Nederland in de herkansing

De Troonrede en de Miljoenennota mogen dit jaar Europees gerichte documenten worden genoemd. Het beleid is op verschillende essentiële onderdelen onomwonden aangepast aan de eisen en bandbreedtes die Europa stelt. Slagen voor het EMU-examen bijvoorbeeld laat de ware Europese geest zien, en met het voorzitterschap van de Europese Unie voor de boeg was zicht daarop wel een minimumvoorwaarde voor Nederlandse geloofwaardigheid.

Opnieuw valt dat voorzitterschap samen met een voor Europa cruciale fase. In de eerste zes maanden van volgend jaar zal wat Maastricht II is gaan heten - de herziening en aanpassing van het verdrag dat in december 1991 in de meest Europese stad van Nederland werd gesloten - zijn beslag moeten krijgen.

Den Haag heeft ten aanzien van het voorzitterschap drie prioriteiten: 1) de herziening moet onder het Nederlandse voorzitterschap worden afgerond; 2) het voorzitterschap mag geen kleerscheuren oplopen; 3) de inhoud van het herziene verdrag. Die volgorde maakt duidelijk dat men herhaling van de panne van bijna vijf jaar geleden wil voorkomen. Luxemburg had toen met een door Frankrijk geïnspireerd voorontwerp Nederland praktisch de pas afgesneden. Desondanks presenteerde het kabinet-Lubbers op de zogenoemde zwarte maandag, 30 september 1991, in de Raad van Ministers een eigen voorstel dat, zeker vergeleken met het Luxemburgse ontwerp, aanspraak kon maken op de kwalificatie 'federalistisch'. Den Haag had het verguisde F-woord min of meer tot het zijne gemaakt. Het voorstel werd praktisch zonder debat van de agenda gevoerd.

Het feit dat inhoud en strekking van de herziening wat Den Haag betreft op een 'zien komen' plaats is terecht gekomen, schept ruimte voor een geslaagd voorzitterschap. Nederland zal wel een eigen inbreng hebben, maar die zal zonodig ondergeschikt worden gemaakt aan het hogere doel van het bereiken van Europese consensus. Teken van die Haagse plooibaarheid was het eerder dit jaar bij de Inter-Gouvernementele Conferentie over de herziening ingediende Benelux-memorandum, een signaal aan de partners dat althans voor een Haagse Alleingang ditmaal niet behoefde te worden gevreesd. De Benelux-formule spoort traditioneel nu eenmaal niet met betere kansen voor puur vaderlandse ideeën.

Overigens was dat memorandum niet veel meer dan een samenvatting van tendenties in het gezamenlijke denken, een discussiestuk ten bate van de andere gedelegeerden en bepaald geen formulering van minimumvoorwaarden waarop de drie landen konden worden aangesproken.

Als aanstaand voorzitter werpt Den Haag bovendien zijn netten verder uit dan de Benelux; het houdt, vergeleken met 1991, niet alleen voeling met meer landen, maar met die landen ook op meer niveaus. De tijd dat het vooroverleg nagenoeg aan de staatssecretaris voor Europese Zaken en aan de permanente vertegenwoordiger in Brussel werd overgelaten, is voorbij. Partners worden zoveel mogelijk aangesproken en vooral gehoord op het niveau waar uiteindelijk de dienst wordt uitgemaakt, een wijze van werken die Lubbers in 1991 als reddingsoperatie toepaste.

Ook al heeft Den Haag zijn methodiek aangepast aan de krachtsverhoudingen in Europa, het bereiken van consensus zal niet eenvoudig zijn. Maastricht II gaat over de aanpassing van de Europese instituties aan een verder verruimde Europese Unie. Zelfs rekening houdend met de mogelijkheid dat de kandidaatleden in Oost- en Zuidoost-Europa zo lang mogelijk in de buitenste ring van de Unie zullen worden gesitueerd, zal er straks in Amsterdam toch iets van stroomlijning moeten worden waargemaakt: de samenstelling van de Commissie en de stemverdeling binnen de Raad komen daarbij aan de orde, alsmede de vraag hoe het aantal commissarissen moet worden beperkt.

In het middelpunt van de belangstelling staat hoe de zogenoemde tweede pilaar van Maastricht - het Gemeenschappelijke Buitenlandse en Veiligheids Beleid - moet worden vorm gegeven. Daarbij gaat het niet om de inhoud - niemand weet hoe die er in voorkomende gevallen uit zou moeten zien - maar om de procedure. Wordt er in de toekomst bij meerderheid van (gewogen) stemmen besloten en zo ja, in welke fase van de uitvoering van een gemeenschappelijk overeengekomen voornemen? In zekere zin is dit een theoretische kwestie. De lidstaten zijn binnen het acquis communautaire gewend op hoofdzaken consensus na te streven, en dat zou ook de gewoonte in het GBVB moeten zijn. Ten slotte is het niet goed denkbaar dat de Unie een lijn uitzet waarmee een van de grote lidstaten zich niet kan verenigen. Maar, zoals wel wordt gesteld, het tempo waarin de karavaan zich voortbeweegt mag niet door de langzaamste deelnemer worden bepaald.

Vooral Frankrijk hecht betekenis aan de zichtbaarheid van Europa in de internationale politiek. Vandaar de idee van een Monsieur X, een functionaris die Europees beleid uitdraagt en helpt vormgeven. De gebreken van de bestaande procedure - de repeterende breuk van het halfjaarlijkse voorzitterschap en de toevalligheid van de samenstelling van de namens de Unie naar buiten optredende trojka - zouden op die manier moeten worden ondervangen. Maar bij de partners is het plan weinig populair. De Britten zijn er bij lange na niet aan toe, de CDU/CSU-fractie in de Bondsdag schrijft de Commissie bij de voorbereiding en de vertegenwoordiging van het GBVB te willen betrekken.

Frankrijk heeft, teneinde de IGC van een katalysator te voorzien, een bijzondere topconferentie verlangd. Het spel dat Parijs destijds met Luxemburg heeft gespeeld wordt nu voortgezet met voorzitter Ierland. De gezamenlijkheid heeft, na haar reserves ten opzichte van de ingelaste top te hebben laten blijken, zich bij de Franse wensen neergelegd. Misschien moet betekenis worden gehecht aan de omstandigheid dat ook Bonn er duidelijk geen behoefte aan had. De Duitsers tonen zich assertiever dan voorheen. Maar of het CDU-memorandum een voorproef is van de Duitse houding als het erop aankomt, moet worden afgewacht.

Het Nederlandse voorzitterschap is al een beetje begonnen. Als aankomend voorzitter heeft Den Haag op 1 juli van dit jaar zijn plaats in de trojka ingenomen. De regering onderhoudt naast de Benelux voorbereidende contacten met 'grenslanden' als Zweden en Oostenrijk. Maar uiteindelijk zal zij haar weg, evenals in 1991, moeten vinden binnen de driehoek van de grote lidstaten. De contacten met Bonn zijn goed, die met Londen in herstel, die met Parijs, om allerlei redenen, nog altijd moeizaam. Het werk van 1991 moet gedeeltelijk worden overgedaan. Maar dat ligt in de toen gemaakte afspraken besloten.