “Sommige landen realiseren zich nog niet dat zij Europa harder nodig hebben dan Europa hen nodig heeft.” Maar het Britse dagblad The Independent, dat gisteren een open brief van zes Tory-kopstukken, onder wie oud-premier Edward Heath en ex-minister van buitenlandse zaken Douglas Hurd publiceerde waarin zij er op aandrongen dat de Conservatieven EMU-deelname niet onverdeeld uitsluiten, reageerde mild op Rifkinds waarschuwing. “Eindelijk ziet Rifkind de EMU-bulldozer aankomen.” De belangrijkste boodschap van Rifkind was tenslotte de erkenning dat de muntunie er inderdaad komt, en op tijd. En het is van groot belang de risico's te onderkennen van Europa's grootste experiment sinds de oprichting van de Europese Gemeenschap in 1957.

Twee zaken staan daarbij op dit moment in het brandpunt van de belangstelling. De eerste is de interne stabiliteit van de muntunie, de tweede de verhouding van de toekomstige muntunie-landen (de 'ins') tot de buitenstaanders in de Europese Unie (de 'outs'). Beide kwesties staan hoog op de agenda van de ministers van financiën en centrale bankiers van de Europese Unie, die vandaag en morgen in Dublin bijeenkomen voor een informele Economische en Financiële Raad van Ministers, de Ecofin.

Waigel lanceerde precies een jaar geleden het idee voor een 'stabiliteitspact'. Onderliggende gedachte is dat, hoewel landen zich volgend jaar toegang kunnen verschaffen tot de muntunie door het begrotingstekort op maximaal drie procent te houden, er geen garantie is dat zij hun overheidsfinanciën daarna ook onder controle houden. De hardheid van de euro zou op het spel komen als een van de muntunie-landen straks zijn begroting laat versloffen. Op tafel ligt nu een plan volgens welk muntunie-landen zich vastleggen ook na 1999 begrotingsdiscipline te betrachten. Hoewel Waigel en Arthuis afgelopen dinsdag na een bijeenkomst in het Duitse Kempten lieten weten dat er Frans-Duitse overeenstemming is over dit stabiliteitspact, is nog niet duidelijk hoe het er precies uit zal gaan zien.

Pag.12: Debat tussen 'ins' en 'outs'

Europa's centrale bankiers hebben al laten weten uit te gaan van een streven naar een bijna-balans in de begrotingen van de muntunie-landen. Dat komt neer op het streven naar een begrotingstekort van 0 à 1 procent. Nu lijkt alleen een compromis haalbaar waarin het streven wordt vastgelegd het tekort niet te laten oplopen tot boven het Maastrichtse maximum van 3 procent.

In het plan voor een stabiliteitspact wordt bij een tekort van meer dan 3 procent gedacht aan een boete van 0,2 procent van het bbp, renteloos te stallen bij de Europese Centrale Bank. Elk vol procent tekort boven de maximale 3 procent veroorzaakt daar bovenop een extra boete van 0,1 procent, tot een maximum van 0,5 procent van het bbp. Wat er met dit geld moet gebeuren, en wanneer de boete ingaat, is nog onderwerp van discussie. Duitsland wil dat de straf ingaat zes maanden nadat een overschrijding van de drie-procentsnorm is geconstateerd. Anderen, met name Frankrijk, willen een milder regime. Een termijn van negen tot twaalf maanden zou het compromis kunnen zijn dat deze week in Kempten tussen de twee landen is beklonken. Los daarvan is er de definitie van een tekort van meer dan 3 procent: het gelijkluidende toetredingscriterium voor de muntunie laat nu al ruimte voor “uitzonderlijk en tijdelijke omstandigheden”.

De verhouding tussen de muntunie-landen en de landen daarbuiten laat zich samenvatten in de discussie over een nieuw wisselkoersregime tussen de euro en de munten van de landen die niet bij de muntunie horen. Vooral Frankrijk vreest concurrerende devaluaties van de buitenstaanders, die de internationale handelspositie van de EMU-landen ondergraven. De buitenstaanders willen hun valuta's op hun beurt gesteund weten door de machtige euro-reserves van Europese Centrale Bank, als het tot een seculatieve aanval op de valutamarkt komt. Op dit moment is er het wisselkoersregime van het Europese Monetaire Stelsel uit 1979, waarbij de aangesloten landen destijds overeenkwamen dat hun munten niet meer dan 2,25 procent naar boven en beneden ten opzichte van elkaar mochten fluctueren. Die 'bandbreedte' bleek na twee speculatieve aanvalsgolven op de valutamarkt in 1992 en 1993 niet houdbaar en is sindsdien opgerekt tot tweemaal 15 procent. In een op te richten EMS-2 tussen de muntunie en de rest van Europa wordt in de plannen ook van deze brede banden uitgegaan, met tot op zekere hoogte een steungarantie van de Europese Centrale Bank. Naarmate een niet-muntunie land dichter bij toetreding tot de EMU komt, kan de bandbreedte worden vernauwd tot tweemaal 2,25, waarna de valuta, om met DNB-president Duisenberg te spreken, 'de EMU in vaart'.

Maar wie zijn de 'ins' en de 'outs' eigenlijk? Landen waarvan wordt verwacht dat zij toetreding kunnen afdwingen op basis van een milde interpretatie van de Maastricht-criteria zijn Duitsland, Frankrijk, de Benelux, Ierland en Oostenrijk. Finland voldoet alleen niet aan het criterium dat de valuta twee jaar deel moet hebben uitgemaakt van het EMS. De Finnen hopen dat de toetreding van hun markka morgen wordt behandeld in de Ecofin, maar gezien de volle agenda en het feit dat de toetreding van de Oostenrijkse shilling twee jaar geleden niet als een hamerstuk werd behandeld, is het de vraag of daar dit weekeinde uitsluitsel over komt.

En dan zijn er Spanje en Italië. Het is geen geheim dat de harde monetaire kern van de EU het liefst zou zien dat deze twee landen niet onmiddellijk in 1999 deel uitmaken van de EMU, maar kort daarna toetreden. Daar denken de twee anders over: daags na het Frans-Duitse rendez-vous in Kempten kwamen de Italianen en Spanjaarden op het hoogste niveau bijeen in Valencia om te onderstrepen dat de sanering van hun overheidsfinanciën voldoende zou kunnen zijn om zich volgend jaar voor de EMU te kwalificeren. Ze zwaaien daarbij met een machtig wapen: ook Frankrijk heeft, gezien de woensdag gepresenteerde begroting, nogal wat boekhoudkundig kunst- en vliegwerk nodig om volgend jaar aan het begrotingscriterium van 3 procent te voldoen. En de Belgische staatsschuld is omvangrijker dan de torenhoge overheidsschuld van Italië.

Vanuit de gezworen deelnemers van het eerste uur heeft de term 'outs' al plaatsgemaakt voor het vriendelijker 'pre-ins', een staaltje van Euro-speak dat de afstand met de eerste groep van muntunie-landen weliswaar benadrukt, maar ook de onvermijdelijkheid van toetreding op termijn onderstreept. De volgende vraag wordt of die onvermijdelijkheid ook voor Groot-Brittannië geldt. De onder het Frans-Duitse politieke geweld opgelaaide discussie binnen de Conservatieve Partij aan de vooravond van het jaarlijkse partijcongres kan meer duidelijkheid geven over de verhouding van een Europa's belangrijkste financiële spelers tot de aanstormende muntunie: het verschil tussen 'out' en 'pre-in'.

    • Maarten Schinkel