New journalism van Márquez; Gekkenhuis Colombia

Gabriel García Márquez: Ontvoeringsbericht. Meulenhoff, 323 blz., ƒ 39,90

Er was iets vreemds aan de hand met de Europese première van het boek Noticia de un secuestro van Nobel-prijswinnaar Gabriel García Márquez (69), dat nu ook in Nederlandse vertaling is verschenen. Speciaal voor de gelegenheid was de Colombiaanse schrijver, in Spaanstalige streken beter bekend onder de koosnaam Gabo, dit voorjaar naar Madrid overgevlogen. Maar over zijn jongste werk, een ruim driehonderd pagina's omvattende verslag van de geruchtmakende massa-ontvoering van merendeels prominente Colombianen door drugsbaron Pablo Escobar, bleek de schrijver weinig mededeelzaam.

Wat op het eerste oog een misplaatst soort arrogantie leek - schrijver-patriarch weigert hooghartig commentaar als het gewone volk hem daarom vraagt- bleek achteraf bezien enigszins begrijpelijk. Want het noodlot had juist die dagen een bizarre grap met Márquez uitgehaald: de auteur bleek zelf het middelpunt te zijn geworden in een Colombiaanse ontvoerings-zaak, waarover de onderhandelingen op dat moment in volle gang waren. Het betrof een kidnap door een marxistische groep die zich Waardigheid voor Colombia noemde. Slachtoffer was de architect Juan Carlos Gaviria, de broer van de Colombiaanse ex-president César Gaviria die in het boek van Márquez een centrale rol speelt. Eis nummer één van de ontvoerders: het onmiddellijk aftreden van het huidige staatshoofd van Colombia, de met narco-schandalen omgeven president Samper. Eis nummer twee: Gabo als nieuwe president.

García Márquez zag zich plotseling gesteld voor dezelfde dilemma's die hij nauwgezet beschreven had in zijn jongste boek. “Ik leef in mijn eigen boek”, zo zou de schrijver volgens het Amerikaanse weekblad Newsweek in wanhoop hebben uitgeroepen. De zaak kwam deze zomer op het nippertje tot een goed einde, mede door de bemiddeling van de Cubaanse dictator - en vriend van García Márquez - Fidel Castro.

Dit Droste-effect waarmee Ontvoeringsbericht het licht zag, mag kenmerkend heten voor de vervreemdende Zuidamerikaanse werkelijkheid die al eerder als voedingsbodem diende voor het werk van Márquez. Als scenario zou het moeiteloos passen in de magisch-realistische roman-traditie waar de schrijver zijn roem aan ontleent. Dat het nu juist een van diens meest journalistieke boeken is, die de scheidslijn tussen realiteit en fictie op hol deed slaan, is een ironisch toeval.

Márquez begon zijn schrijverscarrière als journalist. In zijn oeuvre grijpt hij dan ook regelmatig terug op een al dan niet geromantiseerde vorm van de reportage of de uitwerking van een waar gebeurd verhaal zoals Verslag van een schipbreukeling, De kampioen van Colombia en Kroniek van een aangekondigde dood.

Ontvoeringsbericht past in deze reeks. Het is het nauwgezette verslag van een maanden durende mega-ontvoering die eind 1990 werd gepleegd door een groep drugshandelaren onder leiding van Colombia's almachtige bendeleider Pablo Escobar, de baas van het Medellín-kartel. Tien mannen en vrouwen, voor het overgrote deel journalisten, werden toen door Escobar gegijzeld. In zenuwslopende onderhandelingen met president César Gaviria eiste Escobar als politieke opponent te worden behandeld in plaats van als misdadiger. De drugs-handelaren wilden in ruil voor hun eventuele overgave aan de autoriteiten in aanmerking komen voor relatief lichte straffen in een luxe gevangenis en vooral voorkomen dat zij zouden worden uitgeleverd aan de Verenigde Staten, waar brommen ook werkelijk brommen is.

Beurtelings beschrijft García Márquez het verloop van de gebeurtenissen vanuit het perspectief van gegijzelden en dat van hun familieleden en vrienden die zich inzetten voor hun vrijlating. Het resultaat is een afwisselend absurde en beklemmende registratie van een maandenlange uitputtingsstrijd. Beklemmend is het boek door de beschrijving van de geestelijke en lichamelijke aftakeling van de gijzelaars en de botte willekeur van het regime waar zij zich plotseling aan onderworpen zien. De dreiging wordt opgeroepen door de als gevolg van alcohol en het slaapmiddel rohypnol opgefokte bewakers. Maar ook door het absurdisme van een bewaker die zijn machinepistool even aan een van de gijzelaars geeft om zijn handen vrij te hebben. Of door de geldverslindende braspartijen waarbij de huishoudpot dermate snel op raakt dat een van de gevangenen aanbiedt een bijdrage te lenen aan zijn bewakers. “Ik wilde mijzelf bewijzen dat ik, zonder de feiten te veranderen, een reportage kon schrijven die meer leek op een roman dan al mijn vorige romans”, zo wordt de schrijver aangehaald op de flaptekst van de Nederlandse uitgave van zijn boek.

García Márquez beoefent een vorm van new journalism: de lezer kijkt aan de hand van schrijver mee door de ogen van de hoofdpersonen en volgt letterlijk hun dialogen en gedetailleerde observaties (bij president Gaviria zelfs tot in zijn slaapkamer) zonder dat de bron van deze informatie rechtstreeks staat vermeld. Dat genre mag in de Spaanstalige journalistiek op grote populariteit rekenen. Wellicht vanuit de gedachte dat dialogen lekker lezen en je bij de les houden.

Wie voor een dergelijke goed-verteerbare vorm kiest bevindt zich journalistiek echter op het gladde ijs van stilistische concessies aan de werkelijkheid. Neem de veelvuldig gebruikte dialogen. Een via-via doorverteld citaat is aanmerkelijk minder betrouwbaar dan een opmerking die een journalist rechtstreeks iemands mond optekent. Niet zelden komt het bij dit genre voor dat de lezer na enig puzzelwerk moet concluderen dat de reporter niet alleen onmogelijk bij het gesprek aanwezig kan zijn geweest, maar de door hem geciteerde woorden zelfs evenmin uit eerste hand kan hebben vernomen.

García Márquez weet dergelijke valkuilen behendig te vermijden. Letterlijk dialogen worden alleen weergegeven als de schrijver rechtstreeks een van de bronnen geraadpleegd kan hebben. Hetzelfde geldt voor de karrevracht aan - niet altijd even relevante - details en uitweidingen die het boek rijk is. Márquez vermeldt vaak welke fragmenten hij niet uit eerste hand heeft vernomen, maar een algemene verantwoording ontbreekt.

Wie bereid is zijn journalistieke twijfels te laten varen, vindt in Ontvoeringsbericht een spannende reportage. Niet alleen wordt gedetailleerd een spectaculaire gijzelingszaak beschreven, ook is het boek een schets van het sociaal-politieke gekkenhuis Colombia waar corruptie, terreur en geweld de samenleving hebben ontwricht.

Voor dat laatste is wel enig inlevingsvermogen vereist. Vier kandidaten voor de presidentsverkiezingen van 1990 werden vermoord. De huidige president Ernesto Samper overleefde bij toeval een kogelregen. Autobommen met honderden kilo's dynamiet richtten apocalyptische taferelen aan in de straten van Bogotá en Medellín, met honderden doden en gewonden. De terreur was beurtelings afkomstig van de revolutionaire guerrillabewegingen en de privé-legertjes van drugsbaronnen, en bij sommige gelegenheden van die twee in eendrachtige samenwerking. Journalisten die onwelvallige stukjes schreven werden op straat neergeknald, hun grafzerken opgeblazen.

Ontvoeringen en gijzelingen waren en zijn in Colombia een veel gehanteerd middel om - behalve miljoenen aan losgeld - politieke of juridische consessies af te dwingen. Het fenomeen van de gijzeling heeft Márquez naar eigen zeggen al langer bezig gehouden en dat is niet verwonderlijk voor een man die gefascineerd lijkt door macht en machthebbers. Het machtsspel bij een gijzeling moet secuur worden gespeeld. Op het eerste gezicht heeft de gijzelnemer alle troeven in handen. Maar hij kan ze maar een keer uitspelen en in geval van mislukking is hij weer terug bij Af.

In het geval van Pablo Escobar treft García Márquez een dankbaar karakter. Een schurk die met zijn boerenslimheid, proleterige charisma en meedogenloze karakter zo weggelopen lijkt uit een B-film. Een harde onderhandelaar, die er niet voor terug schrikt zijn gijzelaars af te laten slachten, maar anderzijds tot tranen toe geroerd is door zijn oude moedertje. Een despoot met sentimentele en bijgelovige trekjes, die bij de onderhandelingen uiteindelijk zijn vertrouwen stelt in een half-seniele televisie-pater. Een drugsbaron die zich wentelt in zijn almacht, maar wiens achtervolgingswaan zover doorslaat dat hij bezoekers ervan verdenkt zijn schuilplaats te kunnen verraden door onderhuids of in tanden aangebrachte radiozendertjes.

Net als veel andere Colombianen kan Márquez niettemin een zeker respect voor de drugscapo niet onderdrukken. Escobar, zo laat zich de bewondering samenvatten, slaagt er toch maar mooi in de volledige Amerikaanse politiemacht bij de neus te nemen. Anarchistisch schelmengedrag kan in de Latijnse traditie nu eenmaal op de nodige bijval rekenen, zeker als het de yanquis knarsetandend het nakijken geeft.

Márquez verliest zich in de beschrijving van de twee tegenpolen in de onderhandelingen - Escobar en president César Gaviria - helaas in enigszins ronkende beschrijvingen van hun karakters. Vooral Gaviria wordt hier het slachtoffer van. Terwijl de families van de gijzelaars de president verwijten een aantal cruciale fouten te hebben gemaakt - en de beschreven feiten hen voor een deel gelijk geven - is Gaviria bij Márquez bovenal zakelijk, analytisch en in het bezit van een 'meesterlijk vermogen om alles in twijfel te trekken alvorens een definitief besluit te nemen'.

Het wemelt van dergelijke, ietwat archaïsch aandoende, superlatieven in de Nederlandse vertaling van Arie van der Wal. Bendeleiders zijn 'onverschrokken', filmgangsters 'bandeloos' en typische karaktertrekjes moeten regelmatig als 'rasecht' worden omschreven. García Márquez vertalen lijkt me bij tijd en wijlen dan ook geen pretje. Afgezien van de soms nogal clichématige omschrijvingen heeft de auteur ook een patent op complexe zinsconstructies waarbij men al snel het spoor bijster raakt tussen de vele bij- en hoofdpersonen. Hier en daar draagt de vertaling bovendien sporen van haastwerk. Gelukkig is het grootste deel van het boek geschreven in een betrekkelijk toegankelijke en droge stijl, waarbij niet zelden een zwart soort humor valt te bespeuren. De burleske werkelijkheid die Márquez beschrijft kan het makkelijk stellen zonder al te veel opsmuk.

De gijzeling zou uiteindelijk twee slachtoffers eisen, maar Escobar bereikte zijn doel. Uitwijzing naar de Verenigde Staten was, na een wijziging van de Colombiaanse grondwet, van de baan. In ruil hiervoor liet de drugsbaas zich vrijwillig onderbrengen in een speciaal voor hem ingericht cellencomplex in - zoiets verzin je niet - een voormalige ontwenningskliniek voor drugsverslaafden. Dat zijn gevangenis al snel na zijn detentie niet meer te onderscheiden was van een vijfsterren-hotel kon niet verhinderen dat Escobar zomaar met lijfwachten en al de deur uitwandelde, een aantal doodsbange bewakers en soldaten achter zich latend.

Op 2 december 1993 werd Escobar door de Colombiaanse politie doodgeschoten. Dit gebeurde nadat hij een kort telefoongesprek had gevoerd met zijn zoon, dat agenten van de Amerikaanse drugsbestrijdingsdienst DEA hadden getraceerd. “Ik hang op”, waren Escobars laatste woorden, “Want er gebeurt hier iets vreemds.”