Een spiegelpaleis van speculaties

Edzard Mik: Yak. De Arbeiderspers, 145 blz., ƒ 29,90

Meteen de eerste scène is een raadsel. Rob Citroen, een jonge advocaat, ziet niet lang na de zelfmoord van zijn vader in de krant een advertentie staan. 'Doormodderen of rijk worden: u heeft het in eigen hand. Maak uw keuze, kom vanavond om acht uur naar hotel-restaurant In het Hazeleger. G. Padlina.' Hij gaat. Gezeten tussen grofweg vijftien andere nieuwsgierigen, het loopt nog niet echt storm, ziet hij in de versleten zaal een man verschijnen met een schommelende tred, een kolossale borstkas en daar overheen een zijdeglanzend en ivoorwit colbert. De heer Padlina, zegt de spreekstalmeester. Papa, zegt Citroen.

Je verstand eist een verklaring. Een dubbelganger of een dubbelleven, een herrijzenis, wat is hier aan de hand? Of is het meer Citroen met wie iets aan de hand is? Hersenschimmen, in de war, verkeerde bril? Of kan het zijn dat hij iets weet wat wij niet weten? 'Papa', fluistert hij boosaardig naar de spreker, 'denk maar niet dat je me zo makkelijk ontglipt...' Kan het soms zijn dat hij al uit de advertentie heeft geraden wie er achter die goochelaarsnaam Padlina schuilgaat? En zou dat ook zijn waarom hij überhaupt op zo'n bizarre advertentie afkomt?

De ene vraag haalt de andere uit in de romans van Edzard Mik. Zo was het al in De bouwmeester, misschien wel het merkwaardigste debuut van vorig jaar, en zo is het opnieuw in Yak. De personages staan in een verweesde wereld van hotels en winkelcentra. Er zijn richtingaanwijzers, klapdeuren, harmonicawanden. Uit een roostertje in een plafond fluit Killing me softly door de suizende airco heen, de vloeren grommen met de naastgelegen uitvalswegen mee. Het is het soort moderne wereld dat speciaal gemaakt is voor de mens, maar waar geen mens zich thuisvoelt. Buitenkant is het, een gladde gevel die een ondoorgrondelijke logica verbergt. De personages doen verwoed hun best om daar de vinger op te leggen en de meer en meer surrealistische gebeurtenissen van hun leven in de hand te houden, maar je weet nooit of ze daar in slagen. Wat ze zelf voor inzicht aanzien, zou ook heel goed paranoïa kunnen zijn, dat weet je niet. Als lezer kom je binnen in een spiegelpaleis van speculaties en vraagt je af of er een uitgang is.

Die ontregeling voert Mik in Yak weer tot het uiterste. Wat moet je hier begrijpen? Moet je hier wel iets begrijpen? In de eerste scène, om daar even bij te blijven, houdt Padlina zijn publiek voor dat het rijk kan worden, net als hij, door simpelweg die ene schitterende kans te grijpen en vertegenwoordiger te worden in Yak, het haargroeimiddel waar de wereld naar snakt. Dat is een parodie op de moderne windhandel in geluk en schoonheid, zou ik denken, en niet eens zo'n ongeestige. Maar waarom heet dat middel naar een bijna uitgestorven rundersoort die ergens godverlaten op de flanken van de, meen ik, Himalaya leeft? Wie weet omdat het beest een langharige vacht heeft die kaalhoofdigen tot voorbeeld strekt. Maar waarom heet het hele boek daar naar? Omdat het een symbool is, vast en zeker, want zo'n schrijver is Mik wel. Maar een symbool waarvoor?

In dit soort oesterachtige bouwsels is Mik onverslaanbaar. In de loop van de roman passeren er ook vlinders, vliegend of in een doosje, vogels, vliegend of in een boekje, en zo is er meer aan fauna. Ruime aandacht vind je verder voor een juffrouw die het niet goed doet als verkoopster van Yak, maar wel als minnares van haar collega's, en vooral voor haar collectie poppen. Het wil allemaal iets betekenen, dat zal haast wel. De vraag wordt op den duur alleen of je het allemaal moet willen weten. Je kunt de raadsels ook gewoon als raadsels nemen. Kijk naar de taal als naar de wolken, mooi en nog beweeglijk ook, en je geniet van Yak misschien nog wel het meest.

Toch klinkt mij dat zelf een beetje in de oren als de literatureluurse smoes van de criticus die er niet uitkomt. Daarom, voor wat het waard is, toch een poging tot verklaring. Met wat moeite valt er namelijk wel degelijk een soort verhaal uit Yak te peuteren. Citroen verwijst in veel van zijn gedachten naar een broer van hem, die overleden is aan kanker. Dat de jongen dood is, zegt Citroen, dat is de fout van papa - dat wil zeggen van Padlina, want zowaar, die blijkt ten slotte inderdaad de oude heer Citroen te zijn. Papa had moeten zien dat er iets aan de hand was toen zijn broer zei dat hij pijn had; papa had dat moeten zien voor het te laat was. Waarom dat verwijt die vader meer treft dan de rest van het gezin blijft even duister, maar er blijkt een reden voor te zijn. Vader, vroeger, was chirurg.

Achter de vaak warrige verwikkelingen zie je langzamerhand de contouren schemeren van een familiedrama. Vader, arts, 'heerser over leven en dood', is machteloos gebleven bij het overlijden van zijn zoon en weggevlucht voor de verwijten en zelfverwijten. Met een vermeende zelfmoord is hij zogezegd gestorven om het sterven te ontlopen. Hij is opnieuw begonnen, met een nieuwe naam, een nieuw beroep, en leidt sindsdien een heel nieuw leven. Hij heeft geen dode zoon meer en geen schuld, hij heeft een droom van rimpelloos geluk. De haardos van uw wens? Uw oude dikke dos? De tand des tijds weerstaan? Het kan, met Yak. Hij is geen arts meer, maar hij leeft opnieuw in een illusie van macht over leven en dood.

Zijn zoon kan dat niet uitstaan, zoveel is wel zeker. Maar dat wil niet zeggen dat hijzelf de dood aanvaardt. Er bestaat geen dood, wat hem betreft, er is alleen 'bestendigheid'. Dat iemand echt en helemaal verdwijnt en nooit meer terugkomt, hij kan het zich eenvoudigweg niet voorstellen. 'Het is een kwestie van wil, dacht hij terwijl hij de deur opendrukte, als je maar wilt, dan kom je degenen die zich uit je blikveld hebben verwijderd, gewoon weer tegen.' En je moet hem nageven, op die demonstratieavond van Padlina krijgt hij aardig gelijk.

Ook hij wil de dood naar zijn hand zetten, begrijp ik. Hij kiest alleen niet voor de vlucht vooruit, hij wil terug. Hij wil zijn broer terug. Hij wil om te beginnen zijn vader terug. Het lijkt wel of hij hoopt dat hij zijn vader als het ware uit Padlina terug kan winnen. Hij probeert hem los te weken uit de Yak-distributeur en hij ontwikkelt daartoe een verbluffende tactiek. Hij meldt zich zelf als Yak-distributeur. 'Kleine Robbie (...) zal precies doen wat jij doet', spreekt hij de man in gedachten toe. 'Elk gebaar, elk woord, alles zal hij van jou overnemen totdat er niets meer is wat alleen jou toebehoort. Dan zullen we nog eens zien hoe jij leeggevreten en ontzield onder het gewicht van zijn daden vandaan probeert te komen, hoe jij spartelt en piept en om 'zoongenade' smeekt.'

Hoe dat afloopt zal ik niet vertellen, het verhaal krijgt een onverwachte draai, maar met Citroen gaat het behoorlijk mis, dat laat zich al wel raden. Yak loopt uit op een parabel over de ontkenning van de dood en waar dat allemaal toe leidt. Citroen zweeft langzaam maar zeker op uit de werkelijkheid. Hij wil iets wat niet kan. Hij wil daarin een ander meeslepen, die ook al iets wil wat niet kan. Hij hoopt daarin te slagen door die ander na te doen, te imiteren, en hij stapelt dus onmogelijkheid op onmogelijkheid. Hij dwaalt steeds verder van een echt en eigen leven af. Leeg, steriel, kunstmatig, op den duur valt hij volkomen samen met de hedendaagse wereld zoals Mik die graag beschrijft. Hij wordt een yak, zou ik haast zeggen, want misschien is dat wel wat dat beest voor Mik wil zeggen. Hij sterft uit in de natuur en eindigt als het logo van een levenshouding die de natuur ontkent. Hij wordt, heel postmodern, een afbeelding.

Dat alles gezegd zijnde valt het met die raadselachtigheid van dit verhaal misschien toch wel mee. De strekking is beduidend minder duister dan de vorm doet vermoeden, wat bij alle voordelen van helderheid toch ook een beperking verraadt. Het is een hoogst briljant geheel, dat kun je rustig zeggen, en het toont een onvervreemdbaar eigen wereld. Maar het laat zich zo besmetten door de leegheid en kunstmatigheid die het beschrijven wil, dat het niet meevalt om bij alle brille ook nog iets te voelen.