Extase in een dansende flat; Science fiction-achtige kunst van Tony Brown

Met windmachines, computeranimaties, constructies van perspex en staal en licht- en schaduweffecten vult de Engels-Canadese kunstenaar Tony Brown zes zalen in het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With. In de wereld die hij maakt, overheerst klinische intimiteit, en is de kick van de snelheid het enige dat man en vrouw bindt.

Tony Brown: Downtime. Witte de With, Rotterdam. T/m 2 nov. DEAF 96 speelt zich af op diverse locaties in Rotterdam. T/m 29 sept. Inl. 010-4047693. Fax 010-4128562. E-mail: DEAF@v2.nl URL:http://www.v2.nl/DEAF

'Downtime' is een nieuw woord voor catastrofe. Het komt uit de wereld van de computertechnologie en betekent dat er iets kapot is gegaan of geblokkeerd is geraakt waardoor computersystemen op non-actief staan. Het houdt stress en paniek in, want alles wat onophoudelijk in beweging behoort te zijn, is plotseling stil komen te liggen, als getroffen door een natuurramp.

'Downtime' is de titel van de grote tentoonstelling van de Engels/Canadese kunstenaar Tony Brown (1952) in Witte de With in Rotterdam. Brown werkt met computers en andere nieuwe technologische media, en daarmee sluit de tentoonstelling aan bij DEAF 96, het Dutch Electronic Art Festival dat de komende weken in Rotterdam wordt gehouden. Op initiatief van V2 Organisatie en in samenwerking met onder meer Rotterdam Festivals en Inter-Society for Electronic Arts worden op grote schaal kunstwerken gepresenteerd en lezingen en forums georganiseerd die ons een beeld willen geven van onze toekomstige, volledig rondom de computer gecentreerde leefwereld.

Ongetwijfeld zal daarbij vaak het woord 'nieuw' vallen. De duizelingwekkende mogelijkheden van de nieuwste media boren, naar het lijkt, even zovele onoverzienbare mogelijkheden van ons zelf aan en dat leidt tot druk gespeculeer over de 'nieuwe mens' en de 'nieuwe leefwereld'. Steeds meer filmers, kunstenaars en schrijvers zie je nu dan ook naar science fiction grijpen als een visionair genre. En niet zelden nemen ze er stijl en effecten van over die ooit als kitsch zijn beschouwd.

Ook de kunst van Tony Brown doet in een aantal opzichten science fiction-achtig aan. In zes zaalvullende werken zet hij met licht- en schaduweffecten, windmachines, computeranimaties, perspex en staal een wereld neer die beheerst wordt door machines en waarin de menselijke figuur een robot is. Ieder idee van natuur ontbreekt en in alle zalen op een na is zelfs het daglicht buitengesloten.

Met dat ene, niet door kunstlicht beschenen werk begint de tentoonstelling. Het bestaat uit een ruim twee meter hoge en negen meter lange sleuf van glas en staal die met een flauwe bocht een kwart cirkel vormt. Hij is aan een kant afgesloten door een stalen klapdeur die met het sissende geluid van een metro-deur openklapt als je hem nadert. Toch is dat een uitnodiging die je beter niet aan kunt nemen, want behalve dat de doorgang erg smal is, waait je uit de glazen tunnel een flinke wind tegemoet, opgewekt door twee machines aan het andere uiteinde. Het plotselinge openklappen van twee glazen deuren binnenin de sleuf houdt je evenzeer op afstand. De deuren verdeelden de sleuf in hokjes die een op het glas geëtste man en vrouw gescheiden houden, maar de vrije baan die er nu ligt nodigt nauwelijks uit tot toenadering. Voor je het weet klappen de deuren weer dicht en zit je in de val.

Sjabloon

Veel van Browns gedachtengoed zit in dit werk uit 1991/92 verscholen en het is interessant om te zien hoe het zich op de tentoonstelling gaandeweg ontvouwt. De stereotiepe afbeelding van de figuren bijvoorbeeld geeft hen een duidelijk herkenbare identiteit: de vrouw is werkster, de man glazenwasser. Maar het is wel de identiteit van de sjabloon, een eigen karakter ontbreekt. Die identiteit wordt daarmee, zoals we verderop zullen zien, inwisselbaar.

Evenzo komen we op verschillende plekken de gedachte weer tegen dat de afstand tussen man en vrouw alleen in schijn te overbruggen valt en dat ieder van ons in de val zit van sociale en culturele patronen.

Bij Lucille and Frank, een werk uit 1996, verwijst Brown naar het Grieks-Romeinse fundament van onze esthetische opvattingen en naar de tegenwoordige tijd die daar geen raad meer mee weet. Hij heeft daarvoor twee uit het Louvre afkomstige klassieke sculpturen, een man en een vrouw, in metalig blauw rubber afgegoten en voor een groot wit scherm op de grond gelegd, als lege hulzen. Aan de andere kant van dat scherm is in close-up de textuur van hun huid te zien die door een videocamera aan een robotarm langzaam wordt gescant.

Het levert een klinisch soort intimiteit op waarbij de marsmannetjesachtige huid het oppervlak van een planeet wordt, vol kraters en woestijnen. Waar we via het camera-oog precies naar kijken, weten we niet. De beelden op het scherm worden namelijk steeds in het midden afgedekt door een wassende en afnemende zwarte maan. Het is de schaduw van een enorme witte bal die aan de andere kant van het scherm over een stijgende en dalende glijbaan langzaam af- en aanrolt om telkens vlak voor het scherm met een klap tegen een pal te beuken.

Die bal zou je kunnen begrijpen als het symbool van beweging en van de tijd zoals onze cultuur die kent. Dat is de tijd van de klok, van minuten die achter elkaar voortrollen en ons in een cyclisch proces voortjagen. Hij maakt dat de geschiedenis als stilstand wordt ervaren en in een tijdperk waarin snelheid als een levensvoorwaarde geldt, is dat het ergste wat er is.

Beweging staat in het werk van Brown centraal. Beweging genereert gevoelens en die zijn heftiger naarmate de snelheid hoger is. Precies dat is er zo verslavend aan. Brown stelt het in Chute libre ('Vrije val') uit 1992/93 extreem door de kick van de snelheid als het enige bindende gevoel tussen de geslachten voor te stellen, zij het niet zonder ironie. We zien een uit open, ijzeren rasters opgetrokken, modernistisch flatgebouw waar zich een tweeënhalve meter hoge plaatstalen spiraal omheen wikkelt. Aan de staart van de spiraal zit een windmachine die de flat als een mens tot een rondedans brengt, een indruk die ontstaat doordat in de bovenste woonlagen een stalen borstkas hangt. Daaronder, ter hoogte van de navel van het gebouw, liggen vlak achter elkaar maar ieder met het hoofd een andere kant op, een kleine, uit staal gestanste man en vrouw op hun zij. Als om hun persoonlijk isolement te onderstrepen hebben beiden een gat op de plaats van hun hart.

Broeibak

Het komt pas goed tussen die twee wanneer de windmachine op volle kracht blaast en de flat als een dolle caroussel rondtolt. Dan lijkt het paar als in extase te versmelten en spat een lichtstraal in vonken op hun zilveren lijf uiteen. Wanneer vervolgens de snelheid afneemt, bekoelt ook de liefde weer.

Snelle beweging, snelle gevoelens: binnen zo'n patroon wordt liefde een mechanische handeling en dat heeft zijn voordelen binnen een maatschappij waarin 'cool' zijn en controle hebben hoog staan aangeschreven. Dat patroon brengt ook de vrees voor aanraking met zich mee, want zoals bekend kan een warme hand op een naakte huid een broeibak zijn voor onoverzienbare emoties.

Die vrees is prachtig verbeeld in de 'love story' Two machines for feeling, een twa alf jaar oud werk van Brown, maar nog steeds een van zijn beste. De man is zo'n tweeënhalve meter hoog, van staal, maar zo plat als een dubbeltje. Hij staat midden in de ruimte en steekt telkens voorzichtig zijn armen uit naar een vierkante glazen stolp enkele meters van hem vandaan om ze dan knarsend weer te laten vallen. In die stolp danst, groot geprojecteerd op een snel ronddraaiend scherm, de lieflijkste ballerina de sierlijkste pirouette. Ze is geheel in zichzelf verzonken.

De man kan de droomvrouw niet bereiken en uit zijn reusachtige dreigende schaduw op de muur en de wanhopige gebaren zou je kunnen opmaken dat hij heen en weer geslingerd wordt tussen agressie en verlangen. De nuffige prinses (in werkelijkheid een kitscherig porseleinen poppetje) tergt hem nog eens extra door haar gracieuze vogelvlucht sterk vergroot en in verschillende tempo's op de muren voor en achter hem te herhalen.

Het knappe van Browns werk is dat je op het eerste gezicht direct begrijpt waar het over gaat, maar dat daarna nog heel veel meer komt. Om dat te kunnen zien moet je je als kijker fysiek engageren en erom- en doorheen lopen. Dan blijkt dat Brown met ons speelt zoals de ballerina met de robot: hij trekt aan en stoot af. We worden gefascineerd door de openklappende deuren, de windvlagen, de robotarmen en de lichtflitsen, maar tegelijk houden ze ons op afstand: wie deze wereld te dicht nadert, loopt een risico.

Een van de meest veeleisende werken, maar wat mij betreft een hoogtepunt van de tentoonstelling, is Living in the hot house (1989). Weer zien we een modernistisch flatgebouw, opgetrokken uit open, ijzeren rasters en ook dit draait zo snel rond dat je niet te dicht bij kunt komen.

De snelheid ontneemt het zicht op het geheel, maar we vangen wel telkens een glimp op van wat zich daar binnenin zou kunnen afspelen. Lichtbundels, schaduwen en projecties op de muren helpen daarbij doordat ze bepaalde delen en details iets langer vasthouden of uitvergroten.

We zien flitsen van betegelde gangen, high tech-trappen, meubels uit de jaren vijftig, diverse soorten kantoorinterieurs die zich overal in het gebouw kunnen bevinden, soms tot diep in het hart ervan. Telkens ontdekt het oog iets onverwachts in de grote hoeveelheid beelden die zich in razend tempo aanbieden. Soms is het alleen maar een mooi, kleurig patroon of een hekwerk, andere keren zijn het verbazingwekkende ruimtelijke perspectieven en fantastische doorkijkjes. Wie om dit 'hot house' heen cirkelt krijgt het gevoel het moderne stadsleven en zelfs verschillende tijdperken in gecondenseerde vorm te zien, met inbegrip van de toekomst. Daar zorgt een robotachtige figuur voor die telkens in het centrum van het gebouw achter een bureau opduikt, met een knisperende vonkenregen rond zijn buik.

De robot van Brown past bij zijn omgeving. Hij is, net als de industriële architectuur (en de klassieke tempels), opgebouwd uit modules, gestandaardiseerde eenheden. Hij herinnert aan de modulaire draadrobot van Schlemmer die er de nieuwe, toekomstige mens mee wilde verbeelden, in een nieuwe wereld die door kunstenaars als Van Doesburg en El Lissitsky zou worden gebouwd. Maar deze robot van het computertijdperk heeft een heel ander perspectief. Nu de wereld grotendeels is losgekoppeld van de natuur en net zoals de modernisten voorstonden een menselijke creatie is geworden, blijkt het ideaal van de nieuwe mens veranderd te zijn in een spelopvatting. Die komt er kort gezegd op neer dat de wereld beschouwd wordt als een stelsel van computersystemen waar binnen iedereen naar hartelust kan spelen wie hij is en waar hij is. De enige voorwaarde is dat je in zo'n systeem gelooft.

Sex-chatbox

Internet is een van die systemen en het vormt het materiaal van Browns meest recente werk: Better living through remote access (1996). Het is op het oog het meest simpele werk, dat aan Lucille and Frank herinnert: tussen twee wanden rolt op een zacht op en neer gaande glijbaan een enorme witte bal heen en weer die links en rechts vlak voor de muur door een pal wordt gekeerd. De muren functioneren als schermen voor enorme projecties. Links verschijnt steeds een tekst, rechts foto's van mensen in uitdagende poses of pornografische houdingen. De bal werpt steeds een toe- en afnemende, zwarte schaduw op tekst en beeld.

Geen sprake meer van geschiedenis en de klassieken, dit is de realiteit: de tekst, woorden en nummers die door een robotstem hardop worden voorgelezen, komt direct van Internet. We zijn aangesloten op een zogeheten 'sex-chatbox' en iedereen waar ook ter wereld kan daarop zijn verhaal houden. Hij of zij levert daar ook een plaatje bij van zichzelf of beter, van hoe hij zichzelf aan de onbekende anderen wil voorstellen. Het is namelijk maar de vraag of 'Cat woman' uit Denemarken ook zo'n overweldigend sexy verschijning is als de vrouw die op de muur verschijnt. We weten zelfs niet of Cat woman' in werkelijkheid niet een lelijke oude man is.

Dat doet er ook niet toe, en daarin ligt precies de Bevrijding. We zijn hier niet meer de gevangene van een bepaalde identiteit, man of vrouw, werkster of manager, maar we kunnen volop ons ideaal, wat zeg ik, àlle idealen van ons zelf uitleven. Samen met de onbekende ander die op mijn verhaal reageert kan ik een persoonlijke geschiedenis en zelfs een relatie opbouwen die volkomen beantwoordt aan het beeld dat ik daarvan wil hebben. En als het niet meer bevalt, stap ik gewoon uit: door de verbindingslijn te verbreken. Of de waarheid te zeggen.