Oorlogsmemoires van Milo Anstadt; Het ik bleef uitgeput achter

Milo Anstadt: De verdachte oorboog. Autobiografische roman. Contact. 208 blz., ƒ 34,90

Gêne kan evenals schuldgevoel of bescheidenheid een beletsel zijn bij het schrijven van memoires. Dan is het genre van de autobiografische roman een uitkomst: wat te beladen, te pijnlijk is om onverbloemd uit te spreken, kan aan een romanpersonage worden toegeschreven. Fictie schept afstand, en raakt juist daardoor vaak dichter aan de waarheid dan een zuiver autobiografisch verslag.

Milo Anstadt heeft zowel romans geschreven als de memoires Kind in Polen (1982) en Polen Amsterdam 1920-1940 (1995). In De verdachte oorboog, zijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog, lijkt hij een tussenvorm, een combinatie van fictie en autobiografie, te hebben gekozen. Het probleem waar hij voor stond, licht hij toe in een nawoord: 'Het ik dat de trage oorlogsjaren had overleefd, bleef uitgeput achter. Een alter ego verzamelde de gehavende herinneringen en werkte ze uit.' Hij was slechts in staat die herinneringen op te schrijven door af te zien van de ik-vorm en zich te bedienen van de derde persoon: 'Milo zei', 'Milo dacht'. Om dezelfde reden gaf hij het boek de ondertitel 'Autobiografische roman'.

Hoe begrijpelijk deze kunstgreep ook is, het blijft een kunstgreep. Een autobiografie, geschreven door Milo Anstadt, waarin de hoofdpersoon Milo Anstadt heet, waarin alle andere personages eveneens onder hun echte namen figureren en deelnemen aan gebeurtenissen die zo natuurgetrouw mogelijk en in een zakelijke, rapporterende stijl worden beschreven, is geen roman.

Nu is het voor de lezer op zichzelf niet zo belangrijk welk etiket een schrijver op zijn boek plakt, maar in dit geval wel. omdat Anstadt de belofte van een roman niet waarmaakt. Daarmee heeft hij de kans laten liggen met fictionele middelen een extra dimensie aan zijn verhaal toe te voegen.

Een voorbeeld van een boek met een vergelijkbare thematiek waarin herinneringen wel in de vorm van een 'echte' roman werden gegoten, is Voor bijna alles bang geweest van Lisette Lewin (1989). Ook dat is een evident autobiografisch verhaal, in dit geval over de oorlogservaringen van een joods meisje. Het alter ego van de schrijfster, Emma, noteert daarin ervaringen die soms zo pijnlijk en hard aankomen dat Lewin ze misschien als Lisette Lewin niet had kunnen vertellen. Anstadt geeft zichzelf als romanschrijver minder vrijheid, omdat steeds Milo aan het woord blijft.

De schrijver/hoofdpersoon is een mild, relativerend mens. Behalve een beschrijving van de manier waarop hij met zijn vrouw Lidy en zusje Sera de oorlog overleefde, bevatten zijn memoires de boodschap dat het denken in termen van goed en fout geen enkel doel dient. Met het verwijt dat de Nederlandse bevolking de joden te weinig bescherming heeft geboden, kan hij net zo min instemmen als met het mea culpa van koningin Beatrix tijdens haar redevoering in Israel. De doorsnee Nederlander, al dan niet joods, al dan niet ondergedoken, al dan niet actief in het verzet, heeft volgens hem gedurende de oorlog doorgeleefd, wachtend op de bevrijding. Ieder deed dat op zijn manier en Anstadt vindt het 'nogal makkelijk om vijftig jaar later, in de comfortabele situatie van vrijheid en welvaart te denken dat die mensen het toen zo slecht deden. De mensen deden het niet goed, zoals zij het nooit goed doen.'

Milo Anstadt, geboren in 1921 in Polen en als jongetje met zijn ouders naar Amsterdam geëmigreerd, was 19 toen de Duitsers Nederland bezetten. Als voorstander van assimilatie en als marxist voelde hij zich ondanks zijn vier joodse grootouders niet joods, een instelling die hem, in combinatie met zijn weinig joodse uiterlijk, hielp uit handen van de nazi's te blijven. Tegen het einde van de oorlog had hij zich dermate met zijn in valse papieren vastgelegde niet-joodse identiteit vereenzelvigd, dat hij zijn onderduikadres durfde te verlaten en een huis huurde waarin hij joodse onderduikers gastvrijheid bood.

Met deze episode, herfst-winter 1944, laat Anstadt zijn herinneringen beginnen. In zijn huis aan de Amsterdamse Plantage Muidergracht bivakkeert een aangenaam gezelschap kunstenaars en intellectuelen. Tot de huisvrienden behoort de veelbelovende econoom Joop den Uyl, die zich heftig interesseert voor het jodendom en tijdens hongertochten door Noord-Holland een inspirerende gesprekspartner is. Dit deel van de herinneringen doet gezellig aan, zoals wel vaker in oorlogsverhalen. De mooie vriendschap en onderlinge verbondenheid blijven sterker in het geheugen hangen dan de narigheid.

Wanneer Anstadt teruggaat in de tijd, worden schrillere tonen hoorbaar. Er klinkt verdriet en schuldbesef over de deportatie van zijn ouders en van vrienden, er is schaamte en angst. Niet alle onderduikadressen zijn even veilig, niet alle gastheren- en vrouwen even betrouwbaar. Zijn partij, de communistische, behandelt niet iedereen rechtvaardig en hijzelf is ook niet altijd recht door zee. Zo komt hij in gewetensnood als hij het communisme de rug toe keert maar wel gebruik blijft maken van de faciliteiten die hem door de partij worden geboden. En als hij ook nog op strooptocht gaat in het huis van weggehaalde joden, voelt hij zich nauwelijks beter dan de collaborerende firma Puls die in dit werk is gespecialiseerd

Aan eerlijkheid ontbreekt het Anstadt beslist niet en ook is hij als memoire-schrijver eerder bescheiden dan ijdel. Het is de vorm van zijn boek die hem dwingt aan de oppervlakte te blijven, aan de buitenkant van zichzelf en van de mensen die hij beschrijft. Zijn verhaal geeft inzicht in de manier waarop de hoofdpersoon zijn emoties heeft verdrongen, niet in de emoties zelf. Emotioneel beladen moet bijvoorbeeld Milo's verhouding geweest zijn tot zijn dochtertje Irka. Zij zat de hele oorlog ondergedoken bij vreemden, wat voor de ouders een onvoorstelbare bron van zorgen, angst, ongerustheid en schuldgevoel moet zijn geweest. Daarover zijn de memoires uiterst sober, het kind wordt, zeker in vergelijking tot iemand als Den Uyl, nauwelijks genoemd.

Anstadts aanpak verplicht hem tot discretie. Die hindert hem ook bij het doorgronden van wat hij zelf zijn seksuele obsessie noemt, een onderwerp dat hij tot thema verheft zonder zich er onbekommerd over te kunnen uitspreken. Een gelukkige bijkomstigheid is dat hij het samengaan van promiscuïteit en oorlog al eerder aanroerde in de roman De opdracht (1985), dat nu met terugwerkende kracht diepte verleent aan de memoires.

    • Elsbeth Etty