Elke dag zwaardvis

Graham Greene schreef: 'Hij had de leerschool der ellende doorlopen, dezelfde school als ik.' Ik heb de leerschool doorlopen die iedereen vroeg of laat doorloopt, die van de lichte teleurstelling. Alleen fanatici weigeren deze school door te lopen, met alle gevolgen vandien. Op aanraden van mijn ouders heb ik de spoedcursus gevolgd. Waarschijnlijk was de cursus daarom ook zo duur.

Mijn eerste en enige boek werd geprezen om de authentieke woede. Authentieke woede, zoiets moet wel verzonnen zijn door mensen die alleen niet-authentieke woede voelen, of zichzelf nooit woede hebben toegestaan uit angst dat ze hun buurman gaan vermoorden of hun kinderen zullen verkrachten.

Toen ik het manuscript voor mijn tweede boek inleverde, ontving ik een briefje van mijn werkgever waarin stond: 'Kan het wat minder grappig?'

Ik ben arrogant, maar het was niet uit arrogantie dat ik terugschreef, 'het kan niet minder grappig'. Als het boek mislukt was, wat ik best wilde geloven, zou meer of minder grappig daaraan ook niets veranderen.

Een jaar hoorde ik niets van mijn uitgever tot ik een brief kreeg waarin stond dat ze besloten hadden tot prijsopheffing van mijn eerste boek. Wat wilde zeggen dat ze het restant van de vijfde druk aan de Slegte hadden verkocht. Achteraf kan je alleen maar concluderen dat dat precies de plaats is waar authentieke woede thuishoort. Een paar maanden later ben ik een bedrijfje begonnen in zuidvruchten. Noten, gedroogde abrikozen en rozijnen. Vooral rozijnen.

Vanwege het gipsen been van Billy deden we wel tien minuten over de vijftig meter van Stanleys Bar naar mijn appartement. We liepen gearmd en voor de deur vroeg ze: “Wat doe jij eigenlijk?”

Ik had geen zin te zeggen dat ik schrijver was. Zelfs toen ze me nog niet verramsjt hadden heb ik daar nooit veel zin in gehad. Maar evenmin voelde ik er veel voor Billy te vertellen dat ik een groothandelaar was in rozijnen. “Ik werk”, zei ik, “en jij?”

“Ik ook”, zei ze.

Over mijn begeerte zijn twee dingen te zeggen: ze is niet kieskeurig en ze is oneindig groot.

In de lift zag ik Billy voor het eerst in tl-licht. Een klassieke schoonheid was ze zeker niet. Maar schoonheid is me gaan vervelen, in boeken, in het leven. Ze wilden mijn eerste boek verfilmen, maar het is er nooit van gekomen omdat de producent vasthield aan een mooie jongen voor de hoofdrol en ik per se een lelijke wilde. Ik herinner me mijn laatste fax nog: “Lelijk moet-ie zijn. Van voor en van achter. Net als ik.” Daarna heb ik nooit meer iets van ze gehoord.

Als ik het woord 'houden van' mag gebruiken en als ik van Billy hield, dan was het alleen al omdat ze haar gips in dezelfde kleur had willen verven als haar haren. Misschien wel in één moeite door.

Toen we eindelijk in mijn appartement waren, liet ze zich in een van de twee stoelen vallen die daar aanwezig zijn. In de slaapkamer stonden tien dozen rozijnen. Het magazijn was vol. Maar niets wees er op dat we naar die slaapkamer zouden gaan en bovendien zijn rozijnen ook weer niet echt iets om je voor te schamen.

Ze keek om zich heen.

Dat ik haar niet had verteld over die rozijnen was niet alleen ijdelheid, maar kwam ook omdat ik heb begrepen dat het er in de liefde en in de literatuur om gaat de verbeelding van de ander te prikkelen. Rozijnen prikkelen niemands verbeelding. Ik kan het weten, want ik zit er elke dag tussen.

Ik geloof niet dat we veel voor elkaar kunnen doen, ik geloof trouwens in praktisch niets, maar dat is een bijzaak. Maar als er iets is wat we voor elkaar kunnen doen, dan is dat iets misschien wel te vinden in het prikkelen van elkaars verbeelding. Van alles waarin ik geloof, geloof ik het minst in de liefde, en daarin heb ik altijd redding gezocht. Zoiets vind ik een goeie grap. Met redding bedoel ik niets pathetisch, maar iets heel praktisch en bescheidens: een paar uur vergeten dat je leeft, zonder daarbij meteen je kleren uit te hoeven trekken.

Gemiddeld twee uur per dag denk ik dat het leven gruwelijk is. Er zijn weken dat ik het niet denk, maar er zijn ook weken dat ik het 24 uur per dag denk. Ik ben hiervoor behandeld, maar ik heb ze allemaal van me afgeslagen. Degenen die me wilden behandelen dus. Ze zijn dood of er slecht aan toe, dat kunt u van me aannemen.

“Je hebt een rare naam”, zei Billy nadat we een tijd zwijgend tegenover elkaar hadden gezeten. “Je bent helemaal een beetje raar.”

“Ik ben genoemd naar mijn opa.”

“Leuke man”?

Ik haalde mijn schouders op. Hoe minder familie hoe beter, daaraan heb ik me altijd vastgehouden. Vooral toen ze begonnen te sterven. En dat hebben ze nogal gedaan, de laatste jaren. Dat zei ik niet, want ik wilde haar geen schrik aanjagen.

Achteraf bleek dat ik dat best had kunnen doen, ze was niet zo schrikachtig.

“Ken je Lee Butelli?”, vroeg ze. Misschien was het ook Butello of Butelko, of Putelli, het was in ieder geval Lee.

Ik schudde mijn hoofd.

“Die heeft mijn been gebroken”, zei Billy.

“Aha”, zei ik.

“Ik ben hem heel veel ontrouw geweest, dus was het wel mijn verdiende loon.”

Ik knikte, dat was waarschijnlijk het beste, en voor het eerst die avond moest ik aan mijn vriendin denken, die op dat moment tenslotte nog niet de man van haar leven was tegengekomen. Niet alleen heb ik vanaf mijn derde mijn familie getiranniseerd, de dood van mijn vader bespoedigd en de oudste zoon van mijn zus de wereld van verderf ingelokt, een wereld waaruit hij nog steeds niet is teruggekeerd. Maar ook heb ik, groothandelaar in rozijnen, van voor en van achter zo lelijk als de nacht, nog voor mijn 27ste levensjaar mijn vriendin in de handen van haar huidige minnaar gedreven.

Daarop zeg ik, wat die dikke serveersters in de Weinstube in Duitsland zeggen als ze de Moezelwijn met een klap voor je neerzetten: zum Wohl.