Literair spelletje met Nabokovs Lolita

Pia Pera: Dagboek van Lo. Vertaald uit het Italiaans door Rosita Steenbeek. Meulenhoff, 376 blz, ƒ 45,-

Aan flapteksten zou je geen boodschap moeten hebben, aan interviews met schrijvers nog minder. Maar in nachtmerries is alles anders. In je ergste nachtmerrie zie je ineens de postmoderne Pierlala in de ogen en al wat je rest is prompt de wetten van je fatsoen overtreden; je bent tenslotte niets meer dan een speelbal van hogere machten. Je droomt dat een of andere gek besloten heeft 'Het dagboek van Lolita' te schrijven. Je gilt nog 'niet doen!' en 'laat af!', maar het mag niet baten. Het boek valt uit de lucht en wil bij je op schoot.

Op de voorkant van het boek zie je een jong bedoeld blondje over een zonnebril turen zoals ooit eens in de bar en boze verfilming van een literair meesterwerk. Lolita Was Niet Blond. Op de achterflap lees je dat ene Pia Pera 'met dit geraffineerde literaire spel het ondenkbare heeft gedurfd' want 'in dit briljante, verrukkelijke boek is ze er wonderwel in geslaagd om zowel de onschuldige als de malicieuze aspecten van de Lolita-mythe te laten zien'. Je denkt nog even 'lijkenpikker!' voor je begint te lezen, stiekem hopend op dat geraffineerde literaire spel, want dat van die Lolita-mythe is niet gelogen. In betere dromen, in mildere dromen, in lezersdromen, bekvecht je met iedere gek die denkt te weten hoe duistere scènes in Nabokovs Lolita te verklaren.

In die lezersdromen weet je het altijd beter dan die ander, maar ben je van een hoop zaken nog altijd niet zeker. Is het, bijvoorbeeld, niet verdacht dat de stijl van Dr. John Ray Jr. precies zo onbetrouwbaar en zwaar aangezet is als de stijl van Humbert Humbert? In het nachtmerrieboek van Pia Pera schrijft diezelfde John Ray Jr., die het dagboekje van de nog levende Lolita krijgt aangeboden, weer het voorwoord, maar de man is onherkenbaar van toon en stijl veranderd. Je zet een 'later overdenken' kruisje in de kantlijn. Je komt nog een paar dingen tegen in dat voorwoord die zo'n kruisje verdienen. Je bent op je hoede. Natuurlijk. 't Is een literair spel en 't is een nachtmerrie.

Dus lees je het dagboek van een van de meest beroemde hersenschimmen uit de wereldliteratuur, een jong, tot in de puntjes getekend meisje dat je ooit in een hoekje van een ander, huiveringwekkend heerlijk boek hebt zien zitten huilen. En wat blijkt? Nimfijnen bestaan! Leden van de jury: punt 1 van een eeuwige discussie is opgelost. Nimfijnen blijken geen hersenschimmen. Humberts hele belachelijk briljante verdediging kan overboord, want er blijken werkelijk van die sardonische, verleidelijke, vroegrijpe engeltjes te bestaan - zie voor een uitgebreide beschrijving van het fenomeen Nabokovs Lolita - die erop uit zijn betoverde jagers te verleiden, tot deze nymfijnen ontdekken dat ze enkel dienst doen als de incarnatie van een eerste liefde, een gang van zaken die botst met hun dubbelzinnige aard.

Tjonge. En wat nog eigenaardiger is: ze zijn nog universeel ook. Want die Lolita van Pia Pera, die een kind uit de jaren vijftig moet verbeelden, jengelt net zoals je dertienjarige vriendinnetje van weleer (en zo oud ben je nou ook weer niet) al is Lo's vocabulaire in alle opzichten absurd. 'Rotsen met de kleur van botten, en daaroverheen een soort glazuur dat als je eraan likt de neutrale smaak heeft van de tijd.' Of dit: 'Cynici verdragen geen cynisme.'

En dan die Humbert. Vonden we het al een onuitstaanbaar weekdier, van wie we enkel zijn stijl konden verdragen. Door de ogen van zijn slachtoffertje blijkt maar weer eens hoe onbetrouwbaar onze verteller was, want hij piest met de pleedeur open! En wij maar denken dat het beest Humbert Humbert zijn zelfhaat pareerde met een pseudo-waardige houding zodra Venus verdwenen was.

Een literair spelletje? Jat een aantal punten uit een beroemd boek en verbind de streepjes tussen die punten vanuit een ander perspectief. En als de zaken niet kloppen, wijt je dat aan de onbetrouwbaarheid van de verteller uit het boek waaruit je jatte, zodat slordigheden artistieke vrijheden genoemd kunnen worden.

Ik houd al snel op met kruisjes zetten, wil niets meer overdenken maar probeer nu snel wakker te worden. Alle ontluistering wordt me teveel. En ook dat wicht dat maar aan neuzelt wordt onverdraaglijk. God, wat zijn meisjes van die leeftijd oneindig vervelend, ondanks hun vieze praatjes en hun lieve lijfje.

Ineens lig ik te midden van opengeslagen kranten. In nachtmerries heb je overal ogen: “Als Pia Pera advocate was geweest, had ze zich ingespannen voor de rechten van minderjarigen. Als ze sociaal werkster was geweest, had ze graag misbruikte kinderen geholpen. Maar ze is schrijfster, dus kan ze haar lezers 'slechts' bewust maken van misstanden waar kinderen het slachtoffer van zijn. Om te beginnen de fictieve Lolita, die in de ogen van Pera op haar twaalfde werd gedegradeerd tot seksslavin”. (Trouw 7/9)

Zo had niemand dat natuurlijk nog bekeken. Dat Lolita misbruikt wordt, is de literaire vondst van de eeuw.

Ongevraagd maakt Pera een vergelijking tussen Marc Dutroux en Humbert Humbert: “Ze zijn allebei pedofiel en ze sluiten hun slachtoffers allebei op. Maar dan houdt de overeenkomst op, want Humbert is geen seriemoordenaar.” (Trouw 7/9)

Of Dutroux zowel moordenaar als pedofiel is, of een moordenaar en leverancier aan pedofielen, moet nog bewezen worden. Humbert Humbert mag men het volgende verwijten, hij staat er zelfs op: hij is een moordenaar en een ontvoerder en hij heeft een jong meisje gruwelijk misbruikt. Maar een pedofiel? Humbert Humbert heeft een enorme hekel aan kinderen.

In nachtmerries overweldigt de woede van de dag de allusie van de kunst. Zo kan ik me voorstellen dat iemand dezer dagen zelfs even geen trek heeft in Nabokovs Lolita. In kwade dromen maakt iemand gebruik van de walging van de werkelijkheid om kunst te veroordelen en als die kunst niet verbrand kan worden, dan maar aangerand. Pia Pera beweert zo iemand te zijn, maar zelfs die kwalijke rol vertrouw ik haar niet toe. In de allerbelabberdste dromen maakt iemand goede sier met andermans naam door deze naam te misbruiken, te veroordelen en te gelde te maken.

Waarom heeft Pera, met al haar engagement, niet gewoon het dagboek van een misbruikt meisje geschreven? Omdat ze, zoals ze beweert, zo'n hekel heeft aan Humbert Humbert? Nee. Omdat de analfabete uitgever die omwille van de geile passages poen in haar flutromannetje had gezien dan geen literaire rel had kunnen veroorzaken, enkel een ordinaire rel. En Pera is niet zo maar iemand: ze vertaalt Poesjkins Jewgeni Onegin in het Italiaans.

De pedofiel die opgewonden raakt van Nabokovs Lolita moet, denk ik, nog gevonden worden. De pedofiel die graag wil weten hoe een jong meisje een oude kerel verleidt, kan bij Pia Pera terecht, het zwijn dat graag kinderen misbruikt evenzeer. Dat is misschien nog het grofste ambachtelijke falen van Dagboek van Lo. De aaneenrijging van erotische wederwaardigheden van Lo maken de weerzinwekkende Humbert niet weerzinwekkender, de misbruikte Lo niet misbruikter, maar zorgt er enkel voor dat deze dubieuze tekst nog dubieuzer wordt. De door het afschuwelijke drama in België woedend geworden mens zal geen bevrediging vinden en geen heil zien in dit jammerlijk dubbelzinnig uitgevallen boekje. Maar Pia Pera's boekje werd toch al niet begrepen, vertelt de schrijfster, niet door kinderen, en niet door moeders van kinderen.

De wereld veranderen valt niet mee. Een literair spel spelen evenmin. Volslagen belachelijk zijn, dat is geen kunst.

En nu zou ik gaarne ontwaken, vóór iemand het dagboek van Moby Dick publiceert.