'Nazi-goud' zeer lastig te traceren

ROTTERDAM, 20 SEPT. De technische mogelijkheden om 'nazi-goud' aan te wijzen tussen ander goud dat in Zwitserse banken ligt opgelagen zijn volgens Nederlandse deskundigen gering. In eerste instantie zal men een beroep moeten doen op de bewaard gebleven boekhouding van de goud-transacties die in de jaren 1939-1945 tussen Duitsland en Zwitserland plaatsvonden.

De term 'nazi-goud' die al enige jaren populair is voor de aanduiding van geroofd goud dat in Zwitserland terecht kwam dekt twee heel verschillende ladingen. Enerzijds staat zij voor de grote hoeveelheden baar goud die vroeg in de oorlog door de nazi's uit de kluizen van de diverse centrale banken werden geroofd en korte tijd later op min of meer reguliere wijze werden verkocht aan de Zwitserse nationale bank. Anderzijds bedoelt men er het goud mee dat in de laatste maanden van de oorlog in alle haast op diverse plaatsen in Zwitserland in depot is gegeven. Om welke hoeveelheden het in dat laatste geval ging is nooit helemaal duidelijk geworden.

Hoeveel goud de Duitsers wegnamen uit de centrale banken en doorverkochten aan Zwitserland is redelijk bijgehouden. Voor een land als Nederland viel tot op de laatste baar te achterhalen wanneer die werd weggehaald en wanneer dat gebeurde. Prof.dr. Joh. de Vries heeft er in zijn 'Geschiedenis van de Nederlandsche Bank' (deel vijf) een overzicht van gegeven. Maar in welke vorm het Nederlandse goud, dat eerst naar de Reichsbank in Berlijn ging, uiteindelijk Zwitserland bereikte staat niet vast. Volgens De Vries hadden de Duitsers wel de gewoonte om het buitenlandse goud eerst om te smelten en van nieuwe stempels te voorzien voor het werd verkocht. Maar of ze altijd de moeite namen is onzeker, noodzakelijk was het niet. De Zwitsers hadden baar goud dat als Nederlands herkenbaar was waarschijnlijk ook niet geweigerd. Om het cynisch te formuleren: het grote Duitse goudaanbod was sowieso verdacht omdat algemeen bekend was dat Duitsland in 1939 nauwelijks een eigen goudvoorraad had.

De herkomst van baar goud is vooral af te leiden uit het stempel van de 'essayeur' (de keurmeester) en het nummer dat de producent erin slaat. In Nederland zijn beide functies van oudsher verenigd in de ondernemingen Drijfhout & Zoons en Schöne Edelmetalen, beide in Amsterdam. 'Waarborg platina, goud en zilver' in Gouda levert ook essayeurs. De nummering van goudbaren is niet internationaal geregeld, maar de lijsten die de producenten bijhouden zijn wel opvraagbaar. Andere tekens in een goudbroodje geven het gewicht en de zuiverheid aan, zij onthullen weinig over de herkomst.

Zwitserland heeft zich altijd op het standpunt gesteld dat het niets onoirbaars deed met de acceptatie van baar goud uit Duitsland. De Zwitserse nationale bank betaalde voor het goud en zag het niet als haar taak de herkomst te onderzoeken. De geallieerden hebben het Zwitserland op dit punt ook niet al te moeilijk gemaakt. De drie 'trusteelanden' VS, Engeland en Frankrijk lieten Zwitserland in mei 1946, zonder overleg met de kleinere partners, alle verdere aanspraken van geallieerde zijde afkopen tegen een bedrag van 250 miljoen Zwitserse francs in zuiver goud. Nederland, dat overigens nog maar 20 procent van zijn goudvoorraad in eigen land had toen de Duitsers binnenvielen en dat prompt volledig kwijt raakte heeft ongeveer de helft daarvan uit deze afkoop vergoed gekregen. Algemeen wordt aangenomen dat niet zal worden teruggekomen op het verdrag van mei 1946.

Liep de verkoop van het uit de centrale banken gestolen goud uitsluitend via de Zwitserse nationale bank, anders ligt dat bij het 'nazi-goud' dat aan het eind van de oorlog naar Zwitserland kwam en daar in depot ging. Wie de beschrijving van het chaotisch gesleep met goud leest in het boek 'Nazi Gold' van Ian Sayer en Douglas Botting beseft dat het aan Duitse zijde zeker aan een sluitende boekhouding ontbroken moet hebben. Het goud is vermoedelijk op zoveel verschillende plaatsen terecht gekomen dat het in de eerste plaats een probleem zal zijn het materiaal te traceren.

Aangenomen moet worden dat zich onder het goud de resten van de voorraden van de Reichsbank bevonden, maar er is ook het vermoeden dat veel uit joods bezit kwam. Het zou dan gaan om gesmolten en ten dele gezuiverde gouden munten en sierraden en mogelijk ook het 'dental gold', de gouden inlays en kronen die in de vernietigingskampen waren verzameld.

Is het goud omgesmolten en gezuiverd tot een kwaliteit die voor monetair goud gangbaar was (en is), dan is er niet heel veel hoop dat chemische of fysische analyse van het goud bruikbare aanwijzingen kan geven over de herkomst. Een beperkt deel van het huidige monetaire goud bevat 99,5 procent goud, het merendeel is minstens 99,99 procent puur goud ('fijn goud' of 'vier negens' goud). Met moderne fysische methoden (atomaire emissie in een edelgas dat tot plasma is gebracht) is een goed kwalitatief en zelfs kwantitatief beeld te krijgen van de 0,01 procent toegestane verontreinigingen daarin. In principe kunnen die wellicht aanwijzingen geven over de herkomst. Goud wordt immers bijna altijd in legeringen toegepast en gouden munten hebben een andere bijmenging aan metalen dan bijvoorbeeld juweliersgoud. In het 'dental gold' uit die tijd waren palladium en platina min of meer karakteristieke begeleiders. Maar het probleem is dat de Duitsers tijdens de oorlog ook veel gouden munten en sierraden kòchten en omsmolten.