De vrolijkste schilder van de Gouden Eeuw geëerd

Tot 12 jan 1997 in het Rijksmuseum in Amsterdam. Dag 10-19u. Cat: ƒ 49,50. Zie ook CS, pag 1: Rudi Fuchs: 'Kijk maar, er staat wat er staat.'

AMSTERDAM, 20 SEPT. Hij is een zot geweest, een dronkelap, een nietsnut en ook nog een huisvader die er een bende van maakte. Een eeuw of wat later was het iets beter gesteld met zijn reputatie. Kunsthistorici herkenden in hem een bohémien, een predikant ook, wiens gelaagde zedenlessen ter harte moesten worden genomen. En nu, ruim driehonderd jaren na zijn dood, is er nog steeds geen consensus over de levenswijze en de bedoelingen van Jan Steen (1626-1679), die, ondanks alle kunsthistorische bevindingen, de vrolijkste schilder van de Gouden Eeuw zal blijven.

Het Rijksmuseum in Amsterdam brengt hem vanaf morgen een hommage. Het laatste overzicht dateert alweer van 1958. In zes zalen hangen nu chronologisch en enigszins thematisch gerangschikt 49 van Steens mooiste werken. De omvang van het totale oeuvre schommelt tussen de 250 en 700 doeken en panelen. Houdt het maar op zo'n 400 stukken, zeggen de meeste deskundigen. “Een ondoordringbare rijstebrij van soms heel lelijke schilderijen”, aldus Henk van Os, algemeen directeur van het Rijksmuseum, “en daar hebben wij dus de krenten uitgepikt.”

De tentoonstelling, gemaakt in samenwerking met de National Gallery in Washington, begint met een braaf wintergezicht, dat nauwelijks afwijkt van de vertrouwde, zeventiende-eeuwse schaatstaferelen, die bijvoorbeeld Steens leermeester en latere schoonvader Jan van Goyen (1596-1656) kon hebben gemaakt. En het overzicht sluit met Het tuinfeest (1677), waar dames en heren samen met hun kroost drinken, schateren, musiceren en flirten, alsof de dag geen nacht kent. Een 'fête galante', meent de catalogus, dat een rococo-schilder als Antoine Watteau zo zoet wist te penselen.

Tussen het ijs- en het tuinfeest ligt het verrrassend brede repertoire dat Steen wist te bestrijken; historiestukken, bijbelse taferelen, portretten, openlucht-scènes en genrestukken, alsook de combinatie van portret en genrestuk. Met het gemak waarmee een miniatuurtje als het verleidelijke Oestereetstertje (20,5 x 14,5 cm) werd neergezet, kon hij op het anderhalve meter brede In weelde, siet toe net zo zwierig een groot en baldadig gezelschap laten figureren. Deze beeldschone klucht in Saenredam-achtige tonen, een bruikleen van het Kunsthistorisches Museum in Wenen, onthult hoe mens en dier als lid van een welvarend maar 'bedorven huishouden' de beest uithangen. De kinderen stelen als de raven, terwijl de volwassenen laveloos van de drank zijn ingedut of alleen uit wellust het bed willen delen. Heinrich Heine had er, aldus een museumwand, zo zijn eigen woorden voor: '(Jan Steen) Er begriff, dass unser Leben nur ein farbiger Kuss Gottes sey und er wusste, dass der heilige Geist sich am herrlichsten offenbart im Licht und Lachen.'

In tegenstelling tot de goud-oranje gloed die van menig werk afstraalt is de museum-entourage op het kille af. Vormgeefster Marijke van der Wijst gaf elk van de royaal gehangen doeken en panelen een breed, donkergrijs kader, dat belicht wordt door het cylindervormige lamptype dat bij filmopnamen wordt gebruikt. Deze setting steekt robuust af tegen de lichtgrijs gesausde wanden. Al dat grijs baseerde Van der Wijst op het zilvergetinte bontjasje van het Oestereetstertje, opdat de warmte van Steens huiselijke taferelen naar voren komt.

De toeschouwer wordt dus door geen enkele andere tint afgeleid dan door de kleuren van Jan Steen - en diens palet is rijk. Kijk bijvoorbeeld eens hoe hij de glans bereikte van een chintz-achtige japon, hoe hij daar zowel blauw en groen als grijs en paars in stopte, terwijl bij een eerste oogopslag alleen een roze verfvlak opdoemt. Net zo knap weet hij bij Het driekoningenfeest, uit Kassel, het witte en fel rood-oranje zo samen te ballen dat onze blik meteen naar de middentafel wordt gedirigeerd om vandaar langzaam maar zeker elke gast, hoe klein en ondeugend ook, van nabij te leren kennen.

Zo druk en lawaaierig als de dorpse feestjes en familiebijeenkomsten, zo stil en beschouwelijk is Het morgentoilet, een juweel uit het bezit van de Britse vorstin. Een jonge vrouw trekt op de rand van haar hemelbed een zachtblauwe kous uit (of aan) en terwijl wij dwars door een monumentale poort recht in haar gezicht kijken, herinneren een luit en een schedel, pal op de drempel neergelegd, aan de kortstondigheid van haar genietingen, en aan de vergankelijkheid van het vleselijke.

Juist omdat Steen zo'n intense verteller is die elk fragment vermakelijk weet op te dienen, ontgaat de toeschouwer gemakkelijk het vernuft waarmee hij componeerde, stoffeerde, arrangeerde, maar ook psychologiseerde. Want er is geen menselijk trekje te verzinnen of Steen wist er in houding en gelaatsuitdrukking wel raad mee; van de onbeschoftheid die de oudtestamentische, rancuneuze Amnon tentoonspreidt tot de liefdevolle strengheid waarmee een vader toekijkt op het bidden van zijn kroost.

Of Steen zelf zo'n oplettend vader was, weten we niet. Als brouwer wist hij het in Delft in elk geval niet ver te schoppen. Als schilder stond hij weliswaar bij verzamelaars en bij het Leidse Sint Lucas-gilde in hoog aanzien, maar het feit dat hij zijn zes kinderen geen stuiver van het familiekapitaal kon nalaten, doet toch vermoeden dat hij leefde zoals hij schilderde, èn omgekeerd. Dus niet als predikant of als bohémien, maar tòch als die genotzuchtige, joviale komediant, aan wiens oog weinig ontging, maar die er af en toe een genoeglijke puinhoop van maakte.

Overigens lijkt filevorming, zoals destijds bij Vermeer in het Mauritshuis, in de ruime zalen van het Rijksmuseum uitgesloten. Ook het souvenir-aanbod is bescheiden. Jan Steen kreeg een zeer lezenswaardige catalogus en een enkele fles wijn-met-etiket toebedeeld. Bij de museumkassa is gewoon een kaartje van ƒ 15,- te koop. Dat de meeste bezoekers het de eerste weken van zo'n tentoonstelling laten afweten, verbaast de museumdirectie. Jammer, want zodoende dreigen de zalen later alsnog dicht te slibben.