Een hachelijk tijdperk

Christian Amalvi: Le Goût du Moyen Age. Plon. 316 blz., ƒ 46,50

R. Howard Bloch en Stephen G. Nichols, (ed.): Medievalism and the Modernist Temper. The Johns Hopkins University Press. 496 blz., ƒ 52,-

H. Damico en Joseph B. Zavadil, (ed.): Medieval scholarship: biographical studies on the formation of a discipline. Volume I: History. Garland Publishing. 346 blz., ƒ 98,50

H. Fuhrmann: 'Sind eben alles Menschen gewesen'. Gelehrtenleben im 19. und 20. Jahrhundert. C.H. Beck. 328 blz., ƒ 65,-

P.G.J.M. Raedts: Toerisme in de tijd? Over het nut van Middeleeuwse geschiedenis. KUN, 31 blz., ƒ 15,-

Te bestellen: 024-3612156

In de jaren tachtig mochten de middeleeuwen zich in een enorme belangstelling verheugen. Boeken als Montaillou en De naam van de roos vonden hun weg naar een breed publiek, en deze verknochtheid aan een historische periode werd uitgelegd als een nieuwe middeleeuwengolf. De fascinatie voor de middeleeuwen lijkt allerminst afgenomen. Zo zal paus Johannes Paulus II bij zijn bezoek aanstaande zondag aan Reims, in de kathedraal stil staan bij het feit dat Clovis zich hier als eerste Frankische vorst liet dopen tot rooms-katholiek. De Franse boekhandels liggen tjokvol met feestbundels als Clovis et le baptême de France of Le baptême qui a fait la France.

Een enorm succes is ook het circuit touristique in de Pays de Retz. In bussen, worden toeristen rondgeleid langs de kastelen van de Bretonse leenman Gilles de Rais, het middeleeuwse Monster van Frankrijk. Hoogtepunt is een bezoek aan het slot van Tiffauges. Daar bedreef de baron van Rais zijn sadistische toverpraktijken, waarbij meer dan tweehonderd kinderen en vrouwen werden vermoord. Voor de gelegenheid zijn de folterwerktuigen in alle luister hersteld. Maar ook minder gewelddadige zaken prikkelen een groot publiek. Op veel plaatsen worden de middeleeuwen opnieuw tot leven gebracht. In Engeland bestaat sinds 1991 een serieus genootschap, de National Association of Re-enactment Societies, waarin gebroederlijk wordt samengewerkt door Keltische Druïden, Vikingen, Ronde-Tafelridders en Robin Hood-gezelschappen. Dichter bij huis, in het Muiderslot wordt op de binnenplaats de arme Floris V telkens opnieuw vermoord door de plaatselijke amateur-toneelvereniging.

Een ander facet van de middeleeuwengolf is de inspiratie die nationalistische en separatistische bewegingen in de middeleeuwen vinden. Jaarlijks herdenken Serviërs in groten getale de slag op het Merelveld, waar in 1389 hun prins Lazar verloor van de Turken. Hij deed dat met opzet omdat hem in ruil hiervoor een eeuwig koninkrijk voor het Servische volk was beloofd. In Beieren roept de 'Bajuwarische Befreiungsarmee' de tijden in herinnering van Odilo van Beieren, toen het hertogdom nog zelfstandig was. En in Italië wordt door de Lega Nord de onverzettelijkheid geroemd waarmee de Noord-Italiaanse steden strijd voerden tegen het centralisme van Frederik Barbarossa.

Vercingetorix

Dergelijke nationaal-ideologische betekenissen zijn sinds het einde van de achttiende eeuw een terugkerend element in de omgang met het middeleeuwse verleden. Talloze voorbeelden hiervan zijn te vinden in Le goût du Moyen Age, geschreven door de Franse historicus en conservator aan de Bibliothèque Nationale, Christian Amalvi. Vaak wordt het nationalisme als een eenvormig monster voorgesteld. Ten onrechte, want de wijze waarop verschillende politieke en religieuze groeperingen aanspraak maakten op het (middeleeuwse) nationale verleden verliep vrijwel nergens in eensgezindheid. In Clermont-Ferrand bijvoorbeeld werd aan het einde van de vorige eeuw door katholieken uit de Auvergne een monument opgericht ter ere van Urbanus II, die er in 1095 een oproep had gedaan voor de Eerste Kruistocht. Dit tot grote woede van anticlericaal-links, dat reageerde met de oprichting van een tweede standbeeld ter herinnering aan Vercingetorix, ook een nationale held en, belangrijker, boven iedere verdenking een echte heiden.

Aan de hand van biografieën van middeleeuwers laat Amalvi trefzeker zien hoe historische beeldvorming een instrument was voor partij-politieke profilering. Terwijl katholieken uitbundig de heiligheid van de middeleeuwse koning Lodewijk IX prezen, beklemtoonden republikeinen - ten onrechte overigens - zijn anti-Roomse gezindheid. En waar Franse nationalisten Lodewijk roemden wegens de toevoeging van de Languedoc aan het koninklijk domein, werd hij door Occitaanse separatisten als een heerszuchtige roverhoofdman afgeschilderd. Zelfs na de Tweede Wereldoorlog werd Lodewijk nog opgevoerd als de onvermoede stichter van het Franse koloniale rijk in Noord-Afrika: waarom had hij anders bij zijn laatste kruisvaart in Algerije voet aan wal gezet?

Ook Charles de Gaulle, roemrucht naoorlogs president van Frankrijk, liet zich inspireren door het middeleeuwse verleden. In 1940 stichtte hij naar middeleeuws voorbeeld de Orde van de Bevrijding. Het Lotharingische kruis - symbool van de Vrije Fransen - was daarbij een verwijzing naar de kruistochten. Aan ieder die het wilde horen vertelde de generaal met trots dat hij in zijn jeugd in een musical de rol van koning Filips Augustus had gespeeld. Niet zonder gevoel voor ironie bracht hij in 1962 in gezelschap van de Duitse kanselier Adenauer een bezoek aan de kathedraal van Reims, waar sedert de middeleeuwen de Franse koningen werden gezalfd. Zichtbaar verguld was De Gaulle toen hij bij een bezoek aan Blois de burgemeester bij de welkomstdronk hoorde zeggen: “President! Ik ben er trots op vandaag de leenhulde te mogen doen die eertijds door een vazal aan zijn heer werd gebracht.”

Rode draad in de hier besproken boeken is de wijze waarop de middeleeuwen in de negentiende en twintigste eeuw zijn bestudeerd. De door Helen Damico en Joseph Zavadil uitgegeven bundel Medieval Scholarship en de monografie van Horst Fuhrmann, voormalig president van de Monumenta Germaniae Historica (een van de grootste middeleeuwse bronnenverzamelingen), beschrijven de inspanningen van geleerden die zich in de middeleeuwse geschiedenis hebben verdiept. Indrukwekkend zijn de passages die Fuhrmann wijdt aan de positie van de vele joodse geleerden ten tijde van Hitlers Derde Rijk. De overige boeken gaan vooral over de beeldvorming. Deze benadering levert de interessantste gezichtspunten op.

Beeldvorming

Vanaf de eerste 'middeleeuwengolf' die grofweg aan het einde van de achttiende eeuw ontstond, is er sprake van een contrasterende beeldvorming, die het tijdvak in vergelijking met andere perioden een uniek karakter bezorgt. Tegenover een uitgesproken negatieve typering staat een positieve en welwillender beeldvorming. Tot de eerste categorie behoort een historicus als Edward Gibbon, die de middeleeuwen kenschetste als 'de triomf van barbarij en christelijke religie'. Een representant van de tweede categorie is de Nederlandse Lodewijk van Deyssel, die ooit verzuchtte 'Groote God, die Middeneeuwen! Ja, ik moet er ook naar toe. Dat is mijn land.'

Het is opmerkelijk dat in de studie van Amalvi een plaats wordt toebedeeld aan geschiedschrijvers én literatoren. Zo'n aanpak loont de moeite, omdat een vergelijking van geschiedenis en literatuur - ondanks alle verschillen die er natuurlijk ook zijn - het inzicht in beide genres of disciplines kan vergroten. Opvallend is immers dat de contrasterende beeldvorming zowel in de geschiedschrijving als in literatuur van de negentiende eeuw is terug te vinden. En ook de literatuur van die eeuw laat zich in sociaal-politieke context begrijpen. Een artikel in de door R. Howard Bloch en Stephen G. Nichols geredigeerde bundel Medievalism and the Modernist Temper, geschreven door John M. Ganim, toont aan dat de Schotse schrijver Walter Scott in zijn historische romans door idealisering van adel en volk lucht kon geven aan zijn anti-democratische standpunten en afkeer van de modern-industriële samenleving. Een andere overeenkomst tussen geschiedschrijving en literatuur schuilt in de aanwending van dezelfde metaforen. Schrijvers en dichters van de Romantiek personaliseerden graag het nationale verleden. De middeleeuwen werden daarbij vergeleken met de kindertijd, waarnaar we niet kunnen terugkeren. Deze metafoor speelt eveneens een rol in het werk van geschiedkundigen als Michelet, Fruin of Huizinga. Enfance de l'Europe is trouwens de titel van een nog uit 1982 daterende tweedelige monografie van de Franse mediaevist Robert Fossier.

Dat roept de vraag op hoe het met die historische beeldvorming in onze tijd is gesteld. Een negatieve houding tegenover de middeleeuwen is - behalve in het dagelijks spraakgebruik - vooral merkbaar bij cultuurfilosofen en sociologen. In de toevlucht van de moderne mens tot de psycho-therapie ziet Christopher Lasch een overeenkomst met de middeleeuwer die zich overgaf aan allerhande vormen van magie. De Franse filosoof Alain Minc heeft een vergelijking gemaakt tussen hedendaags islamitisch fundamentalisme en de praktijken van de middeleeuwse inquisitie. Hier doet zich een eigenaardige verschuiving in de beeldvorming voor. Waar in de negentiende eeuw het obscurantisme van de middeleeuwen betrekking had op de eigen, Europese, middeleeuwen, lijkt in onze tijd een voorkeur te bestaan om 'de duistere middeleeuwen' te reserveren voor niet-Europese culturen.

Hoe zit het eigenlijk met de vakhistorici die zich beroepsmatig bezig houden met de middeleeuwen? Veel geschiedkundigen vinden het hinderlijk wanneer men hun werk in verband brengt met hun veronderstellingen. De historicus dient zich immers bescheiden op te stellen en het verleden gewoon voor zichzelf te laten spreken. Een reflectie over de mogelijke uitgangspunten van de (middeleeuws) historicus is niettemin ondernomen door de Nijmeegse hoogleraar Peter Raedts in zijn in boekvorm verschenen oratie. 'Wat is het nut van de middeleeuwse geschiedenis?', is de vraag die Raedts zich stelt. Nadrukkelijk verweert hij zich tegen de exclusieve voorstelling van de middeleeuwen als een vreemd en exotisch land, die vooral door antropologisch georiënteerde historici wordt beleden. Bestudering van de periode heeft in zijn optiek vooral zin wanneer men zich de continuïteit met het tijdvak en de verbondenheid met de middeleeuwse mens realiseert. Een mogelijke actualiteitswaarde van de middeleeuwen voor onze cultuur ligt, aldus Raedts, in het gegeven dat voor de middeleeuwer alles hachelijk was. De herinnering aan het tijdvak kan ons de grenzen van onze macht onder ogen brengen. Zo'n bespiegeling over de uitgangspunten van de historicus lijkt niet overbodig. De historische beeldvorming van de middeleeuwen in de negentiende en twintigste eeuw laat zien hoezeer door geschiedkundigen en schrijvers met verborgen agenda's is gewerkt.