Het kapitalisme heeft een sterke maag; Gesprek met toneelschrijver Franz Xaver Kroetz

Franz Xaver Kroetz schreef in de jaren zeventig vooral over de klassenstrijd. Zijn revolutionaire elan is geluwd, maar Kroetz schrijft nog steeds over de verstrengeling van liefde en economische belangen, bijvoorbeeld in de komedie De drang, die morgen bij Toneelgroep Amsterdam in première gaat. “Àls het toneel nog een functie heeft, dan is die het tonen van chaos”, zegt de volksschrijver.

De drang door Toneelgroep Amsterdam, regie Gerardjan Rijnders. Transformatorhuis Toneelgroep Amsterdam. T/m 12 okt. Inl. 020-6279070. Tournee t/m medio februari. Een tekstboekje (vertaling: Tom Kleijn) is in het theater te koop. De Duitse uitgave, een bundeling van Der Drang (titel), Ich bin das Volk en Bauerntheater, uitg. Rotbuch, prijs ƒ 23,80. Woyzeck, regie van F.X. Kroetz. Deutsches Schauspielhaus Hamburg. Inl. 00-4940248713. Vanaf 27 okt.

Op het nummerbord van de zwarte Mercedes, tussen de M van München en de D van Duitsland, staat in parmantige letters FX. Het zijn de initialen van de eigenaar, die zich niet schaamt voor zijn fonkelnieuwe bezit. Franz Xaver Kroetz, vijftig jaar oud en de schrijver van evenzoveel toneelstukken, is een welvarend man.

Met zijn bedrijfje Kroetz-Dramatik boert de Beier goed, wat hij, naar hij zelf zegt, aan zijn veelzijdigheid heeft te danken. Naast acteur en schrijver is Kroetz regisseur, vooral van zijn eigen drama's. Hij wil een groot publiek bereiken en hij ziet er in Duitsland nauwlettend op toe dat zijn werk alleen in de gerenommeerde schouwburgen wordt gespeeld. “Daar bereik je tenminste meer mensen dan alleen maar studenten”, legt hij uit in zijn tijdelijke huis in Hamburg, waar hij een regie doet voor het Deutsches Schauspielhaus. “Ik schrijf voor lieden met levenservaring! Voor lui die weten wat het betekent om te werken, getrouwd te zijn en kinderen groot te brengen - met al het gedonder vandien. Tevreden ben ik wanneer de slagersvrouw op rij tien bij het kijken naar mijn echtpaar Otto en Hilde haar man zachtjes aanstoot en fluistert: 'Jij bent toch niet zoals die Otto hè? Jij hoeft er toch niet zo nodig van achteren bij mij in - of wel dan?' ”

Niet zelden begint een stuk van Franz Xaver Kroetz met een slaapkamerscène. In bed kunnen zijn echtparen niet meer doen alsóf ze gelukkig zijn: daar vertaalt de onvrede zich in fysieke reacties. Het seksleven van Otto en Hilde, van Willy en Martha, van Heinz en Anni en al die andere typische Kroetz-stelletjes is, onder mekaar althans, bijzonder vreugdeloos. Alledaagse zorgen bedrukken hun ziel en zaligheid. In Kroetz' jaren-zeventig-stukken, zoals Heimat, Oberösterreich of Das Nest, piekerden deze paartjes nog over hun bazen die hen elk moment konden ontslaan, over de aanschaf van een te dure auto of over de komst van een geldverslindende baby. En ze probeerden het hoofd boven water te houden door zich voor die bazen uit te sloven, door troostende kalenderwijsheden te debiteren en elkaar constant gelijk te geven: hun lievelingswoord was precies.

Deze sullige kleine luiden zijn in het recente Kroetz-stuk Der Drang (1992, eerste opvoering 1994) geëvolueerd tot snelle types die weten waar ze recht op hebben. Op anale seks bijvoorbeeld. Want een auto hebben ze al. De Otto uit Der Drang runt samen met zijn vrouw Hilde een bloeiend hoveniersbedrijf en nu wil hij ook in bed weleens floreren. Maar Hilde zegt: 'Als je de hele dag aan het sjouwen bent, kun je 's nachts geen seksbom zijn'. Nog steeds, net als in Kroetz' vroege drama's, zijn liefde en economische belangen met elkaar verstrengeld. Alleen kan men zijn gevoelens nu beter onder woorden brengen, en in het broodnuchtere Beierse dialect is veel Hoogduits geslopen.

Kroetz ging terug naar de bronnen en baseerde Der Drang op een oeroud stuk van hemzelf: Lieber Fritz uit 1972. De grootste underdog in Lieber Fritz was de titelheld, een ex-delinquent die ook buiten de gevangenismuren geen vrijheid kon vinden. Naar Fritz, en naar het tuindershulpje Mitzi, gingen de sympathieën van de klassenbewuste schrijver uit. In Der Drang heeft Kroetz zijn liefde, en spot, gelijkmatig over alle personages verdeeld. De kloof tussen superieuren en ondergeschikten is kleiner geworden en de karakters zijn lastiger, individualistischer, gedifferentieerder dan een kwart-eeuw geleden. Omdat het politieke moralisme van de auteur er in Der Drang niet meer zo dik bovenop ligt, verwijten sommige Duitse critici hem dat hij alleen nog maar symptomen beschrijft en geen sociale diagnose stelt. Ze roepen klagerig dat Kroetz een glad salonstuk in elkaar heeft geknutseld.

Stofzuiger

Mach die Tür zu!, schreeuwt Kroetz tegen zijn vrouw, die op de gang met een gillende stofzuiger in de weer is. Dan, zonder Beiers accent en zachter: “Ja, inmiddels weet ik hoe je het publiek kunt amuseren, ik weet hoe je pointes plaatst en verrassingseffecten - maar is dat een fout? Welnee, dat betekent gewoon dat ik mijn vak versta.” We moeten vooral niet denken dat Kroetz schrijft om geld te verdienen: “Één op de zeven stukken heeft succes, de rest schrijf ik, sorry, voor de kat z'n kut. Mijn politieke bevlogenheid heeft mijn carrière geen goed gedaan. Ik heb mezelf als communist enorme moeilijkheden op de hals gehaald. De overheid vertrouwde me voor geen cent; elk jaar kwam het Finanzamt mijn boekhouding controleren.”

In 1971 trad Kroetz toe tot de Deutsche Kommunistische Partei, maar in 1980 stapte hij er weer uit omdat de 'al te innige band' van deze partij met de DDR hem stoorde. Tijdens (en na) die negen lidmaatschapsjaren scholden zijn tegenstanders hem massaal uit voor Kommunistenschwein. De rechtse Bild-Zeitung adviseerde haar lezers niet naar Kroetz' 'smeerlapperij' te gaan kijken. De ironie wil dat de aldus gediffameerde auteur later zelf voor Bild ging schrijven. Terwille van deze krant veranderde Franz Xaver Kroetz gewillig in zijn eigen personage Baby Schimmerlos, de ranzige roddeljournalist uit de tv-serie Kir Royal waarmee Franz Xaver als acteur sterstatus had verworven. Zo deed de Bild-reporter op 15 juni 1989 verslag van een VIP-vliegreisje, samen met Kohl en Gorbatsjov. Kroetz kijkt door het raampje naarbuiten en hij verzucht: 'Deutschland, ik houd van jou. Bossen, velden, weiden, huizen, straten, dorpen, steden: mensen!' En in de kop - 'GORBI UND DIE SCHWABENMÄDELS - MAN KÖNNTE EIFERSÜCHTIG WERDEN - spreekt hij namens alle mannelijke doorsneelezers, die Gorbatsjov vast en zeker om zijn succes bij de Zuidduitse meisjes benijden.

Kroetz, populair als media-ster, impopulair als wereldverbeteraar, verkeerde in een identiteitscrisis. Zijn tweedelige roman Der Mondscheinknecht was bij velen onopgemerkt gebleven. En zijn rol als 'geweten van de natie' leek te zijn uitgespeeld. Dat verlies aan invloed kwelt hem nog steeds. “In de jaren zeventig”, zegt hij weemoedig, “heerste er onder Duitse schrijvers nog een echte verzetsmentaliteit. Naar progressieve schrijvers, zoals Peter Wei, Heinrich Böll en mij, werd nog geluisterd, juist omdat sommigen ons als staatsgevaarlijk beschouwden. We dronken thee bij Willi Brandt en spraken met hem over Duitsland. Kunt u zich voorstellen dat Helmut Kohl met schrijvers theedrinkt? Ha, met Mario Simmel misschien! De rest van ons is voor hem gewoon der letzte Dreck!”

Niet zeuren

Maar, voegt hij er verzoenend aan toe, “ik moet niet zeuren dat vroeger alles beter was.” Schallende lach, gevolgd door een nies-explosie: “Sorry, ik heb een allergie.” In de tuin van de buren krijst een machine. “Hebben jullie dat in Holland ook, van die belachelijke lawaai-apparaten die takken vreten zodat er houtmolm uit komt?” Getergd smijt Kroetz de tuindeuren dicht. “Hoe ouder ik word”, gromt hij, “des te minder ik er als schrijver toe doe. De feedback is minimaal. Dus is er ook geen noodzaak meer om constant in Duitsland aanwezig te zijn. Het valt nauwelijks op als ik een tijdje verdwijn, als ik me de helft van het jaar in India terugtrek, waar mijn vrouw en ik ons erg thuisvoelen. Ik behoor niet tot de grote Duitse schrijvers. Daar zal ik me bij neer moeten leggen.”

De tegenwerping dat hij met Der Drang een imposante come-back heeft gemaakt, fleurt hem amper op. En als ik hem verzeker dat zijn stukken in Nederland nog dikwijls worden gespeeld, meesmuilt hij: “Alleen in de kleine theaters, nicht?” In zijn door de allergie toch al somberschorre stem klinkt geen ironie. Dat is in zijn nieuwe drama's wel anders. Met bijtende, hilarische zelfspot gaat hij daarin zijn vertwijfeling te lijf.

Bauerntheater, dat in 1991 in Duitsland zijn première beleefde, is een knallerig, kitscherig, prachtig semi-autobiografisch wanhoopsstuk. Het ontstond in het jaar 1989, tussen Kroetz' werkzaamheden voor Bild en de geboorte van een dochter door. Het laat zich lezen als het groteske portret van een nare schrijver en zijn al even nare familie. Franz Schritt, maker van 'eigentijdse boerendrama's', stelt tegenstrijdige eisen aan zijn kunstenaarschap. Enerzijds wil hij uitsluitend over zijn eigen zielenroerselen schrijven, anderzijds voelt hij zich verplicht zijn kunst geheel in dienst te stellen van die soziale Frage. Terwijl zijn moeder zit te zeveren over de Heiland, want het is kerstmis, jammert de gastheer hardop: 'Heb ik dan niet de dichterlijke kracht om revolutie, kinderen en leven bij elkaar te brengen? Op papier.'

Waarop een collega-kennis schuchter repliceert: Wir sind vielleicht nicht mehr das Volk der Dichter und Denker, aber doch der Wichser und Henker. 'Het volk van de rukkers en beulen': zulke banaliteiten legt Kroetz zijn figuren wel vaker in de mond; de nog nooit opgevoerde voorloper van Bauerntheater heet niet voor niets Der Dichter als Schwein. Het Schwein Franz Schritt wekt deernis maar ook afschuw, vooral wanneer hij zijn frustraties schaamteloos afreageert op zijn oudste zoon, een travestiet die niet al te stevig in zijn damesschoenen staat. De dichter: 'Je bent mijn zoon, je bent een man. Dat moet je jezelf altijd voorhouden. 'Ik ben een man, ik naai de wijven, ik rijg ze aan het spit, maar niet de mannen mij, want ík ben de man.' Mijn God, dat is toch simpel, ruk, pluk en je hebt zo'n wijf al beet en je douwt d'r omlaag en tussen je voeten en rampa tampa!'

Franz Schritt houdt krampachtig vast aan zijn ideaal van mannelijke superioriteit, maar dat redt hem niet uit de klauwen van de huiselijke chaos. “Àls het toneel nog een functie heeft”, zegt Franz Xaver Kroetz, zelf vader van twee grote en drie kleine kinderen, “dan is het wel: het tonen van chaos. De chaos in het klein, want je kunt op het toneel moeilijk een heel volk neerzetten. Door alles wat er tussen mensen mis kan gaan op de spits te drijven, koester ik de stille hoop een beetje inzicht te krijgen in mijzelf en in de schade die ook ik door mijn bestaan berokken. Hoe absurder een personage, des te meer het mij verfrist. Maar ook: hoe dichter zo'n figuur bij mezelf staat, hoe plastischer hij wordt.”

Lusten

De laatste jaren schrijft Kroetz het liefst komedies, “maar die moeten wel zo onontkoombaar zijn dat het publiek er zichzelf in herkent. Ik wil mensen op het toneel, geen monsters.” Monsters met dierlijke driften, zoals critici hen weleens hebben genoemd, zijn de Kroetz-mensen niet. Zij trachten hun lusten, hun agressies, hun fantasieën juist met alle macht terug te snoeien, om maar eens de tuindersmetaforentaal van Otto en Hilde te gebruiken. In Der Drang doen deze twee op haast ontroerende wijze hun best zich niet uit het veld te laten slaan door hun miserabele prestaties in bed. Als Otto's geslachtsverkeer met Hilde niet lukt, voltooit hij de klus gewoon in z'n eentje, achter een discreet gesloten badkamerdeur. Zijn vrouw loopt over van begrip ('zeker, we leven in een geslachtelijke tijd') en hij is de redelijkheid zelve: 'Ik ben een denkend mens, Hilde.' Pas door de komst van Hildes broer Fritz, die wegens zijn neiging tot exhibitionisme in de nor heeft gezeten, slaan de stoppen door bij de twee hoveniers en hun bloemiste Mitzi.

Daar heb je weer een verschil met de jongere Kroetz: de oudere neemt zijn personages niet in bescherming, maar jaagt hen met harde hand de emotionele jungle in, waar zij eindelijk ontwaken uit hun duffe burgermansslaap. “Het komische aan Der Drang”, vindt Franz Xaver Kroetz, “is dat juist een van zijn lusten beroofde kerel als Fritz, hij slikt immers lustremmende medicijnen, bij de anderen zoveel lusten ontketent. Al hun onvervulde seksuele wensen projecteren zij op hem. Ze hebben die zo lang onderdrukt dat er wel een explosie móet komen.” Wat dat betreft voelt Kroetz zich verwant met Georg Büchner, wiens uit 1836 daterende tragedie Woyzeck hij nu in Hamburg ensceneert: “Ook Büchner schrijft over het onderdrukken van geweld. Büchner is de eerste moderne toneelschrijver überhaupt. Dat uitgebeende, alledaags-simpele Duits van hem is moeilijk te overtreffen.”

Naar de premières van zijn eigen stukken gaat Kroetz niet meer: “Ze stellen me toch altijd teleur - tenzij ik ze zelf regisseer.” Zijn eigen enscenering van Der Drang, in 1994 bij de Münchner Kammerspiele, had hij bezet met acteurs die anders meestal neurotische intellectuelen vertolken. “Mitzi - de actrice Sybille Canonica - was bij mij een mooie, fragiele vrouw, een Woody Allen-vrouw bijna. Een mooie vrouw met verkrampte reacties. En die verwrongen kijk op de dingen moet gevaarlijk modern op het toneel worden gezet.”

Der Drang doet in zijn intensiteit niet onder voor de ergste relatiedrama's van Albee of Lars Norén. Bij Kroetz keert men na alle doorstane emoties alleen weer terug naar het overzichtelijke gevoelsarme leven van vroeger. Irgendwie muass etz wieda a Ordnung eikehrn bei uns, meent Otto. Het zogenaamde gezonde verstand triomfeert, of, zoals Mitzi zegt: 'Het leven is hartstochtelijk, maar overdrijven moet je het niet.' Misschien heeft ze wel gelijk: het is inderdaad moeiijk, zo niet onmogelijk om tegelijkertijd vooruit te komen in het leven èn terug te vallen in romantische teugelloosheid. Wat heeft de prioriteit: geld, zekerheid en hygiëne? Of de nutteloze, gevaarlijke hartstocht voor de wellicht besmette genitaliën van een vreemde?

De angst voor aids zit er goed in bij de types in Bauerntheater en Der Drang. Kroetz weet verdomd goed welke onderwerpen vandaag de dag in zwang zijn. Je kunt het zo gek niet bedenken of hij schrijft er over: over aids en chemische castratie, over pissoirseks, bedplassen en travestie. Maar hij beseft ook dat de tijden waarin zulke thema's tot protestdemonstraties voor de deuren van het theater leidden waarschijnlijk voorgoed voorbij zijn. “Niks choqueert de mensen nog. Het kapitalisme verteert elke perversiteit razendsnel, het heeft een enorm sterke maag.” Ook Ich bin das Volk, in 1993 geschreven uit woede tegen Ausländerhass, Neonazitum, Not und Feigheit, veroorzaakte hooguit een storm in een glas water. De storm: Suhrkamp weigerde het uit te geven, wegens 'gebrek aan kwaliteit'. Het stuk beleefde drie opvoeringen voordat het van de aardbodem verdween.

Muzelmannen

“Ik was té kwaad toen ik het schreef”, licht Kroetz zelfkritisch toe. “Woede is een vorm van waanzin die je belemmert helder te denken. Het stuk is een rommeltje geworden.” Toch bevat Ich bin das Volk een paar gedenkwaardige scènes. Zoals de overpeinzingen van de rechter die een neonazi levenslang wil geven, niet omdat hij vindt dat de jonge brandstichter straf verdiend heeft, maar omdat dit beter zou zijn voor het internationale aanzien van Duitsland. Of de monoloog van de oude vrouw die een muur van viooltjes om het graf van haar man plant, omdat zij op het katholieke kerkhof geen muzelmannen als buren duldt. De monoloogvorm in een groot deel van de 24 momentopnamen mag dan ietwat eentonig zijn (Kroetz: “Een monoloog is eigenlijk geen theater. Theater begint bij twéé personen”), de beste fragmenten tonen wel een combinatie van satirische scherpte en verregaand inlevingsvermogen.

Honderd procent belachelijk zijn de redenaars in Ich bin das Volk nergens; voor hun smoezelige denkbeelden krijgen wij lezers soms zelfs begrip. Omdat de sprekers slim en charmant zijn, of juist wanhopig en dom. “Je schiet er niets mee op om mensen te demoniseren omdat ze er fascistoïde denkbeelden op na houden”, zegt Kroetz. “Hoe vaak hoor je tegenwoordig niet: 'Onder Hitler was het toch beter, want toen hadden we minder werkloosheid'. Zo'n opmerking is natuurlijk oliedom, maar wel begrijpelijk van iemand die zelf door werkloosheid getroffen is.”

Kroetz groeide op in Simbach, een dorp in Niederbayern; later verhuisde het gezin naar München. “Mijn vader was belastingambtenaar, een nationaal-socialist. En zo was mijn hele familie: kleinburgerlijk, katholiek en gevoelig voor de manipulaties van autoriteiten. In mijn stukken portretteer ik haast altijd mijn ouderlijk huis en de volwassenen in mijn familie.” Het 'alledaags fascisme' is voor hem, kortom, een vertrouwd verschijnsel.

“Ik begrijp niet dat de Duitse politici zo verbijsterd deden na die brandaanslagen in Mölln en Solingen. Zulke uitbarstingen had men toch kunnen voorzien?” Maar wij Nederlanders moeten ons niet verbeelden dat we beter zijn dan de Duitsers. “In Holland hebben gehandicapten en negers toch ook geen leven? Krijgen zij bij jullie soms werk?” Dat klinkt naar de geëngageerde Kroetz van vroeger - maar zijn strijdbare stemming duurt niet lang. Het gesprek heeft hem afgemat. “Je hoeft maar één domme zin te zeggen en ze pakken je er al op. Natuurlijk zeg ik domme dingen en nog slecht geformuleerd ook. Wat ik goed geformuleerd heb, vind je in mijn boeken.” Hij laat zijn drie kleine kinderen binnen die stilletjes boven hebben gespeeld. “Zo, jongens, jullie zijn braaf geweest.” Dan zet hij voor het grut de televisie aan.

    • Anneriek de Jong