Over vertalingen en subsidies

Hoeveel buitenlandse literatuur heeft Nederland nodig? En welke? Sinds de vertalers met succes actie hebben gevoerd voor een betere honorering van hun werk, gelooft iedereen dat de overheid een taak heeft bij het toegankelijk maken van buitenlandse schrijvers. Er is een budget van bijna drie miljoen gulden voor de subsidiëring van vertalingen in het Nederlands, een bedrag dat in de deze week verschenen Cultuurnota nog eens met een paar ton is verhoogd.

Maar hoever moet de overheid gaan? Dat we kennis moeten kunnen nemen van belangrijke boeken uit Scandinavië, Oost-Europa en Japan zal geen zinnig mens bestrijden - zoals er ook geen discussie is over de vraag of klassieken als Dante, Cervantes of Rilke voor de Nederlandse lezer toegankelijk moeten zijn. Maar waar ligt de grens? Moeten ook alle vertalingen worden gesubsidieerd van populaire Engelse romans die de meeste Nederlanders in de oorspronkelijke taal kunnen lezen? Moet er geld gaan naar Franse en Duitse 'Rasterboeken' die voornamelijk door een kleine groep mensen met een talenknobbel worden gelezen? Wat doen we met een dissidente Chinese dichtbundel van het tweede plan, en met die ene, uit antropologisch opzicht interessante roman uit Mali?

De instanties die zich op de steun aan vertalers richten, hebben zich lang aan deze principiële discussie kunnen onttrekken. Er zat groei in het budget, er werd niet te veel vertaald, het volstond om aansluiting te zoeken bij 'de markt'. Als een vertaling werd uitgegeven, zo was de redenering, was er kennelijk behoefte aan. Er hoefde alleen gekeken te worden naar het niveau van de vertaler.

Die tijd is voorbij. De deze week verschenen Cultuurnota van Nuis signaleert dat het aantal vertalingen uit vreemde talen razendsnel toeneemt. Te snel voor het beschikbare subsidie-budget. Wie een boekhandel binnenstapt, kan zich dat wel voorstellen. Scandinavië wordt in hoog tempo ontdekt, Israel breekt door, Oost-Europa, Zuid-Afrika, China - zonder dat dit heeft geleid tot een teruggang van het aantal vertalingen uit het Frans of het Engels. Integendeel, ook uit deze talen wordt steeds meer vertaald. Uit gegevens van het Fonds voor de Letteren, dat de subsidies aan vertalers verdeelt, blijkt dat het aantal achteraf door de overheid gesubsidieerde vertalingen ('aanvullende honoraria') tussen 1985 en 1994 met een kwart is gestegen tot 310 per jaar. Het aantal vertalingen uit het Engels ging van 80 naar 123, die uit het Frans van 33 naar 48. De enige daling doet zich voor bij het Duits, waar het aantal gesubsidieerde vertalingen van 25 ineenschrompelde naar 10. Alleen de Duitse literatuur is noodlijdend in Nederland.

Sylvia Dornseiffer van het Fonds spreekt van een hausse die haar volledig heeft overvallen. Naar de achtergronden kan ze alleen maar gissen. In een gebrek aan hoogwaardig nieuw Nederlands proza, waardoor uitgevers hun toevlucht bij buitenlanders zouden moeten zoeken, gelooft ze niet. “Daarvoor zijn er elk jaar te veel debutanten, vorig jaar een stuk of zestig.” Het kan een kwestie van luiheid zijn, omdat buitenlandse bestsellers voor een uitgever makkelijker te vinden zijn dan Nederlandse. Het kan ook te maken hebben met het aantal vertalers dat op zoek is naar werk en bij uitgevers vertalingen aanbiedt.

De meest optimistische verklaring is om de groei terug te voeren op de globalisering van de literatuur. Nederlanders reizen verder dan vroeger, ze luisteren vaker naar wereldmuziek - waarom zouden ze niet ook meer onbekende literatuur gaan lezen? Dat zou dan meteen verklaren waarom er zoveel Engelstalige boeken uit landen buiten Engeland en de Verenigde Staten worden vertaald. Landen als Nigeria, Canada, Nieuw Zeeland en de Caraïben zijn in de vertaalde sector in opkomst.

De meeste uitgevers die zich in vertalingen specialiseren, zien de recente ontwikkelingen met zorg aan, al was het maar omdat met het toenemen van het aantal vertalingen het aantal verkochte exemplaren per boek recht evenredig daalt. In Boekblad van 19 juli zegt uitgeefster Mizzi van der Pluijm van Contact dat van een doorsnee vertaalde roman nog maar 700 exemplaren worden verkocht. Voor een kostendekkende uitgave is dat onvoldoende. De uitgevers dringen dan ook aan op een selectiever uitgave- en vertaalbeleid. In zijn Cultuurnota heeft Nuis deze wens overgenomen. Het Fonds voor de Letteren moet er voor zorgen dat het budget voor vertalingen voldoende is.

Maar hoe? Het probleem zou de wereld uit zijn als 'de markt' zichzelf reguleerde, zoals dat in het paarse jargon heet. Het Fonds voor de Letteren wil dat vooralsnog niet uitsluiten. Dornseiffer: “De vertalingenmarkt is zo geëxpandeerd dat dit niet lang meer kan doorgaan. Er moet een tegenreactie komen vanuit de markt. Uitgevers zullen pas op de plaats moeten maken.”De kans dat dit vrijwillig gebeurt, is echter klein. Er zijn een paar uitgevers die op de rand van de afgrond balanceren, maar de enige instantie die sturend op kan treden is het Fonds. Zonder de subsidies van het Fonds zou een aantal vertalingen niet verschijnen. De strijd om de vertalingen zal zich waarschijnlijk dan ook daar gaan afspelen. Op dit moment is het al iets moeilijker geworden om geld voor een vertaling te krijgen. De groep vertalers van een minder niveau, 'de onderkant' volgens Dornseiffer, is al uit de regeling voor aanvullende honoraria gehaald en de rest krijgt gemiddeld duizend gulden per jaar minder dan vroeger.

Het is de vraag of dit genoeg is. Hoe rem je vertalers af, die goed en gedegen werk afleveren en daardoor recht op subsidie hebben? Door nog strengere eisen te stellen? Het Fonds vreest dat er weinig anders op zit dan strenger naar de 'brontekst' te kijken, het boek dat wordt vertaald. Hoe belangrijk is het binnen zijn eigen taalgebied? En hoe belangrijk is het dat Nederlanders ervan kennis nemen?

Dat is uiteraard een hachelijke kwestie. Cultuur is naar haar aard pluriform, en wie durft aan te geven welke hoog geprezen romans de Nederlandse lezer missen kan? Moet James Kelman onvertaald blijven, omdat hij een ongeletterde Schot is? Irvine Welsh, omdat hij de jeugd op slechte gedachten brengt?

Dornseiffer: “De ervaring wijst uit dat er de afgelopen jaren al steeds meer aanvragen voor subsidies gesneuveld zijn op de brontekst. Vooral uit het Engelse taalgebied worden ook wel erg veel waardeloze romannetjes aangeboden, die niet allemaal vertaald hoeven te worden.”

De vertalers die verenigd zijn in de Vereniging voor Letterkundigen (VvL) denken daar anders over. Zij willen van de nood een deugd maken. Anneke van Huisseling van de Werkgroep Vertalers van de VvL: “De uitgevers zouden eindelijk eens hun tarieven voor vertalers kunnen verhogen. De minder rendabele vertalingen vallen dan automatisch af, zodat er voor de anderen meteen meer geld vrijkomt. Het is een vervelende maatregel, maar je zult zien dat de uitgevers met bona fide vertalers op deze manier zullen overblijven. Volgens ons zou dat een prachtige 'marktconforme' oplossing zijn.”