Op het breukvlak van tien eeuwen

Peter Brown: The Rise of Western Christendom. Triumph and Diversity. AD 200 - 1000, Blackwell, 353 blz., ƒ 56,-.

Piet Leupen: Gods stad op aarde. Eenheid van kerk en staat in het eerste millenium na Christus. Wereldbibliotheek, 176 blz., ƒ 34,50

'Vijf eeuwen lang had de kamp tussen de barbaren en de beschaafde wereld geduurd en eindelijk hadden de krachtige bewoners der Duitsche bosschen de overwinning behaald op de ontzenuwde kinderen van weelde en rijkdom' - zo beschreef een Wereldgeschiedenis voor oud en jong Nederland driekwart eeuw geleden het einde van het Romeinse Rijk. Woeste natuurvolken drongen in de vijfde eeuw de limes over en wèg was de decadente Romeinse beschaving. In de nieuwe koninkrijken van Vandalen, Gothen en Franken heerste het zwaard en alleen monniken handhaafden nog een beetje beschaving. Tabula rasa! Pas in de tijd van Karel de Grote, ca. 800, krabbelt de cultuur enigszins overeind, vooral dankzij de kerk.

Dit oude beeld van het breukvlak oudheid-middeleeuwen is allang als mythe ontmaskerd, maar nog altijd zweeft het in het onderbewuste rond. En zo gek is dat niet. Veel moderne mensen zouden zich in het Romeinse Rijk nog wel ergens thuis kunnen voelen, maar wie zou graag in het Visigothische rijk van koning Amalaswintha willen wonen? Het valse breukvlak tussen de 'verstedelijkte Romeinen' en de 'rauwe Germanen' werd in de afgelopen eeuw waarschijnlijk nog verder versterkt door de eigentijdse ervaring van het contrast tussen de eigen geïndustrialiseerde samenleving en de primitieve koloniën.

Inmiddels wordt de kloof tussen oudheid en middeleeuwen al decennia door oudhistorici en mediëvisten verzacht - alleen al door er op te wijzen dat die overgang wel erg lang duurde. En de volksverhuizende 'barbaarse' volkeren telden zelden meer dan enkele tienduizenden mensen, een druppel op de gloeiende Romeinse plaat. In de laat-Romeinse cultuur zijn genoeg agrarische en primitieve elementen te vinden, evenals er in de zogenaamde primitieve koninkrijken bij nadere beschouwing toch wel erg veel typisch Romeinse cultuurelementen voortleven. De legioenen werden al eeuwen bemand met Germanen, die mede daarom al behoorlijk waren geromaniseerd toen de centrale politieke structuur van het Rijk verdween. Er was geen breuk, het was een proces van eeuwen, dat vele generaties overspande.

Aan de consensus over deze vloeiende overgang oudheid-middeleeuwen heeft de Brits-Amerikaanse historicus Peter Brown als geen ander bijgedragen door zijn studies van de heiligenverering en van de positie van de Christelijke kerk in het Laat-Romeinse keizerrijk. Zijn nieuwe boek, The rise of western christendom. Triumph and diversity AD 200-1000, is een van de beste overzichten van deze complexe periode. De kracht van Brown is dat hij kiest voor de grote lijn, met grote liefde voor het sprekende detail. Het boek is niet geïllustreerd, maar dat is geen enkel bezwaar. Na lezing had ik meer beelden op mijn netvlies dan na het bekijken van een platenboek.

Continuïteit

Het boek, dat zowel de geschiedenis in Noordwest-Europa als in het Midden-Oosten beschrijft, maakt deel uit van de prestigieuze serie The making of Europe waarvan de delen gelijktijdig in vijf talen (Engels, Duits, Frans, Italiaans en Spaans) worden gepubliceerd. Nadeel is dat in deze serie noten kennelijk verboden zijn, waarschijnlijk uit een misplaatste angst lezers af te schrikken. Nu moet de geïnteresseerde lezer maar raden waar bepaalde citaten vandaan komen. Soms is zelfs de periode waaruit ze stammen niet duidelijk.

Het centrale thema in Brown's verhaal is het 'micro-christendom', waarmee hij de enigszins in zichzelf besloten maar intens christelijke cultuur van de nieuwe koninkrijken typeert die in het westen de macht van Rome overnamen. Het grote Rijksverband valt (tijdelijk) weg, er komen andere referentiekaders, maar op lokaal en regionaal niveau heerst grote continuïteit. Die politieke en culturele regionalisering vormt het draaipunt tussen het oude Rome en de nieuwe tijd van de 'echte' middeleeuwen die Brown zo ongeveer in de negende eeuw laat beginnen.

Op zichzelf is deze these niet zo opzienbarend, ze lijkt zelfs op oude ideeën over de rommelige tussentijd tussen de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustus en Karel de Grote. Maar typisch voor Brown is de grote nadruk op het christelijke karakter van die tussentijd. Voor de vroeg-middeleeuwse kerk was niet het heidendom het grootste probleem, maar het christendom van de on- of halfgeletterden die overtuigd waren van hun eigen orthodoxie - waardoor de eenheid van de kerk en de zuiverheid van het geloof ernstig gevaar liep. Volkspredikers die zich beriepen op een brief van Jezus die uit de hemel zou zijn gevallen en eigenzinnige Ierse missionarissen wekten meer vrees bij de kerkelijke leiders dan een paar brandoffers voor Wodan.

De tijd was zo christelijk omdat het Christendom zijn grote overwinning al had gemaakt in de Romeinse tijd, toen het staatsgodsdienst werd. Na de val van het Rijk kreeg de kerk daardoor vrij gemakkelijk steun van de nieuwe machthebbers, voor wie christendom en Romeinse beschaving vaak nauwelijks te onderscheiden waren. En de zogenaamde natuurvolken deden er bijna alles aan om echt Romeins te worden, ook al was de politieke superstructuur verdwenen.

Maar er bestond wel een verschil. In het christelijke late keizerrijk heerste eenheid. Bisschoppen en anderen reisden zonder veel moeite van Antiochië naar Engeland en de kerkvader Augustinus stond per brief in contact met bijna iedereen die er in het christendom toe deed. Omstreeks 600 was die oecumene ten einde. Er was geen centraal referentiepunt meer. Iedere regio viel op zichzelf terug, vol wantrouwen ten opzichte van de nabije buren, die men ook nauwelijks meer kende. De koningen en kerkleiders beschouwden hun eigen gebied als het centrum van de wereld, als 'de microcosmos waarin de gefantaseerde allesomvattende macrocosmos van een wereldwijd christendom weerspiegeld was'. Zelfs in het door het Islamitische kalifaat danig verkleinde Oost-Romeinse Rijk ziet Brown zo'n in zich zelf opgesloten mini-christendom ontstaan.

Typerend voor deze 'mini-christendommen' waren de vele 'encyclopedieën' die werden geschreven. De samenstellers van die compendia van christelijke kennis, meestal vrij kritiekloos overgeschreven uit laat-Romeinse geschriften, werden plaatselijk verheerlijkt als 'exegeet van wereldklasse' of 'doctor van de gehele wereld' zoals bijvoorbeeld de leraar Mo-Chuoróc maccu Neth Sémon uit het Ierse Bangor werd genoemd.

Minuskel

In die regionalisering speelde het christendom een belangrijke rol. Want 'ondanks uitgebreide overname van lokale Romeinse gebruiken en onregelmatige diplomatieke contacten met Constantinopel, wilden [de nieuwe christelijke koninkrijken] zich niet alleen maar als miniatuur-Romes beschouwen. Omdat ze christelijk waren konden ze ook behoren tot een niet-Romeins verleden: dat van het Oude Testament', aldus Brown. Deze subtiele these van geleidelijke afstand tot Rome, zonder dat de Romeinse gewoonten en traditie worden verworpen, is typisch voor Brown. De sterke regionalisering van de kerk en christelijke cultuur viel samen met de versterking van de centrale koningsmacht in de meeste koninkrijken.

Aan het negende-eeuwse hof van de Karolingen, die met geweld een deel van het oude West-Romeinse Rijk bijeenbrachten en ook het westelijke keizerschap weer instelden, vloeiden deze minichristendommen weer samen. Volgens Brown ontstond er pas toen 'een nieuwe wereld, niet langer volledig gedomineerd door oude modellen'. Er was weer een gemeenschappelijk referentiepunt, met een centrale elite, die zelfs over een nieuw communicatiemiddel beschikte: het heldere lettertype van de Karolingische minuskel. Het oude, 'verwaterde' kerklatijn dat dicht stond bij de geëvolueerde romaanse volkstalen werd vervangen door een klassieker Latijn, dat een stabielere maar ook een dode taal was. Vanuit deze eenheid ontstonden weer nieuwe modellen: de feodaliteit, het hofstelsel in de landbouw, het 'Rooms-Duitse' keizerschap.

Lucullus

Brown tovert allerlei verhalen en voorbeelden tevoorschijn. Zoals dat van de kluizenaar Severinus, de 'heilige van de open grens' die in de tweede helft van de vijfde eeuw rondtrok in het westen van wat nu Oostenrijk is. 'Het is een grimmige glimp van de menselijke kosten van de breekbare nieuwe samenleving die ontstond zodra de 'Romeinse' en de 'barbaarse' zijden van de grens implodeerden', aldus Brown. Aan de Donau organiseerde Severinus ondersteuning voor de armen en hij predikte collectieve boetedoening. Maar hij was bovenal befaamd om zijn gezag bij de christelijke èn heidense 'barbaren' van over de Donau, die steeds vaker de grensrivier overstaken om de kleine Romeinse steden 'bescherming' aan te bieden tegen weer andere Germaanse stammen. Severinus zorgde er voor dat deze bescherming ook daadwerkelijk werd gegeven, zodat bijvoorbeeld niet de Romeinse stedelingen direct als slaven werden verkocht. En het werkte. Volgens koning Gibuldus van de Alemannen was hij zelfs op het slagveld nooit zo bang als voor de woede van deze charismatische monnik. Om het contrast met het ruige Donaugebied te schetsen vermeldt Brown nog dat het heiligenleven van deze Severinus kort na diens dood werd geschreven in een rustig klooster aan de baai van Napels. En dat beschermer en buurman van dat klooster niemand anders was dan de laatste Romeinse keizer, Romulus Augustulus. Die was daar na zijn afzetting door een Germaanse generaal in 476 met een comfortabel pensioen neergestreken in een villa die ooit had toebehoord aan en nog steeds heette naar Lucullus, de bekende lekkerbek uit de tijd van keizer Augustus.

En om nog zomaar wat inzichten en opmerkelijke verhalen uit Browns rijke boek te noemen: door de invoering van de nieuwe schrijfletter in de achtste eeuw (de karolingische minuskel) werden in het westen oudere manuscripten vrijwel onleesbaar. Wat niet in de nieuwe letter werd gekopiëerd was zo goed als verloren. In Constantinopel werd in dezelfde tijd eenzelfde schriftvernieuwing doorgevoerd. Maar in het Syrische christendom, waarvan de cultuur onder de Islamitische kaliefs gewoon bleef voortbestaan, werd het schrift pas in de moderne tijd veranderd. In de grote Historia van deze Monofysitische Kerk uit de twaalfde en dertiende eeuw is dan ook nog altijd de echo van de vijfde eeuw te horen, opgedaan in de nog altijd uitstekend leesbare teksten uit oude bibliotheken in de Syrische kloosters.

En: in het jaar 591 kwam een groepje oostelijke Turken uit Centraal-Azië aan in Constantinopel. Op hun voorhoofd was een kruis getatoeëerd, maar het waren geen christenen. Ze legden uit dat ze het kruis aan hun moeders hadden te danken. Toen de pest was uitgebroken hadden die de raad van een christen opgevolgd om deze bescherming op hun kinderen aan te brengen.

Ongeveer gelijktijdig met Browns boek verscheen dit jaar een Nederlands boek over hetzelfde onderwerp: Gods stad op aarde. Eenheid van kerk en staat in het eerste millenium na Christus van de Amsterdamse mediëvist Piet Leupen. De interpretatie van de periode verschilt niet veel, al legt Leupen niet zo veel nadruk op de verbrokkeling in de zevende eeuw. Het verschil ligt vooral in de greep op de materie. Leupen heeft een vrij schools overzichtsverhaal geschreven. Het beknopte werkje is dan ook niet veel meer dan een uitwerking van Leupens hoorcolleges aan de Universiteit van Amsterdam. Brown daarentegen heeft dankzij zijn adembenemende detailkennis en slimheid in het leggen van verbanden, een soort geschiedkundige symfonie geschreven die zich - vrees ik - amper laat samenvatten voor een tentamen.