Machteloze brieven van markies de Sade

D.A.F. de Sade: Brieven uit de gevangenis. Vertaald uit het Frans door Théo Buckinx. Bert Bakker, 216 blz. ƒ 29,90

Ook al in zijn eigen tijd was de markies de Sade (1740-1814) berucht, vóór de publicatie van zijn 'filosofische' romans en lang vóór de uitvinding van het sadisme door de negentiende-eeuwse Duitse psychiater Krafft-Ebing. In kranten en vlugschriften werden zijn uitspattingen met verontrusting gememoreerd, nadat ze de aandacht van de politie hadden getrokken. Sodomie en flagellatie konden in de achttiende eeuw nog niet op algemene tolerantie rekenen. Maar minstens zo 'schandalig' werd het gevonden dat de jonge markies er vervolgens met zijn schoonzusje vandoor was gegaan.

Nu was hij destijds niet de enige aristocraat die zich misdroeg, maar weinigen hadden het zo bont gemaakt als hij. Zelf dacht Sade daar heel anders over. Toen hij ten slotte in het cachot was beland, achtte hij zich het slachtoffer van een schromelijk onrecht. 'En dat alles om een stelletje hoeren', schrijft hij vanuit de gevangenis van Vincennes aan zijn echtgenote.

Zijn reactie verraadt de trotse edelman die met soevereine minachting neerkijkt op de rest van de wereld. Ook zijn ergernis over de behandeling die hem in de cel ten deel viel, laat zich voor een belangrijk deel hiertoe herleiden. Wanneer hij iets van zijn cipiers gedaan wil krijgen, geeft hij hun dat te kennen, zonder erom te vragen, want 'ik ben niet in de wieg gelegd om van de zijde van bepaalde lieden, die eerder geboren zijn om mij te dienen dan omgekeerd, een weigerachtige houding te accepteren'.

Zijn positie als gevangene in het kasteel van Vincennes en later in de Bastille was ook ietwat merkwaardig, gevolg van een onder het Ancien Régime overigens normale rechtsongelijkheid. Na in 1772 bij verstek ter dood te zijn veroordeeld, was hij aan executie ontsnapt door (in het gezelschap van dat schoonzusje) naar Italië te vluchten. En toen hij een half jaar later alsnog werd gearresteerd, had zijn schoonmoeder hem via een lettre de cachet aan de greep van de justitie weten te onttrekken.

Sade heeft het zijn schoonmoeder, de echtgenote van de rechtbankpresident De Montreuil, niet in dank afgenomen. In het kasteel van Vincennes en de Bastille was hij overgeleverd aan haar genade. Zij trachtte op deze manier de familie-eer tegen verdere bezoedeling te beschermen en wachtte, evenals de politie, op een teken van berouw. Maar Sade leek niet van plan zijn leven te beteren.

Vervuld van haat en wrok, fantaseert hij over zijn schoonmama en haar zwarte gal. Hij moet er zelfs een tekening van gemaakt hebben, waarop zij naakt en op haar rug liggend is afgebeeld, als 'een van die monsters die de zee soms open en bloot op de kust achterlaat', terwijl de politiechef van het koninkrijk haar pols voelt en zegt: 'Madame, u hebt een punctie nodig of de gal zal u verstikken'.

Helaas ontbreekt de brief waarin dit smakelijke beeld wordt opgeroepen in de onlangs uitgekomen Brieven uit de gevangenis. Vertaler en samensteller Théo Buckinx blijkt een nogal merkwaardige keuze te hebben gemaakt uit Sade's overvloedige correspondentie. In de bundel zijn uitsluitend brieven aan de echtgenote opgenomen, en dan nog alleen de brieven die in 1980 zijn verzameld door Georges Daumas en Gilbert Lely in hun uitgave van Sade's Lettres et mélanges littéraires. Alle eerder uitgegeven correspondentie heeft men buiten beschouwing gelaten. Wellicht omdat fragmenten uit die brieven al zijn gebruikt in de - vertaalde - biografieën van Pauvert en Thomas, maar het was aardig geweest ze nu eens in hun geheel te kunnen lezen.

Sade's niet geringe epistolaire talent had een ruimere selectie alleszins verdiend. Gelukkig blijkt dat ook uit deze brieven aan Renée-Pélagie, al laat Sade zich hier van zijn meest knorrige kant zien. Brief na brief is gevuld met een ongelofelijk gekanker. Niets deugt, terwijl madame de Sade toch haar uiterste best lijkt te doen om het haar gevangen echtgenoot naar de zin te maken. Zij stuurt hem potten met rundermerg, frambozen en abrikozen, geglaceerde biscuits, flesjes lavendel en eau de cologne, oranjelikeur, strooizand en nachtkaarsen. Zelfs een bestelling van erotische hulpmiddelen wordt gehonoreerd, maar de discreet als 'flacons' aangeduide kunstpenissen waarmee de markies zich anaal placht te bevredigen blijken te klein naar zijn zin.

Zo is er altijd wat. Wanneer zij hem op 22 februari 1779 een cahier doet toekomen dat meer dan het aantal gevraagde bladzijden bevat, is hij in alle staten. Hij klaagt over het 'lelijk, grof, minderwaardig koopmanspapier', maar wat hem nog het meest dwarszit is de suggestie dat hij toch tijd genoeg zal hebben om het vol te schrijven. In het aantal extra pagina's meent hij een verborgen 'teken' te zien omtrent de duur van zijn detentie.

Zulke 'tekens' duiken voortdurend op in de brieven. Omdat Sade gevangen zat op grond van een lettre de cachet, stond het niet vast wanneer hij weer in vrijheid zou worden gesteld. Behalve het gebrek aan respect voor zijn adellijke rang, blijkt deze onzekerheid zijn grootste kwelling te zijn. Ervan overtuigd dat zijn schoonmoeder al wel een datum in haar hoofd heeft (en dat ook zijn vrouw die kent), speurt hij al haar brieven af naar geheime aanwijzingen die deze datum verraden.

Zijn fantasie slaat volledig op hol, met als gevolg een wonderlijk soort getallenmystiek. Elk cijfer dat genoemd wordt, moet in zijn ogen een diepere betekenis hebben. Niet alleen trouwens waar het zijn invrijheidstelling betreft, ook ten aanzien van verlangde gunsten binnen de gevangenis blijken de brieven van Renée-Pélagie uitsluitsel te moeten bieden. Zo wordt hij in de Bastille geobsedeerd door het getal 37, dat hij associeert met de 'frisse lucht' die hem een tijdlang is onthouden. Zelf stelt hij voor hem voortaan 'van 3 tot 7' naar buiten te laten gaan, dat zou 'de mooiste 37 (zijn) die ooit is gevormd'.

Intussen is van berouw nog altijd niets te bespeuren. 'Ik verklaar u in mijn afgrijselijkste kwellingen dat er niets ter wereld is waardoor ik mijn gewoonten of mijn wijze van denken zal opgeven.' De gevangenis maakt alles juist alleen maar erger, vindt Sade. Zelf prefereert hij genezing door oververzadiging; in plaats van 'menseneters' had men hem het gezelschap van een eindeloze stoet meisjes van lichte zeden moeten opdringen, schrijft hij in een schitterende doch niet in deze selectie opgenomen brief.

De onverbeterlijkheid is, niet minder dan het aristocratisch standsbesef, een uiting van trots. Sade's geestkracht blijft op een uitdagende manier ongebroken. Op alle mogelijke manieren probeert hij zijn vrouw onder druk te zetten, door te speculeren over haar vermeende ontrouw (met mannen én vrouwen, bekrompen is Sade nooit), door te dreigen haar en hun kinderen te verlaten, door haar uit te schelden en van grove nalatigheid ('Stuur me toch mijn borststukken!') te betichten.

Deze uit machteloosheid geboren strategie heeft iets adembenemends, al blijft het effect gering: ook Renée-Pélagie stond machteloos, verscheurd door de loyaliteit jegens haar man en die jegens haar onbarmhartige moeder. Op de achtergrond is zij het meest tragische personage van deze vaak bizarre correspondentie.

Sade's eigen tragiek wordt enigszins overschaduwd door zijn frenetieke wraakgevoelens. 'Liever nog zou ik straks door de bliksem worden getroffen dan dat ik mijn hoop op wraak opgeef. Alleen door mij daarmee op alle mogelijke manieren bezig te houden en mij erin te verlustigen, slaag ik erin mijzelf voor alle ellende te troosten'. In welke richting zijn gedachten gingen, blijkt verderop. Sade neemt zich voor 'met een uitzinnigheid en een vasthoudendheid van geest alles te bedenken, waardoor u en uw familie spijt zullen krijgen van uw gedrag' en hij voegt eraan toe: 'In Holland zijn er drukkers, er heerst vrijheid! U kunt er heel zeker van zijn dat ik daarvan gebruik zal maken'.

De wraak zou uiteindelijk de vorm krijgen van De 120 dagen van Sodom, Justine of de tegenspoed van de deugd, Slaapkamergesprekken en Juliette of de voorspoed van de ondeugd. Romans waarin de morele orde volledig op haar kop wordt gezet en waarin, onder de hoede van een oppermachtige Natuur, een gruwelijke economie van de lust regeert. Een uitvergroting tot kosmische proporties van Sade's gevangeniswereld, zou je ook kunnen zeggen.

Beter dan wat ook laten deze romans de dubbelzinnigheid van zijn positie uitkomen. Het onrecht dat hij in zijn brieven aanklaagt, is in zijn literaire universum regel geworden. En het wordt er in lange filosofische uitweidingen gelegitimeerd. Sade's wraak is subtiel geweest: beulen en rechters blijken zich ook door de onschuld van hun slachtoffers niet te laten vermurwen, onschuld stimuleert juist hun wellust. Dezelfde instelling verwijt Sade zijn schoonmoeder en haar medeplichtigen. Maar uit de romans kan men opmaken dat hem niet zozeer het onrecht dwars zat, als wel het feit dat hij er het slachtoffer van was geworden.

Nadat de Franse Revolutie, in 1789, een einde had gemaakt aan de gevangenschap, presenteerde Sade zich wel als een martelaar voor de vrijheid en een beklagenswaardige prooi van de tirannie. Niet iedereen was zo vriendelijk om daar in te trappen. Door een revolutionaire pamflettist werd eraan herinnerd dat Sade alleen dankzij de invloed van zijn adellijke schoonfamilie aan het schavot was ontkomen; hij had in feite geen enkele reden om zich achteraf op zijn jaren in de cel te beroemen, want als een moderne versie van het feodale 'monster' Gilles de Rais had hij de dood dubbel en dwars verdiend.

Dat Sade de feodaliteit een warm hart toedroeg, lijdt geen twijfel, getuige de brief waarin hij terugverlangt naar 'de gelukkige tijd van de Heilige Liga, toen een ernstig beledigde seigneur het recht had zijn vaderland voor zijn onrechtvaardigheden te laten boeten door onmiddellijk naar de wapens te grijpen'. Minder feodaal was de verlichte rationaliteit waarmee hij van zijn wraakneming een filosofisch systeem heeft gemaakt. En dat geeft aan zijn dubbelzinnigheid ook nog een andere dimensie.

De filosofie in Sade's romans berust op een radicale pervertering van de ideeën van de Verlichting. Maar door van de - seksuele - drift de motor te maken van zijn rationalistische systeem heeft hij tegelijkertijd, zij het onbedoeld, de aandacht gevestigd op de verborgen driftmatigheid van elke rationalisering. In elk rationalistisch systeem schuilt een irrationele kern (zoals later omstandig door Nietzsche zou worden aangetoond), waaraan het systeem zelf geen recht kan doen. Deze tegenspraak in het denken waarop de Verlichting haar geloof in vooruitgang en werelds heil baseerde, is voor het eerst bij Sade - in een even extreme als karikaturale vorm - zichtbaar geworden.

De brieven die hij in gevangenschap schreef maken op hun beurt iets zichtbaar van de particuliere motieven die dit hebben mogelijk gemaakt.

In oktober verschijnt bij de antiklerikale bibliotheek van uitgeverij Jef Meert: Marquis de Sade, Dialoog tussen een priester en een stervende.