Een publieke moraal kan heel goed zonder God

Godsdienst en moraal hebben principieel niets met elkaar te maken, vindt Paul Cliteur in reactie op Heldring, die onlangs stelde dat het christendom de bron is van onze moraal. Als godsdienst tweeduizend jaar lang invloed heeft gehad op onze moraal, dan hebben we het tweeduizend jaar lang verkeerd gedaan. We moeten de moraal bevrijden van die verontreinigende factor.

Verschillende keren heb ik gefigureerd in een column van J.L. Heldring. Daarbij waren twee vragen aan de orde. Allereerst of men een theorie mag afwijzen op grond van zijn consequenties (zoals ik onder andere doe met cultuurrelativisme).

En als tweede of het christendom kan worden gezien als de bron van onze moraal (wat ik om hierna te specificeren redenen een misleidend standpunt vind). In zijn column van 17 september nodigt Heldring mij uit vooral over deze laatste vraag helderheid te verschaffen.

Wat was het geval? Heldring had betoogd dat het christendom de bron is van onze moraal. Ik heb in die uitspraak gelezen dat hij daarmee het christelijk geloof aanprijst. Ten onrechte, zo meent hij.

Het punt dat hierbij aan de orde is, is van een veel grotere betekenis dan het dispuut tussen twee heren over wat één van hen bedoeld of geschreven zou hebben. De inzet van het hedendaags debat over godsdienst en moraal, is niet minder dan de vraag of we een publieke moraal kunnen hoog houden zonder godsdienstige uitgangspunten.

Het is niet voor niets dat dit debat juist in Nederland wordt gevoerd. Nergens is de secularisatie verder voortgeschreden dan juist hier. Wanneer vijftig procent van de mensen opgeeft niet in God te geloven, is dat historisch een enorm interessant gegeven en het roept de vraag op of atheïsme een even goede of zelfs betere houding is in morele aangelegenheden dan theïsme. Ik denk het wel, maar ik moet eerst iets kwijt over de uitspraak dat het christendom de 'bron' zou zijn van onze moraal.

Wat kan iemand bedoelen die dat zegt? Er is een heel voor de hand liggende interpretatie, namelijk dat het christendom invloed heeft gehad op onze morele opvattingen. Dat is met tweeduizend jaar christendom echter zo'n oorverdovende vanzelfsprekendheid dat het moeilijk voorstelbaar is dat Heldring niet iets meer zou bedoelen. Het roept bovendien onmiddellijk de reactie op dat onze moraal door meer gekleurd is dan het christendom. Het jodendom, Griekse, Romeinse en humanistische opvattingen hebben eveneens onze morele opvattingen bepaald. Maar nogmaals, het christendom heeft natuurlijk een belangrijke rol gespeeld.

Aangezien de uitspraak, dat het christendom een voorname bron van onze moraal is, in voornoemde zin zo triviaal is, ligt het voor de hand naar een interpretatie te zoeken die meer informatie overdraagt. Wanneer deze constatering gedaan wordt (en hij wordt door veel meer mensen gedaan dan door Heldring) dan proef ik daarin een suggestie.

De dichter T.S. Eliot maakt die suggestie expliciet: “Als het christendom verdwijnt, dan verdwijnt onze cultuur”. Ook Nietzsche, Voltaire en Dostojevski hebben erop gewezen dat een wereld zonder God ernstige gevolgen zou hebben. Zij vreesden voor de moraal. Anders gezegd: wanneer men de cultuur losmaakt van haar bron is zij verloren.

Daar begint mijn probleem. Want hoe zouden we dan die relatie tussen godsdienst en moraal moeten construeren? Ik kan maar drie manieren bedenken waarop moraal en godsdienst kunnen worden verbonden. De eerste is die waarbij de godsdienst een beloning verschaft voor goed moreel gedrag. Dat lijkt het standpunt van Jezus te zijn. In de Bergrede spoort hij mensen aan tot zachtmoedigheid, barmhartigheid, reinheid van hart en andere zaken, waarbij 'groot loon' in de hemelen wordt beloofd wanneer men die deugden cultiveert.

Vanuit moreel standpunt is deze koppeling van moraal en beloning bedenkelijk, immers de deugd moet haar eigen beloning zijn, zoals Spinoza zei. Een handeling die wordt verricht met het oog op beloning is zedelijk niet van waarde.

De tweede manier waarop men godsdienst en moraal met elkaar kan verbinden, is doordat de godsdienst een sanctie stelt op overtreding van morele geboden. Zo zou God de onrechtvaardigen straffen en wellicht dat de onrechtvaardigen zich daardoor van het plegen van onrechtvaardige daden onthouden.

Tegen deze theorie is natuurlijk hetzelfde bezwaar aan te voeren als tegen het eerste punt. Wie zich goed gedraagt uit angst voor straf, handelt moreel niet erg hoogstaand.

Een derde manier waarop een relatie tussen godsdienst en moraal zou kunnen worden geconstrueerd, is door erop te wijzen dat de wil van God de grondslag is van de moraal. 'Moreel goed' zou dan niets anders zijn als 'gewild door God'.

Dit lijkt een acceptabel standpunt en vindt ook steun in bijvoorbeeld het idee dat de Tien Geboden ons als 'bevelen' van God zijn overgeleverd. Stelen is slecht omdat God dat zo vindt. Maar ook aan dàt standpunt kleven nadelen, want het maakt van de wil van God iets willekeurigs. Hij heeft toevallig bevolen dat stelen verkeerd is, maar hij had net zo goed kunnen bevelen 'steel erop los'. De zin 'God is goed' betekent dan: 'God is wat God wil'.

De enige manier om die conclusie te vermijden is te stellen, dat wat goed en kwaad is los staat van God; de godsdienst en ethiek worden dan ontkoppeld en dat was nu juist het standpunt dat werd bestreden.

Alle pogingen tot koppeling ten spijt, godsdienst en moraal hebben dus principieel niets met elkaar te maken. Als het dan ook juist is (en ik vrees dat het juist is) dat godsdienst feitelijk tweeduizend jaar lang invloed heeft gehad op onze moraal, dan hebben we het tweeduizend jaar lang verkeerd gedaan.

Dat lijkt misschien een spectaculaire conclusie, maar dat is het allerminst. Er zijn wel meer dingen die we duizenden jaren verkeerd hebben gedaan. We hebben gemarteld om bekentenissen af te dwingen. We hebben aderlatingen verricht. We dachten dat de zon om de aarde draaide.

Het is een beetje naïef om te denken dat we niet over de relatie moraal en godsdienst honderden of zelfs duizenden jaren verkeerde opvattingen zouden kunnen hebben gehad. Nú weten we - tenminste als mijn argumenten kloppen - dat godsdienst geen beloning, sanctie en grondslag voor moraal kan zijn. Dat betekent dat we nu kunnen gaan nadenken over een ethiek zonder God. Dit streven zou zelfs een argument kunnen zijn voor atheïsme. Niet om anderen hun God te ontzeggen, maar om de moraal te bevrijden van een verontreinigende factor die ons duizenden jaren parten heeft gespeeld.

Dat proces is overigens in volle gang. Ten aanzien van de inhoud van de publieke moraal verwijst bijna iedereen naar mensenrechten. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn mensenrechten de interculturele taal geworden die over de hele wereld gesproken wordt, een prestatie waarin de wereldgodsdiensten - ondanks alle missie - nooit zijn geslaagd.

Ook over de grondslag van een moraal zonder God wordt nagedacht. Eén van de theorieën (niet de enige) is die waarbij we een handeling beoordelen op zijn consequenties. Laten we op die weg verder gaan en niet voortdurend mijmeren over onze oude fouten.