Oude kaas

De naam van Eddy de Jongh betekent iets in de kunstgeschiedenis. Dertig jaar lang heeft hij de Nederlandse zeventiende-eeuwse kunst onderzocht vanuit een nauwkeurig bepaald standpunt, dat hij zelf in zijn nieuwe bundel essays, Kwesties van betekenis, als volgt omschrijft: 'Uitgangspunt is steeds de grondgedachte dat vele zeventiende-eeuwse Hollandse schilderijen iets te vertellen hebben dat meer inhoudt dan wat hun voorstellingen louter visueel aanbieden'.

Om erachter te komen wat dat is, vergelijkt hij schijnbaar realistische schilderijen met overeenkomstige beelden in andere bronnen waaruit die toegevoegde inhoud, meestal een morele aansporing of een waarschuwing, glashelder valt op te maken. Op deze manier heeft De Jongh de moralistische associaties aangetoond in honderden genrestukken, portretten, stillevens en landschappen.

De Jonghs aanpak, die met de tentoonstelling Tot lering en vermaak (Rijksmuseum, 1976) in de canon van de kunstgeschiedenis werd opgenomen, prikkelde de verbeelding. Over de hele wereld begonnen museummensen dingen te zien in hun collecties die hen nog niet eerder waren opgevallen. Kunsthistorici zochten naarstig naar de 'echte' betekenis achter de meest onschuldige details.

Maar er gebeurde iets vreemds. Net als bij experimenten met koude kernfusie slaagden de proeven slechts in één laboratorium: dat van De Jongh. Wanneer andere onderzoekers zijn methode hanteerden, kwam hun vergelijkingsmateriaal niet altijd als even relevant over en ook hun conclusies eisten vaak nogal wat inschikkelijkheid. Hoe meer zijn visie veld won, hoe vaker De Jongh zich in de onbenijdenswaardige positie bevond dat hij zijn grootste bewonderaars het strengst moest toespreken.

Ook stond De Jonghs 'grondgedachte' aan aanvallen bloot. De ingebouwde maar onzichtbare morele betekenissen die voor De Jongh het kernpunt van de Hollandse schilderkunst vormen, kregen concurrentie. Andere kunsthistorici braken een lans voor andere, meer zichtbare kwaliteiten die volgens hen het belangrijkst waren: voor Svetlana Alpers was dat 'beschrijving', voor Peter Hecht technisch vernuft. Jan Bedeaux had kritiek op de basis van De Jonghs methode: 'Wanneer symbolen zo goed verborgen zijn dat ze volledig samenvallen met de realiteit, kun je onmogelijk aantonen dat ze ooit als symbool bedoeld waren'. De Jongh slaagde er niet in al zijn critici afdoende van repliek te dienen.

Nu is er een kampioen opgestaan voor weer een andere 'belangrijkste kwaliteit' die de Hollandse schilder nagestreefd zou hebben. Niet moralisme, niet beschrijving, niet techniek, maar 'cheerfulness'. Vol verve stort Oscar Mandel, een Belgisch-Amerikaanse historicus van het vergelijkend literatuuronderzoek zich met een lang pamflet - The cheerfulness of Dutch art: a rescue operation - in de strijd en haalt fel uit naar wat hij (in het Engels) de 'betekenis critici' noemt. Die willen volgens hem enkel het plezier vergallen dat de Hollandse schilders ons aan de gewoonste dingen wilden laten beleven. Na dertig jaar De Jonghisme, zo schrijft hij, 'zijn wij allemaal geprogrammeerd om niets anders te verwachten dan dreiging, somberheid, verval of op zijn minst obsceniteit'. Kan een schilder nooit eens een kaars schilderen omdat hij daar lol in heeft? Moet dat nu echt altijd meteen een verwijzing naar de kortstondigheid van het leven zijn? Waarom zou Rembrandt met Saskia op schoot en een glas wijn in de hand per se op de Verloren Zoon slaan? De betekenis-school is volgens Mandel zo 'behept met een symbool-fixatie' en zwelgt zo graag in puriteinse somberheid, dat ze de vijand van het plezier geworden is.

Een uitgelezen mogelijkheid om De Jonghs bijdrage aan de kunstgeschiedenis, met inachtneming van de bezwaren van zijn critici, opnieuw te verduidelijken, deed zich vorige maand voor met de publicatie van de feestbundel Ten essays for a friend: E. de Jongh 65. In dit opzicht echter laat Ten essays (met overigens voortreffelijke artikelen, daar niet van) ons in de steek. De bundel ontbeert een, bij dit soort publicaties gebruikelijk, voorwoord waarin de kwaliteiten van de jubilaris worden uitgemeten. Ook in de keuze van artikelen gaan de redacteuren de kernvraag uit de weg. Slechts één van de stukken pakt de draad van De Jonghs interpretatieve werk op: 'Dutch cheese: a problem of interpretation,' van Josua Bruyn.

Nu is Bruyn in de ogen van Mandel de auteur van een van de meest aanvechtbare voorbeelden van 'betekenis kritiek'. Zijn eerder verschenen interpretatie van het Hollandse landschap als de hel op aarde (alleen de kerken vormen een uitzondering, die staan voor de hemel) werd door Mandel afgedaan als een 'bijna karikaturale' toepassing van De Jonghs methode. De reactie van Mandel en andere sceptici op deze nieuwe bijdrage van Bruyn laat zich dan ook raden (Bruyn probeert op grond van een aantal voorbeelden aan te tonen dat kaas op een Hollands stilleven een uitbeelding is van verval, bederf en dood).

Zuinig kijken als je voorouders hem eens flink raken met een meisje op schoot, daar is nog in te komen. Maar zwaarwichtig doen over een lekker stuk kaas? De reputatie van De Jonghs methode krijgt het zwaarder te verduren van zijn vrienden dan van zijn critici. Gelukkig valt er aan zijn reputatie als kunsthistoricus niet te tornen. De experimenten in Kwesties van betekenis: thema en motief in de Nederlandse schilderkunst van de zeventiende eeuw, of ze nu herhaalbaar zijn of niet, kunnen wedijveren met het beste wat de geschiedenis van de Nederlandse kunst heeft voortgebracht. Bovendien zijn ze elegant uitgevoerd en een waar plezier om te lezen.