Geënsceneerde aardbevingen; De zesde architectuurbiënnale in Venetië

Op de zesde architectuurbiënnale in Venetië is de architect geen eenvoudig bouwer, maar een geestelijk leider die de kudde naar een nieuwe wereld voert. Alleen het Japanse paviljoen haalt die pretentie onderuit: hier worden de gevolgen van de aardbeving in Kobe tentoongesteld.

Zesde Architectuurbiënnale. Giardini di Castello, Venetië. T/m 17 nov. Di t/m zo, t/m 26 okt. 10-18u, daarna 10-17u. Toegang 14.000 lire. Prijs catalogus 60.000 lire.

Zwarte broek, zwart jasje en een wit of grijs overhemd: dit is het uniform van de hedendaagse architect. Natuurlijk kent het uniform variaties. Zo kan het architectenoverhemd een gewone boord hebben (liefst niet button down) of een rond boordje. Maar welk overhemd de bouwmeester ook kiest, één ding staat vast: een stropdas draagt hij niet en het bovenste knoopje blijft immer gesloten.

De Giardini, het lommerrijke terrein in Venetië waar de kunst- en architectuurbiënnales worden gehouden, had vorige week tijdens de openingsdagen van de Zesde Architectuurbiennale dan ook het meest weg van het Vaticaan. Zoals in de pausenstad vele, in zwart, wit of grijs gehulde geestelijken zich van kerk naar kerk haasten, zo spoedden zich in de Giardini veel mannen - architect is nog steeds een mannenberoep - van paviljoen naar paviljoen.

Architectuur is dan ook een vak waarbij geen kleurige of frivole kleding past. Dit blijkt ook uit het thema dat directeur Hans Hollein voor de zesde aflevering bedacht. Want hoewel de Oostenrijkse architect met zijn donkerblauwe double breasted pak en paardenstaartje aan het kalende hoofd zelf eerder lijkt op een tweedehands-autoverkoper, is het biënnalethema van een diepe ernst: 'Sensoren van de toekomst. De architect als seismograaf'.

Het is een even onmogelijk als pretentieus thema. Onmogelijk, omdat een seismograaf een instrument is dat registreert wat zich nú, en niet wat zich in de toekomst, afspeelt. En pretentieus, omdat het thema de architect verheft tot een ontwerpende filosoof die precies weet welke kant het met de wereld opgaat.

Deze filosofische pretentie is al oud - de Romeinse architect Vitrivius vond al dat bouwmeesters veelzijdige geleerden moesten zijn - en leidt een hardnekkig bestaan. In de bouw komen politiek, management, sociologie, economie en kunst samen, en daarom is de architect als geen ander in staat om te voorvoelen in welke richting de maatschappelijke ontwikkelingen gaan, zo luidt de redenering van degenen die de architect een leidende rol in de maatschappij toedichten. Niet een eenvoudig bouwer moet de architect zijn volgens de pretentieuzen, maar een geestelijk leider, een pastoor die de kudde naar een nieuwe wereld voert.

Verwrongen staal

In Venetië wordt de architectonische pastoorspretentie op even briljante als hardhandige wijze onderuit gehaald door de Japanse inzending. Bij de Japanse betonnen doos op pootjes staan tien levensechte poppen in fel oranje overalls met knalgroene vlaggen te zwaaien. Er moet iets vreselijks gebeurd zijn en voor het betreden van de zaal is al duidelijk wat, want de bodem onder het gebouwtje is bezaaid met verwrongen staal, stukken beton en andere bouwtroep en door een gat in de vloer is een grote stapel planken naar beneden gekomen. Telefoons rinkelen tussen het puin en wie ze opneemt, hoort verwarde, panische gesprekken in verschillende talen door elkaar heen.

Binnen is het al even verschrikkelijk. De vloer is volgestort met puin en de wanden zijn bedekt met gigantische foto's van Kobe, de stad die op 17 januari 1995 werd getroffen door een aardbeving die alle seismografen op tilt deed slaan. De enige nog werkende seismograaf was de architectuur zelf: alleen de ingestorte en beschadigde gebouwen lieten zien hoe erg de aardbeving was geweest.

Maar de puinhopen vormden een seismograaf die alle vertrouwen in de architectuur deed verliezen. “Geheel vernietigd was ons respect voor de notie van stedelijke planning, en verloren was ons geloof in lineaire vooruitgang”, aldus de toelichting op de zorgvuldig gecomponeerde aardbeving van Ryuji en Katsuhiro Miyamoto en Osamu Ishiyama.

Het is moeilijk om na de misschien onbedoelde humor van de Japanse bijdrage de overige inzendingen nog serieus te nemen. Zeker de aardschokarchitectuur van de deconstructivisten wordt door de Japanse bijdrage kinderachtig en overbodig: architecten hoeven ons niet op te zadelen met opeenstapelingen van schots en scheve vormen, daar zorgt de natuur wel voor. En juist van het deconstructivisme wemelt het nog op de biënnale. Wie dacht dat het deconstructivisme zo langzamerhand wel was ontmaskerd als een banale analogie die niet veel meer behelst dan 'de wereld is chaotisch en dus zijn onze gebouwen dat ook', moet in Venetië vaststellen dat veel architecten daar anders over denken.

Toch kunnen al die geënsceneerde verkeersongelukken niet verhullen dat het deconstructivisme definitief tot een maniertje is verworden. Dit geldt niet eens zozeer voor Coop Himmelb(l)au, de deconstructivisten van het eerste uur die het Oostenrijkse paviljoen grotendeels mochten vullen. Hun recente werk laat steeds meer gewelfde vormen zien, de laatste trend in de architectuur. Nee, het zijn vooral de deconstructivisten van de laatste generatie die laten zien hoe gemakkelijk en clichématig deze stijl is geworden. Zo heeft Egypte zijn paviljoen ter beschikking gesteld aan Omar Nagati en Ashraf Samy Abdalle, twee architecten die precies zoals de deconstructivistische dogma's voorschrijven een onontwarbare kluwen van spitse vormen als 'spellenpark' presenteren. Even erg is het Hongaarse gebouwtje dat is gevuld met schilderijen en reusachtige maquettes van schots en scheve vlakken en staven. Gabor Bachman heet de maker en anders dan zijn eentonige modellen doen vermoeden, gaat het hier om een genie, aldus de introductie in het Hongaarse voorportaal: 'Hij is niet alleen door en door rationeel, maar tegelijkertijd vol emoties, vol van liefde voor de hele mensheid en, natuurlijk, temperamentvol.'

In het prachtig helder vormgegeven Franse paviljoen komt het deconstructivisme op een ingewikkeldere manier aan de orde. De Fransen brengen de dronkemansarchitectuur van Bernard Tschumi, Odile Decq & Benoît Cornette en Frédéric Borel in verband met het werk van André Bloc en Claude Parent uit de jaren zestig. Zij waren, zo betogen de Fransen, de eersten die braken met de rechthoekige, monolithische dozen van het modernisme en, beïnvloed door filosofen als Virilio, Derrida en Barthes, schuine en gewelfde vormen toelieten in hun ontwerpen.

Congestie

Ook in de grote overkoepelende tentoonstelling, waarvoor Hans Hollein 35 'sensoren van de toekomst' uitnodigden, zijn de deconstructivisten goed vertegenwoordigd: Frank Gehry, Zaha Hadid, weer Coop Himmelb(l)au, Günther Domenig, Zvi Hecker, Steven Holl, Enric Miralles Moya en Eric Owen Moss - allemaal maken ze in hun werk gebruik van de deconstructivistische stijlkenmerken. Maar dit betekent zeker niet dat de tentoonstelling een eenduidige boodschap heeft. Want tegenover de pessimistische chaos der deconstructivisten staat de strenge, heldere orde van Wiel Arets, Tadao Ando en Herzog en De Meuron, de vrolijkheid van het Groninger Museum van de grappenmaker Alessandro Mendini, het geloof in de techniek van hemelbestormers Norman Foster en Renzo Piano, de prediking van 'congestie' en 'bigness' van Rem Koolhaas en zelfs het nostalgische verlangen van Leon Krier naar een voorbije, classicistische wereld.

Hans Hollein kan met zijn tentoonstelling maar één ding bedoelen: de toekomst zal niet alleen chaotisch zijn, maar ook ordelijk, pessimistisch maar ook vrolijk, enzovoort. Het is een postmoderne conclusie waarvoor geen 'toekomstvoelende' architecten nodig zijn.

Eigenlijk is de centrale tentoonstelling niet meer dan een voor de hand liggende parade van bekende architecten, die meestal plichtmatig volstonden met het tonen van oud werk. Sommige ontwerpen dateren zelfs al uit de jaren zeventig, zodat de expositie niet eens een seismograaf van het nu is geworden maar van het verleden.

De lauwe centrale tentoonstelling is kenmerkend voor de malaise waarin de architectuurbiënnale verkeert. Na een veelbelovende eerste aflevering in 1980, die het postmodernisme krachtig propageerde, ontstonden er steeds grotere tussenpozen tussen de biënnales. De voorlaatste, met als thema leermeester en leerling, vond vijf jaar geleden plaats en het was lang onzeker of de zesde wel tot stand zou komen. Een jaar geleden dreigde Hollein te vertrekken als directeur, omdat aan de financiële en organisatorische wanorde geen einde leek te komen. Later kondigde hij aan dat de zesde biënnale voor de zoveelste keer zou worden uitgesteld, dit keer tot 1997. Twee maanden later werd alsnog besloten de biënnale toch maar dit jaar te houden.

Geen wonder dus dat veel inzendingen niet veel voorstellen en weinig of niets met het thema te maken hebben. Treurig dieptepunt is de inzending van Polen, dat op karton geplakte foto's van weerzinwekkend patserige bankarchitectuur laat zien. Nauwelijks beter is de expositie van Armenië, dat volstaat met een mottig fotografisch overzicht van de twintigste-eeuwse Armeense architectuur. Teleurstellend is ook de inzending van Spanje. In dit land zijn de laatste jaren allerlei opzienbarende gebouwen verrezen, maar het Spaanse paviljoen is volgestouwd met een keurig maar oersaai overzicht van restauraties en uitbreidingen van oude theaters in het land.

Gashouders

Het is op de biënnale een trend om de toekomst van de architectuur in het verleden te zoeken. Zo laat de Sovjet-Unie een mooie Kabakov-achtige installatie van Joeri Avvakoemov zien, waarin duplicaten van alle nooit gebouwde ontwerpen uit de Sovjet-architectuur in een kolossale archiefkast zijn opgeslagen. En het hele Duitse paviljoen is gewijd aan de verbouwing van leegstaande fabriekscomplexen, pakhuizen en gashouders. 'Wandel ohne wachstum' is de pessimistische titel van de inzending: door afnemende bevolkingsgroei en het verdwijnen van traditionele industrieën zijn er weinig nieuwe gebouwen meer nodig, aldus de Duitsers, en ligt de toekomst van de architectuur in het hergebruik van al bestaande gebouwen.

Lijnrecht tegenover pessimisme van de Duitse bijdrage staat het optimisme van de Nederlandse tentoonstelling, die slechts bestaat uit drie bijna abstracte ontwerpen van landschapsarchitect Adriaan Geuze. Geuze gaat ervan uit dat er de komende vijftien jaar 1 miljoen woningen in Nederland zullen worden gebouwd en heeft, om daar een indruk van te geven, het door Rietveld ontworpen paviljoen laten volstorten met honderduizenden houten miniatuurhuisjes, die vorig jaar al te zien waren op zijn expositie in het Nederlands Architectuurinstituut. Nederland dreigt te worden overspoeld door een huizenzee, beweert Geuze. Zijn antwoord op deze dreiging is het creëren van leegtes die contrasteren met dicht bebouwde stedelijke gebieden en die, juist wegens hun leegheid, vol mogelijkheden blijven. Geuze kent geen horror vacuï, hij adoreert de leegtes, vooral als ze met asfalt zijn bedekt. Of zijn leegtes lang leeg zullen blijven is natuurlijk de vraag. In ieder geval besloot het Rotterdamse gemeentebestuur al voor met de uitvoering van Geuze's ontwerp voor het Schouwburgplein werd begonnen een immense bioscoop op deze 'stedelijke leegte' te plaatsen.

Er is in de Giardini slechts één inzending die in de schaduw kan staan van de Japanse aardbeving en dat is de provocerende Amerikaanse tentoonstelling van Disney-architectuur. De multinational Disney bouwt niet alleen over de hele wereld themaparken met bijbehorende gigantische hotels en kantoren, maar tegenwoordig ook complete dorpen met namen als Celebration. Het zijn nostalgische nederzettingen vol traditionalistische en classicistische gebouwen, waartussen voor geweld, misdaad en andere grootstedelijke ongemakken geen plaats zou zijn. 'Geïnspireerd door de deugdzaamheden van Amerika's meest geliefde kleine steden, is Celebration bedoeld om het gevoel van gemeenschap en stedelijkheid te doen herleven, die de laatste vijftig jaar grotendeels zijn verdwenen uit het Amerikaanse leven', staat er in toelichting. Een reactionaire droom als toekomst van Amerika - dit moet wel een slag zijn in het gezicht van chaos en 'bigness' prekende pastoors.