De val van Het Parool; Gemangeld tussen politiek en populisme

Gevoel voor actualiteit is Gerard Mulder en Paul Koedijk niet te ontzeggen. Net heeft de hoofdredacteur ontslag ingediend of zij komen met een boek over Het Parool. Is dit om aan te geven dat de na-oorlogse geschiedenis van die krant één lange sage is van heroïsche conflicten en persoonlijke tegenstellingen?

Gerard Mulder & Paul Koedijk: Léés die krant. Geschiedenis van het naoorlogse Parool. Meulenhoff, 640 blz, ƒ 89,- (geb.) ƒ 69,90 (ingenaaid).

Léés die krant, is de titel van een wetenschappelijk verantwoord en zeer leesbaar boek. 'Léés die krant', om dat commando gaat het ook nu in het conflict tussen directie en hoofdredactie aan de Wibautstraat. Want Het Parool maakt al jaren forse verliezen omdat te weinig lezers doen wat er gezegd wordt. Officieel is de oplage 100.000. In vakkringen circuleren aanzienlijk lagere getallen. In elk geval is het niet genoeg om levensvatbaar te zijn.

Hoe komt dat? Over weinig dagbladen in ons land wordt met zoveel warmte gesproken als over Het Parool en er is vermoedelijk geen journalist te vinden die het een slechte krant vindt. Toch delen de ontbrekende honderdduizend lezers die mening niet. Dat maakt de journalistieke normen van goed en slecht maar beperkt bruikbaar. Is een krant die langdurig te weinig lezers ontmoet goed en kan een krant die langdurig succes heeft slecht zijn? Het boek van Mulder en Koedijk maakt in elk geval duidelijk, dat de neergang van Het Parool geen kwestie is van een modegril bij de krantenlezers. Er zijn diepere oorzaken die niet te verhelpen zijn met een nieuwe columnist of een andere vormgeving.

Nederlanders zijn betrekkelijk trouw aan hun dagbladen, zeker in het serieuzere segment van de markt waartoe Het Parool behoort. Lezers hebben, als het goed is, een emotionele binding met hun krant, enigszins te vergelijken met de relatie tussen familieleden. Ze kunnen uitermate geïrriteerd raken door een artikel of een standpunt, maar bedanken is een grote stap, een amputatie. Wanneer dat toch jaren achtereen gestadig gebeurt, is er iets mis met het ritme, waarin een krant de maatschappelijke ontwikkelingen volgt of daarbij achterblijft.

De kunst is om oud te worden met oudere abonnees, maar aantrekkelijk te blijven voor de nieuwe. Het ziektebeeld van Het Parool is al jaren, dat de oudere lezers gehecht blijven aan hun krant, maar dat er onvoldoende nieuwe recruten komen. Veel overlijdensadvertenties dus. Zo sukkelt een roemruchte krant langzaam naar de afgrond en ook veel niet-lezers voelen een pijnscheut bij de gedachte dat Het Parool zou verdwijnen.

Een vraag is, of kranten altijd trouw de maatschappelijke ontwikkelingen moeten volgen, of ze eeuwig willen leven. Sinds het begin van de persgeschiedenis, begin zeventiende eeuw, zijn duizenden bladen verschenen en weer verdwenen met de eb en vloed van de maatschappelijke ontwikkelingen. Kranten van royalisten en republikeinen, van communisten en patriotten, van regeringen en pressiegroepen, van protestanten en katholieken. De censuur heeft er veel om zeep geholpen, net als oorlogen en revoluties.

De kranten dienden een doel of een gedachte en verdwenen na een maand, een jaar of een eeuw. Een enkeling heeft het langer uitgehouden, zoals de Londense Times, die al sinds 1785 de belangen van het empire verdedigt. Maar ook die krant is herhaalde malen bijna aan aderverkalking overleden.

Rebelsheid

Kranten kunnen in theorie lang leven, maar hoe meer zij te zeggen hebben, des te riskanter wordt hun bestaan. Het beste is om aan te sluiten bij traditionele waarden en altijd midden in de stroom te varen. Dat klinkt karakterloos en commercieel en dekt de praktijk niet. Want geld verdienen is niet vaak hoofddoel en zelden het enige doel van kranteneigenaren geweest. Zeker in Nederland ging het altijd om emancipatie, opvoeding en politieke beïnvloeding. De pers was sinds het midden van de vorige eeuw, net zoals later radio en televisie, een belangrijk wapen in de verzuiling.

Voornaamste doel was dan ook het bijeen houden van de schaapjes, winst maken een bijkomstigheid. De Telegraaf, opgericht in 1893 is de uitzondering op de regel. Dat is de enige krant zonder ideologisch fundament, onafhankelijk van enige zuil.

En Het Parool dan, 'Vrij en Onverveerd' zoals al sinds 1941 onder de titel staat? De lichte tragiek is dat de oprichters van plan waren een waarlijk onverzuilde, politiek en financieel onafhankelijke krant te maken. Progressief en democratisch, strevend naar een weerbare en onverzuilde maatschappij en niet gebonden aan een partij.

Dat was in de eerste plaats het ideaal van de man die als oprichter geldt, Frans Goedhart, of Pieter 't Hoen zoals zijn schuilnaam in de oorlog was. Deze journalist begon al in 1940, toen veel Nederlanders nog aarzelden over hun houding, met een illegale Nieuwsbrief. Kort daarna kwam hij in aanraking met andere activisten, onder wie Koos Vorrink, voorzitter van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP).

De samenwerking leidde begin 1941 tot de verschijning van een veel professioneler opgezet blad, Het Parool. De Nieuwsbrief ging daarin op, maar Frans Goedhart was er de man niet naar om zijn denkbeelden over zelfstandigheid te laten varen. Dat leidde tot conflicten met Vorrink en met de voormalige hoofdredacteur van Het Volk, het officiële partijorgaan van de SDAP, Wiardi Beckman. Zij ergerden zich bijzonder aan de tirades van Goedhart tegen de vermolmde zuilenstructuur en de oude partijen. Vooral Vorrink kwam dat politiek slecht uit, omdat hij net in clandestien gesprek was met een aantal van die oude politici over het na-oorlogse Nederland. De socialistische voorman wilde helemaal geen nieuwe orde, zoals Goedhart, maar een gerestaureerd politiek landschap waarin de SDAP kon doorbreken naar een gelijkwaardige status met liberale en confessionele partijen.

Goedhart won dat conflict nadat Wiardi Beckman werd gearresteerd door de Duitsers en Vorrink zich terugtrok om een eigen krantje te maken. Maar de verhouding tot de geestverwanten, in de SDAP en later de Partij van de Arbeid, is Het Parool blijven achtervolgen.

Frans Goedhart

Het streven naar onafhankelijkheid heeft de krant altijd iets fiers en flinks gegeven, de geur van oud-verzetskrant hangt zelfs nu nog in de kolommen. Maar de rebelsheid leidde ook vaak tot wantrouwen en irritatie bij de geestverwanten in de PvdA en tot onduidelijkheid over de politieke positie van Het Parool bij een groter publiek. De hoofdredactie had zich na de bevrijding nadrukkelijk tot de PvdA bekend, zij claimde zelfs min of meer het geestelijk eigendom. In een hoofdartikel van 4 februari 1946 ('De Partij van den Arbeid. Een Parool-ideaal wordt werkelijkheid') bevestigde de schrijver dat de krant 'onzakelijk' gebonden was aan de partij. Op grond van die positie kreeg Het Parool bij de oprichting van de partij meer dan een voet tussen de deur. Goedhart veroverde zelfs een plaats in het dagelijks bestuur en kwam op de groslijst van de PvdA voor de eerste Tweede Kamerverkiezing na de oorlog.

Dat leidde ook tot interne wrijvingen binnen het stichtingsbestuur van de krant. Niet alle bestuurders van de stichting die het blad beheerde (onder anderen Gerrit Jan Van Heuven Goedhart, Wim van Norden, Simon Carmiggelt en Jan Meijer) waren het eens met zo'n personele unie. Zij vreesden - terecht, zoals later bleek - voor verlies van bewegingsvrijheid van de krant en verwarring bij de lezers als Het Parool in feite het tweede partijblad zou worden, naast Het Vrije Volk.

Frans Goedhart was desondanks niet te remmen. Dezelfde moed en weerbarstigheid die hem in 1940 in het verzet deden gaan, stuurden zijn daden na de bevrijding.Een fascinerende, gedreven man, idealistisch maar zonder scrupules in het realiseren daarvan, een tactisch opportunist die altijd wist waar het centrum van de macht lag. En een onmogelijke man om mee samen te werken. Waar hij verscheen ontstond spanning en die conflictueuze aanwezigheid klinkt dan ook als een basso continuo door het verhaal. De geschiedenis van Het Parool is niet te schrijven zonder ruime aandacht voor de invloed van Goedhart. Mulder en Koedijk hebben dat intelligent gedaan, zo uitgebreid dat het boek bijna een biografie van Frans Goedhart is geworden.

Toch blijft diens persoonlijkheid nog ten dele een mysterie - net als de precieze aard van het machtsspel dat hij opvoerde met zijn collega's. Een van de raadselen is dat het nooit tot een definitieve breuk is gekomen. Vermoedelijk heeft het gemeenschappelijke verzetsverleden en de dreigende hoon van de buitenwereld, een explosie verhinderd. Mogelijk heeft deze kameraderie binnen de stichting - een unieke constructie zonder winstoogmerk en individuele aandeelhouders - er bovendien toe geleid dat er geen duidelijke hiërarchische verhoudingen ontstonden, zodat niemand met zijn vuist op tafel kon slaan om beslissingen te forceren en de krant bleef hangen in een sfeer van collegiale samenwerking en vrijblijvende adviezen.

In elk geval wordt duidelijk, dat Goedhart voor weinig terugdeinste en zijn positie als oprichter op bijna chanterende wijze uitbaatte. Niet alleen de politieke lijn van de krant was daarbij de inzet, maar ook de brandende grief van Goedhart, tot aan zijn dood toe, dat hij nooit hoofdredacteur was geworden.Voor hem was het al na 1941 vanzelfsprekend, dat een na-oorlogs Parool maar één naam op de voorpagina zou hebben: de zijne. Hoewel Van Norden en Meijer, die de illegale organisatie technisch leidden, hem herhaaldelijk vertelden dat hij daarvoor niet geschikt was, wenste Goedhart niet te luisteren. Het was een klap toen hij op het eerste legale Parool van 7 mei 1945 als 'waarnemend hoofdredacteur' werd aangeduid.

De benoeming van Van Heuven Goedhart tot definitieve hoofdredacteur in september van dat jaar, zou negen van de tien mensen tot vertrek hebben geïnspireerd. Goedhart bleef. Hij slikte de vernedering om de krant als machtsbasis te kunnen blijven gebruiken. Zonder krant zou zijn persoonlijke invloed op de politieke vernieuwing in het land, en later op de bittere strijd tegen het communisme, aanzienlijk verminderen. En zo zat Goedhart niet in elkaar. Een vrije, onafhankelijke krant jazeker. Maar wel een politieke instrument in dienst van het ideaal, bij voorkeur in de vertaling-Goedhart. Vrij en onafhankelijk betekende in de eerste plaats dat het blad niet in een kapitalistisch systeem moest zitten, onderworpen aan de 'baatzucht van de bezitters'.

Maar de onafhankelijkheid die de oprichters nastreefden, kwam er niet. De PvdA was altijd ruim vertegenwoordigd in stichtingsbestuur of, later, curatorium. Er bestonden ook andere kruisverbanden. Goedhart bleef vele jaren lang Tweede-Kamerlid, lid van de Raad van Europa én prominent schrijver van donderstukken op de voorpagina. Goedhart-de-journalist juichte vaak toe, wat Goedhart-het-kamerlid de volgende dag zou gaan zeggen.

Dat was niet abnormaal in die tijd. KVP-fractievoorzitter Romme was vele jaren staatkundig hoofdredacteur van De Volkskrant, naast Joop Lücker, en zijn anti-revolutionaire collega Bruins Slot vervulde dezelfde functie bij Trouw. Er werd simpelweg anders gedacht over objectiviteit en redactionele onafhankelijkheid dan nu. Die verwevenheid met de politiek gaf kranten overigens veel invloed op het maatschappelijk gebeuren. De ontzuiling in de jaren zestig maakte de kranten onafhankelijker en vrijer, maar minder belangrijk in het debat.

Ondanks enkele eigenwijze standpunten voegde ook Het Parool zich vloeiend in het na-oorlogse verzuilde politieke systeem. Eén van die afwijkingen was, tot grote boosheid van PvdA en haar etherstem VARA, dat Het Parool pleitte voor een onafhankelijke omroep. Tevergeefs uiteraard.

Soms leek het erop, dat de krant wérkelijk een eigen koers zou varen, zoals in de kwestie-Indonesië. Aanvankelijk geloofde het blad nog in een lossere staatkundige band met de kolonie. Maar toen duidelijk werd dat de republiek een onherroepelijk feit was, verzette de kant zich fel tegen de politionele acties. En daarmee tegen de PvdA, die onder Drees de gewapende acties had gesteund. Maar daar bleef het bij. Ondanks de verbitterde protesten bedankten de prominenten van Het Parool niet als lid van de PvdA. Zeker de oud-communisten onder hen - zoals Frans Goedhart en Jacques de Kadt - kenden de harde les: buiten de partij bestaat geen macht en nauwelijks leven.

Ondergeschiktheid aan de politiek, die de hele pers kenmerkte, bleek ook in de jaren vijftig bij de Greet Hofmans-affaire en in 1956 bij de zaak-Schokking. Hoewel verschillende mensen bij Het Parool, onder wie hoofdredacteur Van Heuven Goedhart en Frans Goedhart, wisten dat er iets mis was op Soestdijk, werd er geen letter over geschreven. Dat was de paternalistische traditie van de verzuiling: de voormannen lichtten elkaar in maar vonden het gezonder om het volk onwetend te laten.

Vitaliteit

De affaire-Schokking was minder roemrucht maar eveneens tekenend. Het Parool had een aantal geaffilieerde kranten in het land, die in de illegale periode vrij zelfstandig opereerden. Eén van die kranten, De Nieuwe Pers uit Utrecht, was erachter gekomen dat de burgemeester van Den Haag een omstreden oorlogsverleden had. De man (mr F.M.A. Schokking) was destijds burgemeester in Hazerswoude en had een joods onderduikersgezin met de naam Pino laten arresteren. De vader pleegde zelfmoord, zijn vrouw en een kind stierven in 1942 in Auschwitz. De zaak was gecompliceerd en kreeg politieke aspecten. De PvdA had zich in 1949 al fel verzet tegen de benoeming van Schokking. Overigens niet wegens diens oorlogsverleden - dat was officieel afgedaan - maar omdat de socialisten in Den Haag veel meer zetels hadden dan de KVP. Maar nu terugkomen op de zaak zou vrijwel zeker als een aanval op de coalitie worden beschouwd. Daarom nam de hoofdredacteur van De Nieuwe Pers, Sjoerd van der Schaaf, uitgebreide maatregelen om zich in te dekken. Hij had al vele malen te horen gekregen dat de rooms-rode coalitie het marstempo van de kranten bepaalde. Hij zocht daarom eerst contact met de commissarissen van zijn krant. Vervolgens vroeg hij een onderhoud met premier Drees om te vragen of er enig algemeen belang was dat zich tegen publicatie verzette. Drees zag geen bezwaren. De volgende stap was dat Van der Schaaf Goedhart inlichtte. Die begreep alle risico's, maar verbood publicatie niet. Tenslotte schreef hij een commentaar. Geen aanklacht maar een verontschuldigende uitleg dat een krant explosieve primeurs vaak niét moet afdrukken als het algemeen belang zich ertegen verzet. En dat was, na veel vijven en zessen, ditmaal niet het geval.

Goedhart bleef zijn guerrilla om invloed in de krant ondertussen volhouden. Toen hoofdredacteur Van Heuven Goedhart genoeg kreeg van de twisten en in 1950 een post als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN accepteerde, probeerde Goedhart wéér hoofdredacteur te worden. Voor de tweede keer durfde het stichtingsbestuur het niet aan. De goedhartige J.P. Koets werd benoemd, een man met zo weinig journalistiek gevoel, dat hij - tot zegen van de krant - zijn redacteuren een grote vrijheid liet. Meer was niet nodig, want de ras-journalist Van Heuven Goedhart had al voor het nodige talent gezorgd.

Dankzij diens neus voor mensen en dankzij de milde, stimulerende aanwezigheid van Koets ontstond een team schrijvers dat Het Parool een vaste plaats in de pershistorie zou geven. Simon Carmiggelt, Willem Wittkampf, Henri Knap, Jeanne Roos, Herman Sandberg, Sal Tas, Han Hoekstra, Bertus van Lier, Adriaan Morriën, Evert Werkman, Max Nord, Friso Endt, Annie Schmidt, Lex van Delden, J.M. Prange, Wim Hora Adema werden landelijk bekende - soms beruchte - namen.

De krant straalde een geweldige vitaliteit uit, een plezier in het leven waaraan de na-oorlogse Nederlanders behoefte hadden. Het wonder van zoveel talent was dat Het Parool mensen uit alle lagen van de bevolking kon boeien. Intellectuelen lazen Kronkel en Annie Schmidt net zo trouw als het gewone volk dat deed. Abonnees uit de Spaarndammerbuurt interesseerde het geen bal dat Goedhart of De Kadt voor de honderdste keer het communisme verketterden. Uit onderzoek bleek dat een meerderheid van de lezers de krant niet nam voor het politieke standpunt, maar om al die prachtige rubrieken en de frisse journalistiek.Dat was een compliment. Maar die heterogeniteit hield ook gevaar in, zoals in latere jaren zou blijken. Net zoals het feit, dat de landelijke dekking geleidelijk aan het afkalven was.

Sinds de oorlog had Het Parool namelijk vele dochters, als gevolg van door de illegaliteit opgelegde decentralisering. Na de bevrijding floreerden die, want de Nederlanders hadden een grote nieuwshonger en de oud-illegale bladen hadden een voorsprong. Maar toen de verhoudingen weer normaal werden en de oude, al dan niet 'foute' kranten weer verschenen, stroomden de lezers terug naar hun vertrouwde lijfbladen. De ene Parool-dochter na de andere moest de strijd opgeven, zodat het zwaartepunt voor de vrije socialistische pers in de jaren zestig steeds meer in Amsterdam kwam te liggen. En daar was hevige concurrentie van landelijke ochtendbladen, zoals De Telegraaf maar vooral het Nieuws van de Dag.

De Telegraaf

Dat was bitter. De Telegraaf was 'fout' geweest in de oorlog, en het leek vanzelfsprekend dat de Parool-groep het gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal en de persen na de bevrijding vorderde. Dat gebeurde. Maar Het Parool werd geen eigenares van het bedrijf en de samenwerking met de oude drukkers en zetters van De Telegraaf was problematisch. Het personeel ageerde boven- en ondergronds voor terugkeer van 'onze bladen', mede omdat hun pensioenpremies in De Telegraaf belegd waren.

In 1949 mocht De Telegraaf weer op straat. Na een trage start begon deze krant een groeispurt die nog steeds niet is geëindigd. Het Nieuws van de Dag, met veel opgewarmd nieuws uit de Telegraaf maar goedkoop, ontwikkelde zich langzaam tot een geduchte Amsterdamse concurrent voor Het Parool. Een onderzoekje in de jaren zestig wees uit dat dertig procent van de Parool-bedankers naar het Nieuws van de Dag overstapten en achttien procent naar De Telegraaf. Het Parool bleef in het midden van de jaren zestig schommelen rond 160.000 exemplaren, waarvan 105.000 in Amsterdam.

Er dienden zich toen ten minste twee dilemma's aan. Moest de krant landelijk blijven concurreren of haar krachten in Amsterdam concentreren? Moest er niet gekozen worden tussen het volk en de intellectuelen, tussen populair of kwaliteit? Op die twee vragen is nooit een overtuigend antwoord gekomen.

Hoofdredacteur Herman Sandberg, die Koets in 1961 opvolgde, zag de oplossing in het maken van een 'popular quality paper'. Hij probeerde de krant populairder te maken zonder afbreuk te doen aan de serieuze inhoud en hij voerde een reeks journalistieke vernieuwingen in. Maar zijn hart lag toch bij het zwaardere deel: bij politiek en vooral internationale politiek. De krant bleef dus een compromis.

Ernstiger was dat Het Parool in de jaren zestig niet meer de geest van de tijd vertegenwoordigde en zijn greep op de jongere generaties verloor. Het was ook niet eenvoudig om in die woelige tijden van provo, krakers, Vietnam en oorlogen in het Midden-Oosten alle lezers tevreden te stellen. Voor provo en krakers had Sandberg weinig begrip, maar hij leverde wel scherpe kritiek op het machtsmisbruik van de politie. Die nuancering gold echter niet voor de anti-Amerikaanse Vietnambetogers. Hoofdartikel na hoofdartikel hekelde en geselde de naïevelingen die zich door Moskou lieten opstoken.

Daarmee volgde hij een lijn, die Het Parool al vrijwel sinds het begin had gevolgd. In het verzet waren de tegenstellingen vervaagd, maar zodra na de bevrijding duidelijk werd dat de CPN weer aan de halsband van Moskou liep, verklaarde Het Parool de oorlog aan het communisme. 'Renegaten' als Frans Goedhart, Jacques de Kadt en Sal Tas toonden daarin een ware bezetenheid. Het denken werd zwart-wit: wie tegen Moskou was, moest vóór Amerika zijn. Deze houding leidde tot blinde steun aan het Amerikaanse beleid, en zelfs - zoals in het geval van Goedhart en Tas - tot nauwe banden met de CIA.

Sandberg was onafhankelijker, maar niet minder anti-Moskou. De krant stond achter Amerika en rechtvaardigde de bombardementen met het argument dat het hogere doel, de strijd tegen het communisme, belangrijker was dan de dood van onschuldige Vietnamezen. De krant vergeleek de leuzen, die Vietnamdemonstranten in Amsterdam in 1967 scandeerden, zelfs met de spreekkoren uit de Nazi-tijd.

Het was niet alleen de politieke visie zelf die weerstanden opriep, maar de sfeer van onverdraagzaamheid en verkettering die uit de kolommen sprak. De oude lezers uit de volksbuurten lieten die politieke stormen nog wel over zich heen gaan en het aantal bedankjes van progressieve intellectuelen viel mee. Maar de yuppies-avant-la-lettre en de verse golven studenten sociologie en politicologie voelden niets voor dat autoritaire pro-Amerikaanse gebulder. De helft van de studenten las rond 1970 De Volkskrant, slechts ruim één op tien bekeerde zich tot Het Parool. En dat jaar verscheen ook nog eens een nieuwe concurrent: NRC Handelsblad.

Het was, bij alle andere incongruenties tussen krant en lezers, een ontwikkeling die een duidelijke keuze alleen maar riskanter maakte. De ene helft van de redactie wilde het Nieuws van de Dag achterna, de andere helft NRC Handelsblad en De Volkskrant.

Er verschenen genoeg artsen aan het ziekbed. De grote afwezige was Herman Sandberg, de hoofdredacteur. Hij had het blad in de jaren zestig een geweldige journalistieke impuls gegeven. Hij had de krant ook werkelijk ontzuild door de band met de PvdA door te snijden. Maar in de laatste tien jaar van zijn carrière leek hij de moed verloren te hebben. De dominante vechter trok zich terug in zijn routinewerk en liet de discussie aan anderen over. Dat verhoogde de duidelijkheid niet. Zo sprak de redactie zich in 1970 uit tegen regionalisering en vóór 'een landelijke krant met een Groot-Amsterdamse inslag'.

Sandbergs opvolger Wouter Gortzak (1982 tot 1987) kwam na veel geharrewar met redactie en directie tot 'een Amsterdamse krant met landelijke allure'. De volgende man, Sytze van der Zee, bracht veel journalistieke schwung mee, en plannen voor een frisse, jonge maar landelijke kwaliteitskrant. Zijn laatste idee was een blad op tabloidformaat. Maar de directie was van mening, dat de genezing van de slepende ziekte niet in het formaat zit.

Mulder en Koedijk hebben een prachtig boek geschreven over een interessante krant. Het vereist moed en ook een soort gevoel van democratische plicht om zo'n onderzoek toe te staan. De bestuurders van Het Parool hebben die verantwoordelijkheid geaccepteerd. In de verantwoording, die ze aan het begin geven, melden Mulder en Koedijk wel dat ze hebben moeten werken met een wetenschappelijke toetsingscommissie omdat die er van de stichting Het Parool moest komen. Dat voorspelt niet veel goeds. Maar het blijkt alleszins mee te vallen. Want er komen heel wat conflicten boven tafel. De auteurs ontzien - in alle hoffelijkheid en objectiviteit - geen reputaties. Daardoor geeft dit boek een fascinerend inzicht in de heftige, stroboscopische verhoudingen binnen de socialistische familie. En daarmee ook van de invloed van een krant binnen een verzuild establishment.

De herhaaldelijk geuite klacht dat er zo weinig vastligt over de Nederlandse persgeschiedenis, begint steeds minder waar te worden. Langzamerhand is er een volle plank met biografieën van kranten en tijdschriften. Maar er zijn nog lacunes. De witste plek is De Telegraaf. Het kan niet zo zijn, dat de grootste en meest onafhankelijke krant in dit land ongrijpbaar blijft. Alleen al het feit dat De Telegraaf in de Eerste Wereldoorlog fel anti-Duits en een kwart eeuw later sympathiserend pro was, vraagt om objectieve bestudering.