Gij moet als dollen op de Atjehers instormen

Nederlands-Indië leeft voort op de pagina met overlijdensberichten in de krant. Nauwkeurige studie van de familieberichten voert de lezer met enige regelmaat langs geboorteplaatsen in een land dat niet meer bestaat. De gedateerde benaming en spelling van die plaatsen (Batavia, Bandoeng) die vaak gehanteerd worden, benadrukken dat nog eens.

Is dit een voorbeeld van de tegenwoordigheid van 'Indië' in de Nederlandse samenleving van nu, tegelijkertijd is het een teken van het langzame verdwijnen ervan. Terwijl de 'Indische generatie' uitsterft, mag eveneens gevreesd worden voor de teloorgang van een bepaald met Indië verbonden vocabulaire. Wie weet over vijftig jaar nog wat een klewang is?

Voor het te laat is: een klewang is een naar de punt breed uitlopende sabel. Greep en kling vormen een gebogen lijn. Dit blanke wapen deed vanaf ongeveer 1890 opgang als een van de kenmerkendste uitrustingsstukken van het Nederlandsch-Indisch Leger. Van oorsprong was het een typisch inheems-Atjehs zwaard, gliwang genaamd. De zogenaamde Mobiele Detachementen van het NIL, een voorloper van het korps marechaussee te voet, werden uitgerust met zo'n gliwang, die al snel glewang ging heten. De eerste echte marechaussees vervolgens kregen de beschikking over, zoals het heette, 'een klewang, vervaardigd van een stalen kling, afkomstig van een partij aangehaalde (buitgemaakte) of in beslag genomen Atjehse wapens, welke van een gevest voor cavalerie sabels werd voorzien'. De eerste klewangs waren daarmee uitgelezen staaltjes van Indo-Europese mengcultuur. De kleinste marechaussee-brigades waren dankzij hun zelfstandigheid en mobiliteit voor het eerst tijdens de slepende Atjeh-oorlog (1873 tot ver in de twintigste eeuw) in staat tot het voeren van een geslaagde contra-guerrilla. Het gevecht van man tegen man werd daarbij niet uit de weg gegaan. Sterker nog: het vormde een van de pijlers van de nieuwe militaire tactiek. Wie in Atjeh succes wilde boeken, moest bereid zijn de vijand in het wit van de ogen te kijken - zo voorspelde in 1889 de Atjehse djaksa (officier van justitie) van Koetaradja, Mohammed Sjarif. De klewang moest de rest doen. Zo werd de klewang het zinnebeeld van persoonlijke moed. Binnen de met stoere krijgsmanseer en heroïek doorspekte folklore die de Atjeh-oorlog begeleidde, was voor het wapen een schitterende rol weggelegd.

Schitterend, maar huiveringwekkend. Zo was daar kapitein Graafland, de eerste commandant van het korps marechaussee, die zijn brigades zonder karabijn op de vijand afstuurde. Zijn mannen moesten leren zich krachtig te voelen met het blanke wapen, met de klewang alleen. “Zoodra ik 'Marechaussee!' roep” - zo zou Graafland zijn vrijwel volledig uit 'inlanders' bestaande troep hebben aangemoedigd - “moet gij dien kreet herhalen, met den klewang over het hoofd zwaaien en als dollen op de Atjehers instormen... Wie schiet zonder vergunning van zijn luitenant, zal worden gestraft. Alles moet geschieden met den klewang. De Atjehers moeten vandaag bang worden voor uw klewangs. En zoo gij met den klewang alleen vecht zal ik tevreden zijn. Maar trotsch zal ik zijn, indien gij mij de bewijzen kunt geven van uw vijanden met de handen te hebben aangegrepen en gedood. De ware moedige durft ook zonder wapen zijn vijand aan.”

Op de valreep van de twintigste eeuw voerde het NIL een strijd die in de praktijk het niveau van de Middeleeuwen maar weinig oversteeg. De oorlog in Atjeh werd met de invoering van de klewang aan Nederlandse zijde teruggebracht tot zijn meest elementaire en primitieve vorm: het gevecht van man tegen man. De krachtmeting verkreeg zo althans de schijn van gelijkwaardigheid - een gelijkwaardigheid die zich vooral deed voelen in onderlinge lotsverbondenheid van de strijders. Hij-of-ik was het principe van het klewanggevecht. “...als ie dan aan je voeten ligt en je ziet dat je toch vlugger bent geweest dan hij, dat je hèm gedaan hebt wat hij jóu wou doen, dan denk je niet over bloed of moord zo, dan heb je maar één gevoel: trots. Zo'n vent is een roofdier voor je, en je voelt jezelf een màn!” Het zijn woorden van een van de figuren uit E. du Perrons Het land van herkomst: Arthur Hille, een jeugdvriend van de schrijver, die op het slagveld in Atjeh zijn ware roeping gevonden heeft. Du Perron laat Hille z'n verhaal doen: er is de door Hille geparafraseerde peptalk van Graafland, het moment toen “ze bij ons begonnen de schijterigheid voor de Atjehse klewangs te bestrijden”; er is de achting voor de Atjehers: “zo'n vent kijkt je weg, als je naast hem staat, je bent niks voor hem...”; en natuurlijk de klewang, waarmee Hille, zoals Du Perron schrijft, “de techniek uit de ridderroman, de kloofkunst” beoefende.

Voor het oog van de lezer ontvouwt zich een staalkaart van de Atjeh-mythe. Een mythe, waarin Atjeh het exotisch decor vormde van een wereld vol actie, initiatief en energie. De rimboe in het noorden van Sumatra kwam zo braak te liggen als een vruchtbaar veld van eer, waar de romantiek, die weliswaar van het rauwste soort was, de gruwelen van de guerrilla op de achtergrond drukte. Niet denken aan 'bloed of moord of zo' - dat was het motto. In dat licht is de jongensachtige opgewektheid waarmee een Nederlandse militair in 1909 zijn overplaatsing naar Atjeh aanvaardde niet vreemd. Aan zijn ouders schrijft hij: “...ontegenzeggelijk is Atjeh met zijn bewoners, die zulke pracht veldsoldaten zijn en die ook al zoo'n boel geleerd hebben in de bijna 40 jaar dat wij nu tegen ze vechten, een leerschool prachtig als in Indië er geen tweede is.”